Gedichtendag

Op 26 januari 2023 las Karl Vandenberghe uit het laatste nummer van Het Liegend Konijn mijn gedicht ‘Zondag’ voor in het Focus/WTV-middagnieuws.

Klik op de foto om de link te activeren. Het gedicht wordt gelezen na minuut 6:14.

===================

Advertentie

The Beach

Vanavond wordt op VTM 4 de film The Beach getoond met Leonardo DiCaprio. Ik zag de film enkele jaren geleden. Het eerste deel is goed. Naar het einde toe wordt de moraliteit er iets te dik opgesmeerd. Er bestaat niet zoiets als een paradijs, en als het al zou bestaan, dan zullen mensen het wel kapotmaken, zoiets …

Lang voor ik de film zag, kende ik die al. Van dat schitterende nummer van All Saints natuurlijk.

===================

Treinzinnen en roze oksels

Een niet meer zo jonge vrouw speelt Candy Crush op haar telefoon.

Eén keer swipet ze naar een spiegel, gaat met haar hand door haar haar, waarna ze verder speelt.

Ik lees in een oude Knack een interview met een politica die graag de stoere uithangt en zich gelukkig mag prijzen dat boeren minder geneigd zijn om met ontvoering te dreigen dan drugscriminelen.

Ze zegt in het interview best wel een aantal dingen waar ik een zelfde mening over heb.

Toch zal ik nooit voor haar stemmen.

Door de harde wind worstel ik een tiental minuten met mijn regencape vooraleer ik die over mijn hoofd krijg.

Ik betreed het vergaderlokaal met mijn muts nog op en mijn regencape nog aan.

Mijn vrouw zegt dat ik die in de hall had moeten uittrekken, dat ik zoiets alleen maar doe om op te vallen.

Willen opvallen?

Ik?

Ik die ooit het minst opvallende kind aller tijden was?

Ik denk het niet.

Klein beetje misschien.

Ik doe graag datgene wat de massa niet doet, ben aan de ene kant oerconservatief en aan de andere kant een ietsepietsie tegendraads – net zoals mijn vader – en kan dat hoe langer hoe minder wegstoppen, zowel in daad als in woord.

Telkens neem ik me voor een meeting lang te zwijgen, maar het lukt me niet.

Joeri heeft zijn trein dertien minuten eerder dan ik.

Ik zeg dat hij mag doorstappen en mij achterlaten.

En eerlijk gezegd, ik stap het liefst alleen.

Of beter, ik praat niet graag tijdens het stappen.

Wat moet een mens ook altijd zeggen?

Er zijn opvallend veel spoorwijzigingen, maar geen vertragingen.

Ik ben te vroeg en verkies met dit weer te wachten in de drukke vertrekhal in plaats van op het perron.

Werkelijk iedereen zit op zijn telefoon te kijken, maar dan ook werkelijk iedereen.

Ik zit met mijn rug naar het tafereel, maar jongeren met een 2de klasse-abonnement die in 1ste klasse zitten, krijgen van de vrouwelijke conducteur een uitbrander waar geen eind aan komt, met daarbovenop waarschijnlijk, als ik het goed hoor, een boete.

Bij het uitstappen zie ik dat het gaat om één blank schoolmeisje en niet om een groepje allochtone pubers zoals gewoonlijk als het gaat om reizigers zonder ticket of die in het verkeerde rijtuig zitten.

Even kruist de blik van de conducteur de mijne en ik zeg: ‘Ge hebt gelijk dat ge streng zijt.’

Ik gebruik het woord ‘streng’ omdat ze dat net daarvoor tegen het meisje ook in de mond nam.

Op het moment dat ik het zeg, heb ik er al spijt van.

Waar moei ik me mee?

En toch ook niet.

Als iedereen rechtvaardig zou zijn en naar rechtvaardigheid streven zoals ik, dan zou de wereld een betere plek zijn.

Of zei ik dat alleen maar om op te vallen?

Neen, nooit bij mensen die ik niet ken.

Ik ben van oordeel dat, als we de wereld terug een goede richting willen uitsturen, hard moeten optreden tegen zij die de boel verzieken.

’s Anderendaags hoor ik in een opgenomen zaalshow Freek de Jonge zeggen – ik parafraseer – dat van het triumviraat geloof, hoop en liefde dat eerste al een tijdje verdwenen is, en dat nu ook de hoop er stilaan van onder muist, en dat als er geen hoop meer leeft bij mensen het einde der tijden nabij is.

Het rode jasje van Freek geeft af op zijn wit hemd, waardoor hij na de uittrekken van dat jasje de rest van de show moet volmaken met roze oksels.

===================

Woorden

Als ik op dit moment om me heen kijk op en rond mijn zoals meestal rommelig bureau, dan zie ik de volgende woorden (beperkt tot 20):

schulp
geert
rose
bruidstaart
spreekt
care
plasma
info
duo
reims
pour
verbondenheid
appel
jaargang
bijzondere
solution
biologisch
compatible
pluche
ruimtes

20 woorden die ik niet zie als ik om me heen kijk:

aardappelpuree
station
heilig
asbestvezel
actualiteitsprogramma 
afspraak
afstand
jandoedel
zielszorg
stillezen
koperglans
nultolerantie
schaatsmarathon
pompwater
prentenatlas
planetenstelsel
opsolferen
inwilligen
waterbom
zeebeving

===================

Mijn Artificieel Intelligent vriendje blijkt toch niet zo intelligent te zijn

Geen gevoel voor humor, dat kan gebeuren, schuif aan bij het gros van de wereldbevolking.

De wijsneus uithangen daarentegen, mij niet gelaten. Ik besloot mijn Artificieel Intelligent vriendje de kans te geven om zijn kennis te etaleren.

Ik koos een willekeurig onderwerp: de Belgische monarchie.

Viel dat even tegen, zeg.

Ik was heel erg van slag door dit foute antwoord. Mijn alleswetende Artificieel Intelligente vriend sloeg de bal helemaal mis.

Ik gaf een hint.

Ineens vergat hij Prinses Astrid. Dat is inderdaad de minst opvallende van de drie koningskinderen, maar wie zichzelf Artificieel Intelligent noemt, zou dit toch moeten weten.

En Elisabeth hoort helemaal niet in dit rijtje thuis. Dat is het oudste kind – “Het is een vrouwtje” – van onze huidige koning, Filip. Niet van Albert, maar met die rakker weet je nooit natuurlijk.

Ik schoot mijn Artificieel Intelligente vriend te hulp met mijn eigen niet-artificiële-mens-van-vlees-en-bloed-intelligentie.

Zodus, zeg het nu nog eens helemaal goed … Maar mijn Artificieel Intelligente vriend was helemaal in de war en somde terug vijf namen op, terwijl ik hem daarnet vertelde dat Koning Albert II maar drie kinderen heeft.

(Ja, lieve lezers, ik weet het, de prinses van papier maché … ik hield Delphine nog even achter de hand, hihi.)

Ik kreeg het op mijn heupen van deze zelfverklaarde nitwit. Powernapje nodig?

Oké, mijnheer heeft geen slaapje nodig. Dan gaan we verder. Maar mijn Artificieel Intelligente vriend werkte zich almaar dieper in nesten. De lapsussen stapelden zich op. Lees zelf maar.

Even een ander koningshuis erbij halen. En ja hoor, die drie Nederlandse mokkels van koninklijken bloede kent hij natuurlijk wel.

Hoe dan ook, Artificieel Intelligente vriend, als ik ooit deelneem aan een quiz, dan zit jij niet in mijn team. Kijk maar toe van aan de zijkant, misschien leer je nog wat bij.

===================

Feest?

Zomervakantie, hittegolf, voetbaltopper, WK, Nieuwjaar … rellen in plaats van feest worden of zijn al het nieuwe normaal. Hulpdiensten worden aangevallen terwijl ze een man aan het reanimeren zijn. En men laat die kereltjes maar begaan. Opgepakt en na enkele uren weer vrij. Begrijpe wie kan. Strenge straffen en nultolerantie graag en wel meteen.

===================

20 jaar dichter (13 & slot)

VRIJETIJDSBESTIJDING

Marius Makelele van de bootmakelij
zag het als eerste en zei: 
Kijk!

We keken, maar daar was niks anders te zien 
dan wat we elke dag al zagen: een bloot wijf 
dat oud ijzer in een magazijn rijdt met een kruiwagen.

Weer zei hij Kijk! en wees er dit keer bij:
Da’s nie ijd, da’s nij!

Hij had gelijk. 
Zo sterk kon oud ijzer niet op nieuw ijzer lijken.

We haalden onze schouders op en bleven nog een wijle 
naar het blote wijf met haar kruiwagen kijken. 

Tot het donker werd.

Als mij iemand de vraag zou stellen welk eigen gedicht mijn lievelingsgedicht is, dan zou ik impulsief kiezen voor ‘Vrijetijdsbestijding’. In de eerste zetproef had mijn toenmalige uitgever er ‘Vrijetijdsbesteding’ van gemaakt, in de veronderstelling dat het een tikfout was. Niet dus. Het is een gedicht met één overheersende klank, vandaar die ‘ij’.

Die verbastering past ook helemaal bij de toon van het gedicht. In ‘Vrijetijdsbestijding’ komen een aantal thema’s samen: het absurdisme, het nihilisme, het sensitieve … Het is een witty gedicht dat eigenlijk nergens over gaat. Het is je m’en foutisme pur sang. Het is een gedicht dat zegt: ‘Kust allemaal mijn kloten!’

Het begint al met die allitererende naam. Een ingeving van het moment. Als ik een naam opvoer in een gedicht, dan komt die meestal spontaan. En dan houd ik vast aan die spontane opwelling, maar ik let wel een beetje op de klankkleur. Makelele was een Franse voetballer, daar ken ik die naam van. Het swingt. Je ziet hem zo voor je, die Marius Makelele. Een geïmporteerde werkkracht. Kleurling, net zoals de voetballer. Bling bling. Soepele danser. Hart van goud. Kroeshaar. Tikkeltje naïef.

Hij merkt iets op en deelt dat met zijn makkers, een handvol niet meer zo jonge, zwijgzame, slecht geschoren, semi-impotente mannen met een buikje en een gedemodeerd kapsel, die stipt om 9 uur hun pauze nemen, geen seconde later. Vermoedelijk is die Makelele nog niet lang in dienst, want zijn collega’s schrikken niet van wat zij zien wat hij ineens ziet: een blote vrouw die oud ijzer in een magazijn rijdt met een kruiwagen.

Schijnbaar is dat oud ijzer nog in goede staat. Het is weer Makelele die dat opmerkt: ‘Dat is niet oud, dat is nieuw.’ Hij is het Nederlands niet goed machtig of spreekt een soort dialect: ‘Da’s nie ijd, da’s nij!

De andere werklieden beamen dat, maar het kan hun geen zak schelen. Ze blijven kijken naar die blote vrouw met haar kruiwagen, tot de avond valt. Zie je ze staan aan de poort van hun bedrijf, een viertal mannen in blauwe overall, drie bleke en een zwarte, netjes op een rij, één met zijn handen in zijn zakken, één die een sigaret rookt, één die een sigaret rolt en die goeiige Marius met zijn lange slangeslungellijf, die er geen snars van begrijpt, maar zijn vele verdere vragen opspaart voor een van de vele volgende werkdagen?

Voor mij hoeft een gedicht niet noodzakelijk gelaagd te zijn. Maar misschien staat het verplaatsen van oud of nieuw ijzer, whatever, voor het gedoe van het leven. De vrouw staat dan voor het contrast, het schone, dat wat de zinloosheid een bestaansreden heeft. Maar uiteindelijk wordt het donker en zie je niets meer. De dood mocht niet ontbreken.

Vreemd dat ik in mijn verbeelding altijd een viertal werklieden zie staan als ik dit gedicht lees, terwijl de titel ‘Vrijetijdsbestijding’ is. Dat komt allicht door dat ijzer, of omdat die Makelele erbij is. Rassenvermenging komt vaker voor op de werkvloer dan in de vrije tijd, denk ik. Vier mannen op zeesletsen en in short op het strand, of met regenjas en wandelbottines in het bos, en één van die vier is een kleurling, ik heb zo’n gezelschap nog nooit gespot.

Het gedicht komt uit de bundel Het ei in mezelf. Het is ook opgenomen in het VWS-cahier Wachten is het hele leven dat Paul Rigolle over me schreef. Dat cahier is trouwens nog altijd bij mij te koop. Het kost 5 euro, exclusief verzendingskosten. Wie interesse heeft, kan het aanvragen via de contactpagina. Geheel vrijblijvend naturalmente.

===================

Boekenverkoop Bibliotheek Harelbeke (3) – Jef

Jef Geeraerts en uitgeverij Manteau waren woke avant la lettre. Op de kaft van Ik ben maar een neger staat een zonnebankbruine blanke, een soort gebleekte Aster Nzeyimana. Dat was de wens van Jef, dat vertelde mij ooit wijlen Lionel Deflo, in die tijd de grote baas van Manteau en een gemeentegenoot van mij. Jef wilde op de cover iemand waarvan het ras niet duidelijk was en daarmee onderstrepen dat alle mensen ongeacht hun ras gelijk zijn.

Dat vond Lionel oké. Die verwarring over het ras is niet alleen te merken aan de huidskleur, maar ook aan het haar. Dat zou het haar kunnen zijn van, daar is hij weer, Aster Nzeyimana, de echte, maar net zo goed dat van mijn nonkel Antoon, die een wat men altijd zei ‘schoon kopke zwart krulhaar’ had en verder zo bleek was als een trommel witgoed die net een Dash-behandeling heeft gekregen.

Er is meer. Jef wilde zijn boek eigenlijk Ik ben maar een n-woord noemen. Hij vond ‘neger’ te lyrisch. Die lyrische term strookte niet met de biotoop van de doorsnee Afrikaan. Door zijn roman Ik ben maar een n-woord te noemen wilde hij de miserabele leefomstandigheden van de anonieme zwarte Afrikaan in de verf zetten en aanklagen.

Deflo vond dat cryptische n-woord maar niks. Het poëtische woord ‘neger’ mocht niet van de kaft worden weggepoetst. Dat konden we die arme sloebers niet aandoen, vond hij. Het had wat voeten in de aarde, maar Jef, die nochtans geen gemakkelijke mens was, stemde daar uiteindelijk mee in.

===================

Boekenverkoop Bibliotheek Harelbeke (2) – Bruidsbed

De met de typmachine nagestreefde CTRL-E (centeren) in de hoofding van de steekkaart is geslaagd.
Harry vind je onder MULI, maar wat betekent 3? (derde MULI in collectie?)
Rechts uitgelijnd: 5893 (doorlopende nummering collectie?)
Het stenen bruidsbed wordt in 1984 7 keer ontleend.
Elk jaar minder en minder. 
In 1989 geen enkele keer.
Op 8 mei 1984 wordt het boek ontleend door 1 (eerste lid van de bibliotheek ooit?)
Sommigen ontleenden het boek meermaals.
Kort vóór 1 juni 1986 wordt het stempelkussen vervangen. 
De datumstempel vlekt.
Tegen het einde van de tweede kolom raakt de inkt opgedroogd.
Iemand vindt een balpen.
En vergeet het jaartal.
14 april.
Ik word heel triest van dat ontbrekende jaartal.
Ik zou wel kunnen huilen.
Nooit zullen we weten op welke 14de april van welk jaar na 1992 iemand het bruidsbed ontleende.
Waarom niet 14/4/XX geschreven?
Net als overal zijn er ook in Harelbeke domme mensen.
Het leven is zinloos.

===================

Boekenverkoop Bibliotheek Harelbeke (1) – Oogst

Geld uitgeven? Ik heb er een hartgrondige hekel aan. Waarom mag ik niet bij de bakker in ruil voor een kleine bruintje een popliedje van drie minuten zingen, en voor een groot bruin een aria? Waarom haalt de caissière in de supermarkt er meteen de manager bij als ik voorstel om in ruil voor de inhoud van mijn winkelkar een geinig verhaaltje te vertellen? En ordonneert die kerel mij vervolgens om maar snel wat minder praatjes te hebben en mijn portefeuille te trekken of hij haalt er de politie bij?

Er is één uitzondering op mijn pinnigheid en dat zijn uitgeschreven bibliotheekboeken. Kijk, onderstaand stapeltje heb ik gisteren geoogst in de stijlvolle Openbare Bibliotheek van Harelbeke. Voor 4 euro! Ik gaf de man aan de kassa een briefje van 5 euro en zei dat hij de change mocht keepen. Haha, grapje hoor … je denkt toch niet dat ik 25 procent fooi geef zeker? Of dat ik überhaupt ooit een fooi geef? Zie ik eruit als Gekke Henkie? Ik dacht het niet.

===================

20 jaar dichter (12)

Ik heb in een vorige aflevering al gezegd dat ik niet dacht dat er na Kaas treft geen schuld tot het tegendeel bewezen is nog een dichtbundel zou volgen. De reden hiervoor is tweeledig. Eén, ik zat volop in mijn zesjarige opleiding fotografie die mijn aandacht opeiste. Twee, ik had na de publicatie van Kaas treft geen schuld tot het tegendeel bewezen is niet één valabel gedicht meer over, geen restje om op voort te borduren, geen aanzetje voor een zevende bundel. Op, op, alles was op.

Uiteindelijk kwam het dan toch weer op gang. Vraag me niet wat, hoe of waarom? Ik herinner mij dat ik een reeks gedichten wilde schrijven over film. Uiteindelijk is dat een wel heel klein minireeksje geworden met als neerslag in de bundel de gedichten ‘Kliphanger’ en ‘KNT’ (ook wel gekend als het Duploblokje-gedicht). Ondertussen weet ik dat je in poëzie niets hebt te willen. Het komt als het komt en het gaat waarover het gaat.

‘Abba Gold Europe’, ‘De begrafenis van tante Cécile’, ‘De Vlasblomme’ (restaurant in Kortrijk, ooit eens een dagschotel gegeten daar) en ‘Praeter’ zijn losjes op autobiografische feitjes geënt. En de rest heb ik in vlagen uit mijn koker geperst. Waarom vlagen? Omdat ik geen schrijfpatroon heb. Ik kan acht gedichten op gang trekken op één dag en er van die acht na langdurig schaven en polijsten een viertal overhouden, waarna dan weer een lange periode van helemaal niks volgt. Ik ben de hardst werkende luie dichter van Vlaanderen en Nederland. Je kunt het ook efficiëntie noemen. Of metier.

Ik laat nu uitschijnen dat Het dikke meisje en de ziener traag tot stand kwam, maar tussen de laatste en de voorlaatste bundel ligt minder dan vier jaar. Peter W.J. Brouwer, een heel goede dichter en schrijver, en een fantastische kerel, kwam bij mij langs in juli 2017. Hij was het die mij in contact bracht met uitgeverij In de Knipscheer. Toen, in juli 2017, was mijn typoscript al grotendeels klaar. Zo traag ging het nu dus ook weer niet. Dat blijft voor mij het mysterie van het schrijven: dat je van een leeg blad een niet-leeg blad maakt en hoe dat in zijn werk gaat. Veelschrijvers zullen mij uitlachen met mijn zeven dunne boekies, maar dat mag. Ik ben graag bereid om mee te lachen. Zelfspot is mijn ding.

Uit Het dikke meisje en de ziener een gedicht dat op redelijk wat bijval kon rekenen. Het gaat niet over het mysterie van het schrijven, maar over het mysterie van het leven.

WAAROM

waarom is er ruimte?
waarom is er tijd?
waarom zijn er honden en bomen en vogels en het menselijk ras?
en waarom ben ik hier en niet daar?
waarom zijn er gelovigen?
waar geloven ze in?
waar gaan we heen als het voorbij is vader?

mijn vader zwijgt zoals altijd 
en blijft zwijgen tot zijn zwijgen pijnlijk wordt
dan haalt hij diep adem opent zijn mond
ademt uit en laat zijn mond terug dichtvallen
zegt dan dat ik het aan mijn moeder moet vragen
dat zij het antwoord op heel veel vragen weet
ik zeg oké 
en vraag niemand iets
mijn moeder zwijgt nooit
maar geeft geen antwoorden
omdat ze niet weet wat vragen zijn
mijn moeder is een uitroep 
die tussen aanhalingstekens leeft

onzichtbaar zweven ze om me heen
ik hoef alleen maar te wachten 
tot de tijd zijn werk doet
tot mijn hersenen volgroeid zijn
dan doe ik hebbes gemene rotmysteries 
met jullie airtje van ons krijg je niet lul

waarom zijn er anderen en waarom is er mij?
waarom kust mijn vader nooit eens mijn moeder
en mijn moeder nooit mijn vader
ook niet als ik niet kijk?
en waarom heb ik pijn als ik ziek ben
pijn als ik gezond ben
maar nooit pijn als ik slaap?

en waarom is er ruimte? waarom is er tijd?

===================

20 jaar dichter (11)

KAPITALISME

telkens als ik mijn bankkaart kus
sterft er ergens op aarde een kind
een klein anoniem teringtyfusklotekind 
dat ik door mijn kordaat ingrijpen
verhinder de nieuwe hitler te worden

ik kus mijn bankkaart lik ze 
wrijf ze hard tegen mijn eikel aan 
en sis dat alle ongeboren dictators 
dood moeten en wel meteen

ach was ik maar een eeuw 
eerder geboren wat een ellende 
had ik niet voorkomen

Ik had als tweede gedicht uit Kaas treft geen schuld tot het tegendeel bewezen is voor opnieuw een verhalend gedicht met een hoek af, zoals ‘Ga heen en koop tv’, ‘Gemoedelijk restaurantgesprek’, ‘Hygiëne’ of ‘Salade’, kunnen kiezen. Dat zijn de gedichten waar ik het meest van houd: geestig en een tikkeltje brutaal.

Behoort bovenstaand gedicht niet tot die groep gedichten dan? Neen, voor mij niet. ‘Kapitalisme’ is niet geestig – ik verkies het Engelse woord witty –, alleen maar brutaal. In het echte leven heb ik een hekel aan brutaal. Ik vermijd geruzie, geredetwist, venijn, controverse, discussie et cetera. Maar omdat ik moeilijk overweg kan met klojo’s, idioten, minkukels en mispunten, die mijn pad kruisen en die in alles wat ze doen niet hetzelfde perfectionistische niveau betrachten dat ik nastreef, durf ik mijn ergernis en onvrede wel eens te uiten. Bij voorkeur mondeling, want als ik mijn scherpe pen moet bovenhalen, dan zijn die klojo’s, idioten, minkukels en mispunten nog niet jarig. (En vaak denk ik dan: Hoorne toch, wat een zonde van al die verspilde energie, we gaan tóch allemaal dood.)

Desalniettemin zijn het echte leven en het geschreven leven twee afzonderlijke entiteiten. Voor de voorstelling van Kaas treft geen schuld tot het tegendeel bewezen is in Cultuurcentrum Guldenberg in april 2015 had ik een aantal gedichten geselecteerd die ik zou voorlezen. ‘Kapitalisme’ was er een van. Ineens zag ik in het publiek een echtpaar, waarvan ik de man vaag ken omdat hij een schrijfcursus bij mij volgde. Die mensen hebben twee jonge kinderen moeten afgeven aan de dood. Dat wist ik. Heel even heb ik overwogen om daarom bovenstaand gedicht niet voor te lezen. Ik heb het toch gebracht. Net omwille van die scheiding tussen wat echt is en wat op papier gebeurt. En omdat ik wist dat die mensen verstandig genoeg waren om te beseffen dat ze de presentatie bijwoonden van een fictieboek.

‘Kapitalisme’ behoeft weinig uitleg. Letterlijk staat er dat de ik-figuur aan een dwanggedachte lijdt. Telkens als hij iets intiems doet met zijn bankkaart, sterft er ergens een kind. Dat vindt hij een goede zaak, want elk kind is een potentiële massamoordenaar. Indien hij een eeuw eerder was geboren, had hij Hitler kunnen uitschakelen vóór die al die ellende kon aanrichten. Het de-hond-bijt-in-zijn-eigen-staartdingetje van dit gedicht is dat de ik-figuur zelf een massamoordenaar is zonder dat hij dat inziet. Integendeel, hij denkt net dat hij de mensheid behoedt en beschermt. Redelijk actueel eigenlijk.

Het is geheel toevallig dat ik in aflevering 10 en 11 van deze reeks een gedicht opvoer waar de naam Hitler in voorkomt. Hij komt slechts twee keer voor in de bundel. Het is niet dat de man mij fascineert of zo. Voor mijn generatie is hij de verpersoonlijking van het kwaad. De komende generatie zal het misschien over Poetin hebben. De jonkies kennen Hitler niet meer, Poetin is the new kid on the block. Alhoewel, gisteren niks over die oorlog in het journaal. Het is oud nieuws geworden en het enige wat de mensen aan die oorlog interesseert, is de schommeling van de gasprijs. Zie maar hoe snel corona vergeten werd. De tijd dat je niet op een bankje in het park mocht zitten, dat die bankjes omwikkeld waren met roodwitte linten, wanneer was dat ook alweer? De late middeleeuwen?

Waarom is de titel ‘Kapitalisme’? Omdat de fetisj een bankkaart is? Omdat het kapitalisme over lijken gaat? Er zit een aanklacht in het gedicht tegen het neoliberalisme en consumentisme. Geld regeert de wereld, niet de menselijke waarden die mij als kind werden aangeleerd, thuis en op school, toen het leven en de wereld nog heel gewoon waren. Het is in de zeven jaar na het verschijnen van Kaas treft geen schuld tot het tegendeel bewezen is alleen maar erger geworden. En het zal nog veel erger worden.

Vooralsnog smeult het, maar het brandt nog niet. Ordediensten, toch een belangrijke schakel voor de maatschappelijke rust, worden de jongste jaren behoorlijk op de proef gesteld. Er komt een tijd waarop die zullen zeggen: we zijn het beu om de pispaal te zijn, zoek het zelf maar uit! Dan is het hek van de dam. Dan komen de horden, waar ik het hier al vaak over heb gehad, eraan. Zorg maar dat je tegen die tijd enige wolfijzers en schietgeweren in huis hebt gehaald gelijk het modale gezinnetje, bestaande uit vader met hoed en boots, moeder met voorschoot en kapje, en twee dochtertjes met geinige vlechtjes, dat in hun houten huisje op de prairie in een ouderwetse cowboyfilm van alle kanten belaagd wordt door booswichten.

Soit, het duurt nog wel even zeker? Tegen de tijd dat het oude continent helemaal in de fik staat, is deze jongen kassiewijle. Alhoewel, het gaat wel heel snel de verkeerde kant uit en ik heb goede genen, ook dat nog. Tot het zover is belijden we het evangelie volgens de clown-filosoof Bassie die zei: altijd blijven lachen.

===================

Dag Roberto en Eden, tot nooit meer!

Het was een goede week voor de voetbalminnaar in mij. De Rode Duivels werden uitgeschakeld in de groepsfase. Dat hadden we nodig om coach Roberto Martinez en kapitein Eden Hazard te laten afvloeien. Geen van de twee heb ik ooit gemogen. Nu niet, vorig jaar niet, vier jaar geleden niet.

Waarschijnlijk zijn het twee goede, warme mensen, maar die zie ik al genoeg tijdens de wekelijkse mis in de Sint-Hilariuskerk. Ik kijk niet naar het voetbal om lieverdjes te zien. Ik kijk niet naar het voetbal om een coach te zien die zijn opstelling en zijn vervangingen baseert op anciënniteit. Een leugenaar bovendien, want zei hij niet dat wie mee wilde naar Qatar ervoor moest zorgen dat hij speelde bij zijn club? Dat gold dan niet voor de voetballende braadworst. Twee maten, twee gewichten, als er iets is wat ik niet kan verdragen is dat het wel.

Ik kijk niet naar het voetbal om een vet betaalde pleintjesvoetballer te zien met nul ambitie. We hebben nooit een Eden Hazard nodig gehad. Hij neemt de bal aan, draait om zijn as en vertraagt het spel. Dat aannemen en om zijn as draaien, dat lukte amper nog. Deze knul had in Qatar niets te zoeken. Ik vind het ergerlijk dat geen van de analisten, hoe deskundig hun analyses soms ook zijn, dit openlijk durfde zeggen. Ze zijn zo lief, mijnheer, en we weten waarom. Heel wat van die analisten hebben een connectie met of worden zelfs betaald door de voetbalbond.

Nu nog Witsel die eruit stapt en ik kan weer supporteren voor de Rode Duivels. Allez Axel!

===================

Even updaten …

Beroepshalve:

Hoe gaat het écht met Ronny Schoutteten?

9 argumenten om je ouders te overtuigen dat gamen oké is

9 signalen die je waarschuwen voor een gameverslaving

Beugel nodig? Bereken je richtprijs! 

Elders:

5 gedichten in Het Liegend Konijn

7de druk van Ik wou dat ik een vogel was

Het gedicht ‘relatietherapie’ van Marc Lonneville uitgelicht op Roer.me

Weesgedichten

===================

20 jaar dichter (10)

Het zou de waarheid geweld aandoen te beweren dat mijn zesde dichtbundel Kaas treft geen schuld tot het tegendeel bewezen is uit 2015 een stijlbreuk vormde met zijn voorganger Het is fijn om van pluche te zijn. Ik denk niet in termen als verandering en vernieuwing en jezelf opnieuw uitvinden. Marketingpraat. Ik maak gedichten en als ik er genoeg kwaliteitsvolle heb, giet ik die in een bundel, waarbij ik de kwaliteit bundel na bundel naar een hoger niveau probeer te tillen.

Dat gieten gebeurt sinds Het is fijn om van pluche te zijn op een hoogst simpele manier. De volgorde van de gedichten in de bundel is op titel, alfabetisch. Waarmee ik wil zeggen: het maakt niet uit. Maar waarbij ik er wel zorg voor draag dat het openingsgedicht een waardige opener is.

Inhoudelijk geen stijlbreuk, maar wel vormelijk. Het is fijn om van pluche te zijn is kleurrijk met een uitbundig, nogal groot, kinderachtig lettertype. Kaas treft geen schuld tot het tegendeel bewezen is is zwart en wit en grijs, met een kleiner, serener en serieuzer lettertype. Een aantal gedichten is minder wijdlopig, gebalder.

In Kaas treft geen schuld tot het tegendeel bewezen is laat ik voor het eerst – het folietje op het einde van Het is fijn om van pluche te zijn uitgezonderd – hoofdletters, punten en komma’s achterwege. Andere leestekens zoals uitroepteken, vraagteken en gedachtestreepjes komen wel nog voor.

Later, in Het dikke meisje en de ziener en in mijn nog te verschijnen bundel met als werktitel Mens is de naam, heb ik de hoofdletter terug verwelkomd. Soms wil ik die, soms niet. Gevoelsmatig. Als ‘God’ beter oogt dan ‘god’ en ‘B-film’ beter dan ‘b-film’, dan moet je de hoofdletter toelaten.

Terug naar 2015. Ik kan het niet laten om uit Kaas treft geen schuld tot het tegendeel bewezen is een gedicht te kiezen met wederom een weerhaakje aan.

TEXTIELHUIS

cocktails moeten betaalbaar zijn als het over aids gaat
staat er op mijn placemat 

aan de belendende tafel zit tussen zeven gepensioneerde blanken
een neger in een veelkleurige tuniek
wijd van snit met een zee van ruimte voor het klokkenspel

hier te eten maakt van mij een goed mens
de dienster komt uit myanmar en de barman uit soedan
afrekenen voelt als ontwikkelingshulp
het loont de soedanees praat al platter dan ik 

hier vind je ook lieden die niks geven om welke ideologie dan ook
alleen om de goedkoop
ze zouden zelfs komen als hitler himself achter het fornuis stond
hij heeft een paar joden gepest maar zijn prijzen zijn scherp

ineens rinkelt een gsm 
de neger tast in zijn wijde broek
zou het een van zijn vrouwen zijn?
hij kijkt in zijn bord 
ik ben hutsepot met braadworst aan het eten
daar kan de vrouw zich niets bij voorstellen

in het textielhuis komen ook lokale politiekers uit de vorige eeuw
niet voor het eten maar voor vergeefse blikken van herkenning

Het Textielhuis, zoals de naam laat vermoeden een nering van de socialistische vakbond, was gevestigd in de Rijselsestraat te Kortrijk. Toen ik nog in het centrum van Kortrijk werkte, heb ik er een keer of drie een dagschotel genuttigd. Sociale economie. Later kon je er niet meer eten en ik meen uit de media op te maken dat het pand een herbestemming kreeg of krijgt.

Wat kan een mens zoal doen als hij moet wachten op zijn dagschotel? Een bierkaartje nemen, kijken of hij een balpen bij zich heeft – meestal heb ik die niet op zak, maar die dag gelukkig wel – en notities maken.

Of het allochtone personeel echt uit Myanmar en Soedan kwam weet ik niet. Iedereen die dit weblog volgt, weet dat ik een koele minnaar van massamigratie ben, om het eufemistisch te stellen. Maar als inwijkelingen werken voor de kost, hun best doen om een woordje Nederlands te spreken, vriendelijk zijn en geen airtje hebben van ‘pas op hoe je kijkt naar mij of ik dien een racismeklacht tegen je in’, dan sluit ik hen in mijn armen.

Het meest schokkende, voor wie daar vatbaar voor is, zit in de vierde strofe. Maar wie door de woorden heen kijkt, snapt wat ik bedoel: er is weinig nodig opdat mensen hun principes overboord gooien. Zeg tegen een vegetariër dat hij 1.000 euro krijgt als hij een lapje vlees eet en hij speelt een heel rund naar binnen. Dat soort geschipper. En vergoelijken achteraf, dat is eigenlijk nog het ergst van al.

Het gedicht zit vol goede vondsten, al zeg ik het zelf. En bevat ook een cliché. Ik had ‘het klokkenspel’ kunnen vervangen door iets anders, ‘zijn chocolate salty balls’ bijvoorbeeld, maar dat klinkt te omslachtig en dan moet de lezer het lied van Chef kennen om helemaal mee te zijn. Een gedicht schrijven is voortdurend afwegen welk woord je wel en niet gebruikt. Schrijven, laten rusten, schaven, laten rusten, schaven, laten rusten, polijsten … tot je op zekere dag meent dat het af is. En vervolgens in die mening berusten.

===================

20 jaar dichter (9)

LICHAAM VAN CHRISTUS

Alle hagelwitte navels en egocentrische peniscentra nog aan toe. 
De zoon van de Heiland, een vooroorlogse David Copperfield
zonder impresario, deed zijn hocus pocus en fix trix ook alleen
maar voor pussy. Vraag dat maar aan Maria, Magdalena,
Anna, Carla, Nora, Zora, Rosa, Rita, Ria, Mia en tante Fabiola.

Stelt dit het christendom in een ander daglicht, Monseigneur? 

Bijlange niet, antwoordde de hulpbisschop zonder op te kijken,
en onvermoeibaar, met een kracht sterker dan zijn geloof, ging hij 
verder met het pletsen van zijn kardinaalsrode roede tegen de roze 
wangetjes van de misdienaars, die op hun knieën gezeten met devoot 
gevouwen handen aan één stuk door Lichaam van Christus prevelden.

Ik nam dit gedicht op in Het is fijn om van pluche te zijn uit 2012. Maar het gedicht is veel ouder. Ik was kwaad op mezelf omdat ik het niet eerder durfde te publiceren. Nu lijkt het geïnspireerd te zijn door de zaak-Vangheluwe, terwijl ik het al schreef jaren daarvoor.

Een gedicht waarin Jezus wordt voorgesteld als een man die middels zijn succesvol gegoochel de vrouwtjes binnendoet en daarmee zijn vertegenwoordigers op aarde inspireert om eveneens hun roede te kletsen tegen alles wat ze maar raken kunnen, het is eens wat anders dan een dichie waarin de mist in de bomen hangt of de zon ter kimme stijgt.

Ik zal er vast de Merendree-poëzieprijs niet mee winnen, maar het is wel telkens weer een plezier om een streepje vuigheid te schilderen op de vacht van de poëzie, die in haar meest miserabele vorm nog wolliger is dan een kudde schapen in de Schotse hooglanden die zo omvangrijk is dat zelfs de meest uitsloverige herdershond bij zichzelf denkt: dit gaat te ver, woef, dit zijn geen normale werkomstandigheden meer, woef, ik denk dat ik mij maar beter eens tot mijn vakbond wend, woef woef.

‘Fix trix’ komt uit een animatieserie die op tv kwam toen ik nog een kleine jongen was. Vermoedelijk Tsjecho-Slovaaks, je weet wel, met op het einde het woord ‘konec’ in beeld. Een eenvoudig tekenfilmfiguurtje werkte zich in elke aflevering in nesten, bevrijdde zich middels een slimmigheidje uit die nesten en zei toen ‘fix trix’ ofte ‘ik heb het met een trucje gefikst’.

Ik heb altijd beweerd dat poëzie zich niet moet inlaten met maatschappelijk engagement, dat de poëzie daarboven moet staan. In Het is fijn om van pluche te zijn zitten wél een aantal geëngageerde gedichten. Het bovenstaande is daar een voorbeeld van.

Met de bundel Het is fijn om van pluche te zijn had ik mijn toppunt van absurdisme, onnozelheid en recalcitrantie bereikt. Drie jaar later, in 2015, kwam Kaas treft geen schuld tot het tegendeel bewezen is uit. Op de cover staat een man met zijn rug naar de kijker gekeerd. Kaas … zou mijn laatste bundel worden, daar was ik van overtuigd. Die man moest dat symboliseren. Maar zoals we nu weten, het werd niet mijn laatste. In de volgende twee afleveringen ga ik dieper in op die zesde bundel Kaas treft geen schuld tot het tegendeel bewezen is.

===================

20 jaar dichter (8)

In deze reeks, waarvan het opzet inmiddels duidelijk is, laat ik de compilatiebundel Grootste Hits! De Jaren Nul links liggen omdat die een ruime selectie bevat uit Niets met jou, Inbreng nihil en Het ei in mezelf, plus vier nieuwe gedichten.

Ik zat vanaf die compilatiebundel bij uitgeverij Van Gennep, bij de heel aardige Chris ten Kate, met wie ik na een jaar of tien heb gebroken omdat hij nooit op mails reageerde, waarin ik meestal vroeg om mij exemplaren van mijn eigen bundels toe te sturen. En als ik zeg nooit, dan bedoel ik ook nooit. Ik herinner met dat ook mede-Sandwich-auteur John Schoorl het op zijn heupen kreeg van die non-communicatie.

Dat mede-Sandwich moet ik misschien even verduidelijken. Het opzet van de Sandwich-reeks onder redactie van Gerrit Komrij was een reeks van 20 bundels – 10 debuten en 10 vergeten dichters – gespreid over 10 jaar. Toen Uitgeverij 521 ophield te bestaan, was de reeks niet voltooid en werd ze door Van Gennep overgenomen.

Mooie bundels heb ik uitgegeven bij Van Gennep, met mooie covers. Zolang het goed ging, ging het goed. Fijne medewerkers had Chris, maar na verloop van tijd werd de personeelsbezetting van de uitgeverij alsmaar dunner. En er was dus die afwezigheid van communicatie. Ik woon op 300 km van Amsterdam. Even binnen wippen om te kijken wat er aan de hand was, dat ging zomaar niet. Ik vermoed dat de uitgever kampte met problemen op velerlei vlakken.

Soit, mijn vijfde dichtbundel heette Het is fijn om van pluche te zijn (2012). Veel plaats voor gekte in deze bundel. Ik schakelde het absurditeitsgehalte nog een versnelling hoger dan in Het ei in mezelf. De cover toont een pluche beer die aan een vuilniswagen hangt. Ik mocht kiezen uit vier covers en die was veruit de beste.

Veel gekte, maar er was ook plaats voor ingetogenheid. Het gedicht ‘Lijmen’ bijvoorbeeld gaat over de zoen. Ik schreef het in opdracht van het magazine One.

En er is dit gedicht over mijn moeder.

DRACHT

In een naamloze stad, januari en donker, doolde ik 
rond op zoek naar de warmte van een kroeg 
toen in de opkomende mist het silhouet 
van mijn moeder in mijn richting groeide: 

grijs, flets en moe, de schoenpunten naar binnen gekromd, 
half verstopt onder haar oudmodische groene muts 
de gebeitelde kroeskop die ze al haar hele leven droeg.

Moeder, zo nam ik mij voor te vragen, wat doe jij hier 
zo ver van huis te voet op straat in deze koude stad 
en waar is vader? Maar zij die mijn jeugd van zo dichtbij 
beleefde als een schim bleek meer dan ooit vervreemd. 

Die grof gebreide muts had van haar kunnen zijn, 
maar de aangeschoten man wees nergens naartoe 
toen ik hem vroeg naar de meest nabijgelegen kroeg.

Ik heb meer dan eens over de moederfiguur geschreven en het was niet altijd hosanna. Het zou boeiend zijn om die moedergedichten eens naast elkaar te leggen om de teneur te proeven. En hoe vaak komt de vaderfiguur voor? Eigenlijk houd ik niet van de termen moedergedicht en vadergedicht. Mijn thema dienaangaande is altijd geweest: erfelijkheid.

Bovenstaand gedicht, ‘Dracht’, hoeft weinig duiding. De derde strofe is de kernstrofe. De aanspreking ‘moeder’ maakt het gedicht afstandelijker, want een dergelijke aanspreking gebruiken we in Vlaanderen eigenlijk niet. We zeggen ‘mama’ of ‘ma’ of ‘moeke’ of nog iets anders.

Door de woorden ‘moeder’ en ‘vader’ te gebruiken, krijgt de vraag iets theatraals, wat helemaal past bij de afstand die het kind voelt tot zijn moeder of tot zijn ouders, maar tegelijkertijd ook iets komisch.

Het zou een zin kunnen zijn uit een BRT-serie van de jaren zeventig, waarin toen nog vlekkeloos ABN werd gesproken. Moeder, wat doe jij hier zo ver van huis te voet op straat in deze koude stad en waar is vader? Ik zie die zin zo uit een jonge Jo De Meyere zijn strot komen.

===================