Knack 50 jaar (2)

Niet lang voor ik door Karl Van den Broeck werd aangezocht om voor Knack bijdragen over literatuur, en meer in het bijzonder over poëzie, te leveren, had ik Poëzierapport opgericht. Het was de tijd van de weblogs. Ik had er een gemaakt voor mezelf, deze, en al spelend met de tool Blogger had ik stoemelings een andere weblog gemaakt. Ik besloot dichtbundels te bespreken en die op die weblog te publiceren. Poëzierapport moet door Karl Van den Broeck, behalve hoofdredacteur een kenner en liefhebber van literatuur én de zoon van een bekend en gewaardeerd auteur, zijn opgemerkt. Zo moet het gegaan zijn, zo kwam ik bij Knack terecht.

De poëzierecensiewebsite Poëzierapport had ik opgericht om twee redenen. Eén: ik schrijf graag. Twee: de aandacht in kranten en magazines voor poëzie werd almaar geringer, Poëzierapport moest de poëziekritiek een digitale boost geven. Het is dan ook ironisch dat ik, door een digitaal initiatief te nemen als antwoord op de tanende aandacht voor poëzie in de print media, zelf in de print media terechtkwam.

Door mijn werk voor Knack kon ik minder tijd besteden aan Poëzierapport. Ik trok een klein legertje mederecensenten aan en niet zomaar de eerste de beste. Willem Thies, Chrétien Breukers, Alain Delmotte e.v.a. kregen van mij carte blanche om hun stijl en hun poëzie-eruditie te etaleren en leverden uitstekend werk. Zo bleef Poëzierapport nog enkele jaren bestaan en werd het een begrip in letterenland. De voornaamste verwezenlijkingen van Poëzierapport zijn uiteindelijk geworden: een site die een aantal jaren talk of the town was, een schrijverskoppel en een prachtige bloemlezing met de allerbeste recensies. Die bloemlezing met als titel Dansen tot na sluitingstijd. Het beste uit Poëzierapport zou ik u te koop willen aanbevelen ware het niet dat ik zelf maar meer over één exemplaar beschik en dat het boek nergens nog te vinden is.

Ik heb in Knack tal van Nederlandse dichters onder de aandacht gebracht, maar minstens evenveel Vlamingen: Denoo, Pollet, Theunynck, Tritsmans, Heyman, Dangre, De Laere, De Crits, Verhegghe, Van Londersele, Van Tongele, Goudeseune, Rigolle, Lasoen, Gruwez, Deleu, Lecompte, Van hee, Vanhauwaert, Jooris, Mandelinck, Van den Driessche, Allewaert, Lasters, Leroy, Leenders, Declercq, Vranken, De Block, De Neef, Fierens, Van de Voorde, Troch, Eva Cox, Hans Claus… Ik besteedde aandacht aan het Poëziecentrum en de Poëziekrant, aan Het Liegend Konijn, aan de bloemlezing van Meander, aan de jubileumuitgave van Digther, aan de Gentse bloemlezing van Guido Lauwaert… het is haast te veel om op te noemen, deze opsomming is verre van volledig. Eén ding weet ik zeker. Een pak van die namen hadden met een andere recensent nooit de Knack gehaald wegens te min, te tweederangs of niet sexy genoeg. Criteria die ik nooit heb gehanteerd. Integendeel, zelf een dichter zijnde die weet hoe lastig het is om de aandacht van de media te trekken, besefte ik maar al te goed welke taak ik te volbrengen had, wat ik kon betekenen voor collega-dichters die kwalitatief werk maken dat zelden of nooit door de grote mediakanalen wordt opgemerkt.

Heb ik met wat ik middels Knack (en Poëzierapport) heb gedaan voor de Vlaamse en Nederlandse poëzie de erkenning gekregen die ik verdiende? Ik weet het niet. Ik kreeg van mensen uit het boekenvak wel eens een complimentje voor mijn heldere, niet-academische stijl. Er was appreciatie maar, al mijn inzet ten spijt, ook afgunst. Deed ik het voor de erkenning? Alles wat een mens doet doet hij voor erkenning. Maar het was vooral gewoon heel fijn om iets te doen wat ik graag deed en dat te mogen doen in het belangrijkste en beste nieuwstijdschrift van Vlaanderen.

Ik werd vaak aangesproken op mijn scherpe recensies. Die zogezegd scherpe recensies, dat is een perceptie die helemaal onjuist is en een eigen leven is gaan leiden. Ik mocht zelf de te bespreken bundels kiezen. Ik vond het heerlijk om de dichters van wie ik hield in het zonnetje te zetten. De negatieve besprekingen in Knack zijn op de vingers van een kapot gezaagde timmermanshand te tellen. Slechts één keer heb ik moedwillig de vitriool bovengehaald. Dat was om de in die tijd niet over het paard maar over een hele stoeterij getilde snoeshaan van een kaperkapitein op zijn plaats te zetten. Ik hoef zijn naam niet te noemen, iedereen weet wie de zelfvoldane halfzachte pseudo-neuroot is die zich aanstellerig de kaperkapitein noemt. De vrees dat de redactie het stuk niet zou willen publiceren bleek ongegrond. Integendeel, de mannen op de hoofdzetel in Evere vonden het enig.

De volgende keer of volgende keren een woordje over de eindredactie, over hoe twee dichters elkaar tijdens een interview bijna in de haren vlogen en over hoe mijn medewerking aan Knack eindigde.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s