Ik heb geen smartphone en ben toch redelijk normaal

Het moet gebeurd zijn luttele jaren vóór coronatijd. De wereldwijde afspraak dat iedereen altijd en overal een smartphone binnen handbereik moet hebben. De gsm’kes waarmee je alleen kon bellen en sms’sen verdwenen.

In welke roman, uit welk jaar, schrijft Herman Brusselmans ook alweer dat ook hij, met lichte tegenzin, allicht onder druk van zijn jonge vriendin, overstag ging voor zo’n ding? En hoe lang is die bewuste personeelsvergadering geleden? In de uitnodiging stond: breng uw smartphone mee, als je die niet hebt, dan je laptop. De organisator deed iets met de interactieve polltool Mentimeter. Mijn collega Rudy V. had toen ook nog zo’n mobiel niemendalletje. Ik weet nog dat we onze niemendalletjes aan elkaar toonden, die gsm’s dus, en in een lach schoten.

Nog niet zo bijster lang geleden weer zo’n Mentimeter-moment meegemaakt. De vraag smartphone of laptop werd niet meer gesteld. De organisator ging ervanuit dat iedereen een smartphone had. Daar zat ik dan, als een soort digitaal geamputeerde, tussen collegaatjes die mijn kinderen konden zijn en mij meelijwekkende blikken toewierpen. Er bekroop mij een gevoel dat balanceerde tussen gêne en rebellie. Uiteindelijk overwon bij mij een heldere en eenvoudige gedachte en die luidde: steek uw interactieve poll in uw gat.

Het is geen kwestie van opstandigheid, nostalgie of zuinigheid. Ik heb gewoon geen smartphone nodig. Ik heb genoeg aan mijn pc en laptop, waar ik (te) veel uren achter zit. Voor mijn interviews heb ik een dictafoon. Drukken op REC en klaar. Drukken op PLAY en wederom klaar. Voor in de auto hebben we een TomTom.

Ik heb voor noodsituaties nog zo’n ouwerwetse criminelen-gsm, zoals iemand het ooit omschreef, omdat boeven ze gebruiken om hun louche zaakjes te regelen, waarna ze het ding in tweeën kraken, verpletteren met hun voet of in het kanaal dumpen samen met het afgehakte hoofd van de een of andere rat, niet het dier.

Als ik in een stad op straat de weg vraag aan iemand, dan schrikt de aangesprokene zich een aap. Daar staat een vent voor zijn of haar neus van 1 meter 87 centimeter groot en een eenmanskleerkast breed, die de weg vraagt. Een overvallerstruc? De weg vragen, zie ik die denken, als er terug kleur op de wangetjes verschijnt, dat doe je toch niet meer in 2022, kijk op je smartphone, man. Dan vermeld ik altijd spontaan dat ik geen smartphone heb. Ik moet me jandorie verontschuldigen omdat ik iemand vriendelijk de weg vraag in gesproken taal en niet met een whatsappje of hoe die dingen ook mogen heten.

Er zijn mensen die een smartphone hebben, maar er amper mee overweg kunnen. Zielig hoor, iemand die kromgenekt met een stramme wijsvinger over zo’n glasplaat heen en weer schuift, met een hulpeloze blik in de ogen, want ja, zo’n smartphone, was die niet bedoeld om het leven sneller en gemakkelijker te maken? Wat sta je daar te klooien, joh? Moet ik even naar de bibliotheek rennen, wat we nodig hebben opzoeken in de Grote Winkler Prins en je het antwoord brengen?

Ook geinig: iemand die een routebeschrijving volgt op de smartphone, maar geen kaart kan lezen. Op elke hoek van de straat stilstaan en vertwijfeld straatnaambordjes zoeken. Daar moeten we heen, eindje in die richting lopen, en dan, neen, het is toch de andere kant uit.

Zelfs mensen die twintig jaar ouder zijn dan ik, en dus echt wel oud, zitten verweesd en ietwat onbeholpen naar zo’n plat ding te staren. Vermoedelijk heeft een zoon of dochter gezegd dat ze het nodig hebben, of hebben ze het van diezelfde zoon of dochter cadeau gekregen. Het moet niet altijd een Bongobon zijn, en pépé wordt maar één keer 80 jaar. En met die digitale stress die we hem in geschenkverpakking aanbieden, zal hij wis en zeker de 81 niet halen. Erfenis, yeah!

Mogelijk denken sommigen dat ik arm ben. Dat ik mijn smartphone heb verkocht om mijn energiefactuur te betalen. Gelukkig heb ik een leeftijd bereikt waarop het me nog amper kan schelen wat mensen over mij denken. Dat zal in de toekomst nog verminderen. Nu weet je ook meteen waarom oude mensen koppig en eigenzinnig en soms lastig zijn. Dat zijn ze niet, ze zijn oúd. Dat zijn ze geworden door zich elke dag opnieuw niet onder een trein te gooien. Zoiets verdient respect.

En ik heb gewoon ook niet graag spullen op zak. Ga je ergens heen in de zomer in je hempje en je korte broek, dan moet je zien weg te moffelen: huissleutel, autosleutel, identiteitskaart, rijbewijs, bankkaart, geld, gsm, leesbril in zijn koker, zonnebril in zijn koker. Vreselijk. Ik heb het liefst geen polonaise aan mijn lijf. In de winter kun je alles wegmoffelen in jaszakken, maar dat gaat dan weer ten koste van mijn, ahum, gestroomlijnde verschijning.

Maar het allermooiste en ook best wel zielig, dat zijn al die mensen, vooral jongeren, op perrons, op straat, whatever, waar je maar komt, die op hun ding staan te staren. Aan de achterkant van het station van Kortrijk is een doorsteek die overgaat in een trap naar de sporen. Die doorsteek is ongeveer drie meter op drie. Daar zag ik ooit eens negen jonge jongens en meisjes staan, dicht bij elkaar. Ze konden bij wijze van spreken hun vinger in elkanders reet steken zonder hun arm te strekken, zo dicht. Allemaal te kijken op hun foon. Kenden ze elkaar of kenden ze elkaar niet? Wie zal het zeggen? In elk geval was er nul interactie. Geen interesse in wie de mens is die in hun nek ademt, maar wel scrollend doorheen de beelden van de home made pasta van tante Jeanette, die trots haar kleverige brij vanuit alle hoeken heeft gefotografeerd en die plaatjes per se met de mensheid wil delen.

Toch ben ik af en toe fan van andermans smartphonegebruik. Daar stapte onlangs een groepje van vier allochtone jongeren op de trein, dat door luidkeels in hun broebeltaaltje te swatelen demonstreerde hoezeer het lak had aan integratie. Konden die gatverdamme niet in stilte hun smartphone betokkelen? Zaten hier nu echt de laatste vijf mensen op aarde zonder smartphone in één en dezelfde coupé verzameld?

Enkele maanden geleden was ik aan het nordiccen langs de Leie toen plots in de berm een rinkel weerklonk. Daar lag een smartphone in het gras. Op het scherm stond in grote cijfers: 05:00. Wat was dat? Het was tegen de middag, een klok kon het niet zijn. De cijfers veranderden ook niet. Ik ging even zitten op een bankje, met dat ding, in een zwart hoesje gestoken, in mijn poten, maar ik durfde op geen knopjes te drukken. Ik zag ook helemaal geen knopjes, mijn leesbril had ik niet bij en het helle licht scheen op de glasplaat. Dit ding moest zo snel mogelijk bij de eigenaar geraken. Erezaak, want ik ben een goededadenman. Het verhaal is te saai om te vertellen, maar na amper een kwartier was de foon, dankzij enige doortastendheid en een flinke scheut probleemoplossend denken van mijnentwege, terug bij de moeder van het kind dat hem verloor. Eeuwige dank van echte mensen, dat is pas leuk.

Stel dat we morgen elkander wijsmaken dat we een schietwapen in huis moeten halen. Doen we dat dan? Gekke vraag, zegt u? Niet gekker dan het smartphonecomplot. Die tijd komt eraan. Kunt u uw wijsvinger voor iets anders gebruiken. Of beter: hopelijk niet.

===================

Advertentie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s