20 jaar dichter (3)

20 jaar geleden verscheen mijn debuutbundel Niets met jou. Als het eerste nummer in de prestigieuze Sandwich-reeks onder redactie van Gerrit Komrij, werd daar dan altijd aan toegevoegd, zeker in de tijd dat Komrij nog leefde.

Ik heb eerder op dit weblog al eens gedichten uit Het dikke meisje en de ziener van commentaar voorzien. Het is not done, maar het werd gesmaakt. Ik wil nu hetzelfde doen met een aantal gedichten die ik de voorbije 20 jaar publiceerde, gespreid over 7 bundels.

OEVERS 

Ik probeer het mij soms voor te stellen: 
thuiskomen bij jou,  
je hangt het natte goed te drogen,  
groet me zacht zonder zoen 
met roodomrande ogen.  

Je zoon roept pang pang en om zijn vader  
terwijl hij met zijn vinger naar me schiet.  
Je zegt het wordt wel beter later,  
ik knik van ja maar vrees van niet

want hoezeer ik jij en jij mij graag ziet  
bestaat evenveel als een mens uit water  
de liefde uit verdriet. 

Een gedicht wordt sterker als je het in de ik-vorm schrijft, heb ik altijd beweerd. In nieuw werk, dat mijn werkkamer nog niet verlaten heeft, probeer ik af en toe wat komaf te maken met dat Everyman-gedoe. Je kunt ook een Pol, Barbara of Abdullah opvoeren. Of de hond Fifi, of de kat Fluffie.

In ‘Oevers’, in mijn beginjaren een van mijn lievelingsgedichten, kruip ik in de huid van een man die in een nieuw samengesteld gezin met stiefkind is beland. Dat stiefkind lust hem niet en de relatie tussen de partners lijdt daaronder. Relationele sores heeft mij altijd geboeid. Dat hoeft niet te verwonderen. Zowat alle boeken, films, popsongs … gaan over relationeel gedoe.

‘Oevers’ was een van mijn lievelingsgedichten omwille van de tweede strofe die ik nog altijd fantastisch vind. Maar in strofe drie maak ik het gedicht beduidend minder sterk. Stel dat de wijsheid die erin voorkomt waar zou zijn, dan nog heeft de dichter, ik dus, er zich al te gemakkelijk van af gemaakt. Het gedicht verdiende na die beeldende tweede strofe een betere uitwerking.

Ik had misschien ook de omwille van de klank bewuste taalfout ‘ik jij’ niet moeten maken. Er zijn poëziewatchers die begrippen als ‘graag zien’, ‘liefde’ en ‘verdriet’ onduldbaar vinden in poëzie. Ik ga niet zo ver. Als het past in een gedicht kun je dergelijke ‘grote woorden’ gebruiken.

Ideaal is dat je de ongeschreven wetten van de poëzie een neus zet door met die verboden woorden iets groots uit de mouw te schudden. Dat had ik in gedachten, maar hoewel de slotstrofe niet superslecht is, had ik dit beter moeten doen. Ik had het beeldende van de tweede strofe moeten voortzetten. Show, don’t tell, weet je wel.

‘Oevers’ werd niet opgenomen in mijn verzamelbundel Grootste Hits! De Jaren Nul, die een nochtans ruime selectie bevatte uit mijn eerste drie publicaties. Dat had te maken met die mindere strofe, maar ook met mijn ontwikkeling als dichter.

Tegen de tijd dat Grootste Hits! De Jaren Nul verscheen, eind 2009, had ik mijn poëtische invloeden al lang de rug toegekeerd. In de loop van het eerste decennium van deze eeuw ontdekte ik dat poëzie ook onnozel en goor mag zijn in plaats van lieflijk en sereen. Liefst zelfs.

Mijn statuut veranderde gaandeweg van ‘Ontdekking van de Dichter Des Vaderlands’, voor wie een journalist van De Morgen in het holst van de nacht – nou nou, het was laat, winter en donker, maar toch niet het holst van de nacht, overdrijf je nu niet een beetje, Hoorne? – allerijl het Vlaamse land doorkruiste om mij toch maar als eerste te kunnen interviewen, naar poëtische outcast. Daarover meer in de volgende afleveringen.

===================

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s