ABBA 2021 (2)

Vanaf mei volgend jaar kun je naar ABBA gaan kijken in Londen, in een speciaal daarvoor gebouwde arena. Wat je zal zien zijn digitale avatars van de vier ABBA-leden. Hologrammen. Illusies. Projecties van hoe ze er in de jaren ’70 uitzagen. Een technologische verjongingskuur. Je zal dus kijken naar Agnetha zoals ze eruitzag in de jaren ’70, terwijl de inmiddels om en bij de 70-jarige Agnetha op hetzelfde moment misschien haar strijk aan het doen is ergens in Stockholm. Hoe verfijnd de techniek ook is, het zag er op de beelden in het journaal een beetje creepy uit. Robotachtig. Volgens mij is het met hologrammen niet mogelijk om echt vloeiende bewegingen of gelaatsemoties te tonen. Wie een halve eeuw geleden verliefd was op de meisjes, zal allicht ontgoocheld zijn over de Scandinavische koelheid waarmee ze ‘op het podium staan’.

Het wordt een groot succes. Van over de hele wereld zal men op het event afkomen. Slecht voor het milieu. Australiërs bij de vleet, want ABBA was megagroot in Australië, zo groot dat daar, tijdens die beruchte Australische tournee, het begin van het einde destijds werd ingezet. Te druk en te claustrofobisch voor mensen die het kalme, lieflijke Zweden gewend waren. Dat ze zich bij deze comeback laten vertegenwoordigen door illusies mag eigenlijk niet verbazen.

Je moet bij een dergelijk spektakel voor even vergeten dat het niet echt is en jezelf wijsmaken dat daar de levende ABBA staat. Net zoals mensen dat doen die naar een ABBA-tribute band gaan kijken, ABBA Gold Europe bijvoorbeeld, waarop het gedicht dat ik in een vorig bericht plaatste gebaseerd is. ABBA Gold Europe was ooit te gast in het plaatselijke cultuurcentrum. Van op een van de laatste rijen in de zaal en met mijn niet meer zo jonge ogen wilde ik graag geloven dat daar de echte ABBA stond. Ze leken helemaal niet op de echte ABBA, zag ik later op hun website, maar ze waren wel van vlees en bloed, ze bewogen en spraken tussen de liedjes door het publiek toe, op het moment zelf.

De techniek om anno nu je muzikale helden terug te zien en te horen zoals ze een halve eeuw geleden klonken en oogden bestaat eigenlijk al. Het heet YouTube.

Eurovisiesongfestival (2)

Ik vroeg me af waarom de hitparade-artiesten niet naar het Songfestival gingen: Queen, Rod Stewart, Status Quo, The Sweet, Mud, The Rubettes, The Bay City Rollers, Alvin Stardust of de halfgare Gary Glitter. Het leek wel alsof er voor het festival in een aparte muzikale vijver werd gevist. Toch brachten de edities van ’74, ’75 en ’76 fraaie winnaars voort met ABBA (‘Waterloo’), Teach-In (‘Ding-a-dong’) en Brotherhood of Man (‘Save your kisses for me’). Veel mensen vinden ‘Waterloo’ nog altijd de ultieme ABBA-hit, maar als ik een lijstje zou maken met mijn 15 favoriete ABBA-hits, dan komt het er niet in voor. Mijn absolute ABBA-favorieten zijn ‘Knowing Me, Knowing You’ en ‘The Name of the Game’. Dit terzijde. Wat Teach-In betreft, er is een Amerikaanse film over een zieke jongen die naar Amsterdam reist om de auteur van zijn lievelingsboek te ontmoeten. In die film zegt een personage tegen een ander iets als ‘There was a Dutch song called Ding-a-dong. It was the favorite song of my father.’ De naam van de film ontsnapt me en ik heb geen zin om hem op te zoeken.

Laat me even doorspoelen naar 1980. Ik ben een puber en al lang niet meer bijster geïnteresseerd in het Songfestival. Vaak zie ik het meer als uitlachtelevisie dan wat anders. België wordt dat jaar vertegenwoordigd door Telex, een Waals synthesizertrio dat met ‘Eurovision’ een parodie brengt op het evenement waar het aan deelneemt. Telex is de luis in de pels, de anti-Europeaan die als verkozene zetelt in het Europees Parlement, de carnivoor in de vegan shop . Het was Telex niet te doen om de punten. Dat de drie heren geselecteerd werden en mochten optreden voor vele miljoenen kijkers in heel Europa was al een overwinning op zich. Telex is tegenwoordig terug brandend actueel met een nieuw compilatiealbum, ‘This is Telex’. Telex is zo’n beetje het Kraftwerk van den Aldi. Pioniers waren ze wel, in eigen land zeker, maar ik word niet wild van hun synth-pop covers van ‘Dear Prudence’ of ‘Ça plane pour moi’. Maar die subversieve act op 19 april – mei is dan toch niet altijd de festivalmaand – 1980 in Den Haag kon ik wel pruimen. Subversief? Toen wel. Als je het optreden echter bekijkt door de ogen van nu, lijkt het als act nogal magertjes. Visueel waren deze jongens geen hoogvlieger. Telex kwam als laatste aan de beurt, als een soort appendix. Het orkest mocht inpakken en ‘synthesizers en noemt u maar op wat er allemaal bij zit’, zoals de commentaarstem op de Nederlandse tv het noemde, namen het over. Op het einde wordt een stukje van ‘Te Deum’, de EBU-tune gespeeld. Het nemen van de foto kan gezien worden als een omkering van de rollen die artiest en publiek vervullen. Heeft het publiek niet genoten van de artiest, de artiest dan toch van het publiek, en dat moet voor het nageslacht worden vastgelegd.

Kennen jullie deze nog? (6) AC/DC

Toen ik dit concert van AC/DC in Argentinië op tv zag, kon ik mijn ogen niet van dat publiek afhouden. Ik dacht toen niet, zoals ik nu denk, stel dat daar een superverspreider tussen staat, wat een catastrofe zou dat wel niet zijn. Ik zag dit in de tijd dat corona alleen nog maar een eendagsvliegmuziekgroepje van lang geleden en een ineens uit het nieuws verdwenen autoverzekering waren.

De reden dat ik nooit een grote hardrock- en heavy metalfan ben geweest, is dat die muziek door de aanhangers als een religie werd aanbeden. Het sloot de liefde voor andere genres uit. Je kon geen mouwloze jeansvestje dragen met Eddie van Iron Maiden op je rug en tezelfdertijd een liedje van Abba, Michael Jackson of Liliane Saint-Pierre leuk vinden. Als hardrocker moest je ook veel bier drinken, een kettinkje aan jouw broekzak hebben hangen, lang ongewassen haar hebben en een hardrocklief vinden. Dat laatste behelsde een serieuze beperking van het aanbod, er waren immers meer hardrockmannetjes dan hardrockvrouwtjes. Bovendien dronken die hardrockgrietjes te veel bier, hadden ze zo’n onnozel kettinkje aan hun skinny jeans hangen en meenden ze dat Schwarzkopf, Pantène, Head and Shoulders en Timotei namen van metalbands waren. (En bij nader inzien nog niet eens zo’n slechte namen.)

Ik was bovendien veel te soft om hardrocker te zijn. Je had softe hardrockers die dachten dat ze stoer waren, maar dat imago liet zich makkelijk doorprikken. Die droegen dan bijvoorbeeld een bril, hetzelfde modelletje als de nerds droegen, want de hardrockscène mocht dan wel een uitgebreid vestimentair gamma hebben ontwikkeld, een typische hardrockbril bestond niet, omdat een bril dragen als hardrocker niet hoorde. Headbangen met een bril op je neus was de snelste manier om de dorpsoptieker rijk te maken. Hoe dan ook, die gasten die de hardrocker wilden uithangen en slechte ogen hadden, konden niks anders dan zo’n ding op hun neus zetten wilden ze niet tijdens het headbangen ongelukken veroorzaken, en werden door hun maten precies zo aanzien als hoe dat ding op de neus eruitzag: als een dubbele nul.

Hardrockbands scoorden ook altijd hun grootste hits met trage nummers, ballads zoals die werden genoemd. Wie kent niet ‘Winds Of Change’ van de Scorpions of ‘Keep On Loving You’ van REO Speedwagon? De fans van die bands zeiden dan gegeneerd: ‘ja maar, ja maar, het is een traag nummer, oké, maar die gasten kunnen echt wel keihard rocken ook hoor!’ Het meest vervelende, trage, halfslachtige hardrocknummer aller tijden – en nu trap ik tegen nogal wat scheentjes, maar het is lang geleden dat ik dat nog heb gedaan, dus het mag wel weer eens – is ‘Stairway To Heaven’ van Led Zeppelin, een hoop gezemel waar zelfs de priester-leraars in het college dol op waren, kun je nagaan.

Een streepje AC/DC dus. Wat ik zei, let op dat publiek. Loco, muy loco.