Het dikke meisje is jarig (2)

Op 1 februari 2021 is het twee jaar geleden dat mijn voorlopig laatste dichtbundel Het dikke meisje en de ziener werd gepubliceerd. Tot en met die datum plaats ik hier geregeld een gedicht uit de bundel, gevolgd door een korte toelichting.

 BINNENSCHIPPERS ZIJN GELUKKIG
  
 wat vaart een binnenschip traag
 de schipper wijst naar de verte 
 zie ginds een brug roept hij naar zijn vrouw
 over vijf jaar varen we eronderdoor
 de vrouw haast zich naar het dek en omhelst haar man
 tranen biggelen over hun wangen van geluk
  
 ik verlaat het jaagpad en zie een man met hond
 achternagezeten door een truck met daarin twee kerels in fluo hesjes
 ze proberen de hond te overrijden 
 de man neemt de hond in zijn armen en begint te rennen 
 als gek rijdt het tuig achter hen aan 
  
 ik krijg een opstoot van altruïsme gooi mijn fiets 
 in een struik haal mijn semiautomatisch pistool 
 uit mijn fietstas en vuur door de voorruit van de truck 
 tot die zich tegen een eik te pletter rijdt
  
 daarna schiet ik de hond dood (omdat hij me razend 
 van angst naar de keel vliegt) en ten slotte dien ik 
 (om ongeveer dezelfde reden) het baasje neer te leggen
  
 het is me het bloedbadje wel 
 en de dag moet eigenlijk nog beginnen
 ik raap mijn fiets op berg het pistool in mijn tas
 snuit mijn neus en spoed me naar het werk 
  
 driftig trappend blijft het voorval nog een wijle in mijn hoofd spelen
 maar ik sus mezelf met de gedachte dat ik een goede daad heb gesteld
 weliswaar met – dat kan ik niet ontkennen – enige nevenschade 
  
 wanneer ik tussen de bedrijven door het lichtlogo 
 van mijn werkgever zie opdoemen denk ik onwillekeurig 
 aan twee collega’s die ik gisteren halfnaakt 
 kussend in de toiletten aantrof
  
 allebei getrouwd en met kinderen is het niet dramatisch?
 nooit heb ik in al die jaren ook maar één seconde vermoed 
 dat Kaat en Vera lesbiennes waren 

Ik moet u iets bekennen. Ik ben een beetje gek in mijn hoofd. Op een niet ongezonde manier evenwel. En die gek leeft in een perfecte symbiose samen met de ernstige, saaie, bange, conservatieve, bij wijlen zelfs ietwat reactionaire lul die ik eveneens ben. Aan die tweede heb ik niks, poëziegewijs gesproken. Aan die eerste wel.

Mijn gedichten lijken soms miniverhaaltjes. Als de gek zich ermee inlaat, dan wordt het wat. Op die gedichten, de miniverhaaltjes, met af en toe een portie ‘zever gezever’, ben ik stiekem het meest trots. Stiekem, omdat het waarschijnlijk geen grootste poëzie is. Maar grootste poëzie kan mijn reet likken. (Sorry, dat was de gek die sprak, die gaat wel eens vaker de scatologische toer op, let niet op hem.)

In niet-coronatijden fiets ik elke dag een end jaagpad langs de Leie. Ik haal dan wel eens een binnenschip in, of zie een binnenschip mijn richting uit komen. Een binnenschip inhalen is niet zo moeilijk. Mijn oma, die met het beenlengteverschil, de orthopedische schoenen, de bilaterale kunstheup en het looprekje kan het ook. ‘Binnenschippers zijn gelukkig’ begint sereen met dat schipperstafereeltje, maar de regel ‘over vijf jaar varen we eronderdoor’ laat doorschemeren dat er mogelijkerwijs een streepje onzin zit aan te komen.

Ik ben een pacifist. Geschillen moeten wat mij betreft altijd met rede worden uitgeklaard. Nog nooit van mijn leven heb ik gevochten. Dat klinkt laf en lullig, maar het is waar. Zelfs niet als kind. Ieder mens is echter behept met een portie agressie, ook ik. Die moet een uitweg vinden. (O ja, ik heb ooit eens een stoel naar iemand gegooid, of was het doen alsof ik zou gooien, ik weet het niet meer precies. Maar hoe dan ook, zelfs indien ik werkelijk zou gegooid hebben, hardhandig het meubilair herschikken is niet hetzelfde als vechten.) Hoe graag ik ook iedereen die mij in mijn leven ooit wat misdaan heeft op de muil zou willen timmeren, ik doe het niet. Ik heb mij dankzij een normale opvoeding en degelijk onderwijs al op jonge leeftijd een zekere mate van civilisatie eigen gemaakt en heb die in de loop van mijn leven behouden, uit overtuiging of uit luiheid, ook dat weet ik niet precies. Misschien vooral omdat ik bang ben mijn knokkels te bezeren en een saflet tegen mijn muil terug te krijgen.

Het gedicht ‘Binnenschippers zijn gelukkig’ – uit de bundel het lievelingsgedicht van Manu S., een regelmatig bezoeker van dit weblog – is een kortfilm. De camera zwenkt van het binnenschip, waar niets te beleven valt, naar de oever, en dan plotsklaps, pats boem tarara, zit het spel op de wagen. Ik vind het jammer dat er in de film een dier moet sterven, maar het was uit zelfverdediging, sorry. Geen kat gelukkig, maar een hond. In mijn gedichten kan in principe alles gebeuren, maar een kat laten sterven zal ik nooit doen, want u weet (of weet niet) dat ik dol ben op katten. God is een kat, zeg ik altijd. De bewijzen voor die stelling zijn er. Immers, de wereld is niet perfect. Die moet dus wel zijn geschapen door een wezen dat twintig uur per dag zalig spinnend en in een bolletje gerold ligt te slapen. Laten we voor het gemak maar aannemen dat de hond die ik doodschiet zo’n extreem gevaarlijke lelijkesmoelhond is. Had ik hem niet neergelegd, dan had hij diezelfde dag nog drie schoolmeisjes gebeten. Ook ben ik jaloers op de snelheid waarmee de ik tot de orde van de dag overgaat. Bloedbadje aanrichten, wapen opbergen, neus snuiten, de fiets op en vooruit met de geit. Als een ware actieheld. Faut le faire.

In de frase ‘tussen de bedrijven door’ vergelijk ik het leven met een schouwtoneel. Het bestaan zien als theater, dat heb ik in wel meer gedichten gedaan. De dichter is tezelfdertijd acteur, regisseur en publiek. Het leven vergelijken met theater is een niet bijster originele visie, een oude knakker genaamd William Shakespeare wist het al: ‘All the world’s a stage / And all the men and women merely players.’

U wilt nog één vraag beantwoord zien, geef het maar toe. Of ik op mijn werk wel eens halfnaakte, kussende lesbiennes aantref in de toiletten. Ach, breek me de bek niet open. Dagelijks, vriend, dagelijks moeten mijn bruine Bambi-oogjes heelder bergen lillend lesbovlees aanschouwen, je houdt het echt niet voor mogelijk in wat voor onwaardige arbeidsomstandigheden ik de kost moet verdienen. (Dat was die gek weer, let niet op hem. Hoe meer aandacht je hem schenkt, hoe brutaler zijn bek.)

Een gedachte over “Het dikke meisje is jarig (2)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s