Vive Macron! Allo De Croo?

Weet je van welk woord ik stilaan het schijt krijg?

Sensibiliseren.

Terwijl president Macron in Frankrijk onpopulaire maatregelen durft nemen zoals de verplichte vaccinatie voor zorgpersoneel en het invoeren van een gezondheidspas, blijven onze inlandse leiders weifelen en inzetten op – pas op, daar komt het – sensibiliseren.

Onpopulair? Blijkbaar toch niet zo onpopulair, want sinds de aankondiging van de president lopen de Fransen de vaccinatiecentra plat. Iedereen wil een vaccin, om zijn job in de zorg niet te verliezen of om verder te genieten van het uitgaansleven.

Gisteren in het nieuws: ‘Slechts 1 op de 3 terugkerende reizigers houdt zich aan de testverplichting.’ Belgische reizigers welteverstaan.

Zullen we nog een beetje sensibiliseren of gaan we de Belg raken waar het pijn doen, in zijn portemonnee? Retorische vraag was dat. Zullen we eindelijk eens optreden tegen al degenen die er door hun onverantwoordelijk gedrag voor zorgen dat dit virusgedoe nu al anderhalf jaar duurt en terug opflakkert?

Blijft het probleem van de controle. ‘Slimme’ Belgen die zich nergens iets van aantrekken onder het mom van vrijheid blijheid weten dat de controlemechanismen zo lek zijn als een zeef.

Het zijn diezelfde idioten die ervoor zorgen dat de Big Brother-staat dichterbij komt. Zij zijn het die ervoor zullen zorgen dat we over afzienbare tijd allemaal een chip krijgen ingepland waarmee we 7 dagen op 7, 24 uur op 24 getraceerd kunnen worden. Controleprobleem opgelost.

Is het dat wat we willen?

Buikvet

De Covid-afdeling intensieve zorgen van het ziekenhuis ligt vol met dikke mensen, hoorde ik enkele maanden geleden iemand zeggen. Ja, mensen zoals jij, voegde de boodschapper daar luidkeels aan toe. Tja, wij dikkerds zijn de subtiele en minder subtiele beledigingen gewend. Wij hebben er een olifantenhuid van gekregen, dik vel zoals wij dat noemen. Ook dat nog, alsof alles wat onder dat vel zit nog niet volumineus genoeg is.

Ik vroeg eind vorig jaar aan mijn huisarts hoe het komt dat dikkerds vatbaarder zijn voor ernstigere Covid-complicaties. Ze wist het niet, of beter, de wetenschap wist het nog niet. Er was nog geen verklaring voor. Kijk, als wetenschappers dingen niet weten, dan word ik pas ongerust. Men kan van op aarde een rectaal onderzoek uitvoeren bij een Marsmannetje en zijn poepje middels een telescopische arm inwrijven met aambeienzalf, maar na bijna een jaar corona wist men nog altijd niet waarom een kilootje extra meer kans maakt op complicaties.

Zoals voor zoveel gewichtige problemen, bracht ook hier Libelle soelaas. Ja, Libelle, dé Libelle. De ‘libre billekes’ zoals de fundamentalistische preutsen het blad kort na zijn ontstaan noemden, omdat er al eens een streepje blanke vrouwendij of blote schouder in te zien waren. Ik citeer: “Het Franciscus Gasthuis & Vlietland in Rotterdam volgde 79 corona-patiënten die op de eerste hulp terechtkwamen. Iets minder dan de helft van deze groep kreeg ernstige longproblemen, zij moesten beademd worden of kwamen zelfs op de intensive care terecht. De onderzoekers vroegen zich af waarom deze mensen ernstige klachten kregen terwijl de andere helft van de patiënten een milder ziekteverloop had.  Aandoeningen als overgewicht en een te hoge bloeddruk of cholesterol leken dit niet te verklaren. Het grootste verschil tussen beide groepen was de buikomvang. Hoe het kan dat buikvet zorgt voor ernstigere covid-klachten, weten de onderzoekers nog niet precies. Maar ze vermoeden, zo meldt Trouw, dat veel vet rond de ingewanden en onderste delen van de longen letterlijk in de weg zit. Hierdoor kan een infectie eerder tot (ernstige) luchtwegklachten leiden. Een andere verklaring is dat het overmatige buikvet een handige opslagplaats vormt voor het virus, dat daardoor sterker kan toeslaan.

Ah zo, Libelle heeft het ook maar uit de tweede hand, maar hoe dan ook, de wetenschappers, die het dus nog niet weten, hebben een vermoeden. Twee vermoedens eigenlijk. Het buikvet zit de longen in de weg, of het buikvet is een handige opslagplaats, dat door het virus wordt gebruikt om zich te organiseren waardoor het sterker kan toeslaan. Bemerk het ironisch gebruik van de term ‘handige opslagplaats’ en het oorlogszuchtige ‘dat daardoor sterker kan toeslaan’. Libelle kiest hier duidelijk de kant van het virus, tégen de dikkerds. Mensen met een embonpoint zoals ik weten wat de steller van het artikel bedoelt. Die schreeuwt als het ware in mijn oor: ‘Als Je Crepeert Is Dat Je Eigen Dikke Schuld, Vetklep!!!’ Als je klikt op ‘Lees meer’, dan vind je onderaan het artikel nog wat tips om iets aan dat buikvet te doen. “Last van overtollig buikvet? Volgens onderzoekers van de universiteit van Harvard is het dan slim om te gaan sporten met gewichten in je handen.” Zich beroepend op ‘onderzoekers van de universiteit’ en niet zomaar een universiteit, maar ‘de universiteit van Harvard’ de dikkerds aansporen om zich compleet belachelijk te maken door te gaan lopen, fietsen, zwemmen, voetballen, polsstokspringen… met gewichten in hun handen. Dat is slim, staat er. Dat is slim! Dus iedereen die niet loopt, fietst, pingpongt, speerwerpt, waterpoloot, ijshockeyt… met gewichten in zijn handen is dom. Niemand loopt, fietst, schaatst, korfbalt, zeilt, hamerslingert… met gewichten in zijn handen. Magere mensen niet, dikke mensen niet. Dikke mensen zijn niet dom. Integendeel, als ik naar de Mensa-bijeenkomsten ga, dan kom ik daar alleen maar mensen tegen van wie het BMI het IQ benadert. Neen, niet omgekeerd.

Weg in stilte

De vader van een collega overleed. Je ging naar de begrafenis, uit respect voor die collega. Die vader kende je helemaal niet, noch de rest van de familie. Je drong binnen in het privéleven van iemand die je alleen kende van op het werk. Je kreeg een inkijk in een familie die je vreemd was. Een broer van je collega leek sprekend op zijn broer, een zus las een pakkende speech voor, een kleinkind had een tekening gemaakt van en voor opa in de hemel. Soms een barstensvolle kerk want de man was voorzitter van de kaartersclub en penningmeester van het jeugdvoetbal. Andere keren dan weer een redelijk lege, kille kerk. Dan wist je dat je de begrafenis bijwoonde van iemand die geleefd had volgens het vivre heureux, vivre caché-principe. Of malheureux, dat kon ook.

Niet zelden wist zo’n uitvaartplechtigheid mij te beroeren. Ik heb niet veel nodig om mijn traanklieren in werking te zetten. Dat gebeurde meestal bij het afspelen van een lievelingsliedje van de dode. Dan werd ergens in de kerk de startknop van een cassetterecorder ingeklikt, hoorde je eerst wat ruis en gekraak voor de muziek tegen de gewelven schetterde. Vermoedelijk hadden de kinderen in hun vaders kasten gezocht naar dat ene liedje dat zeker tijdens de dienst gespeeld moest worden. Paniek wanneer bleek dat vader nogal slordig was in het ordenen en registreren van zijn muziekcollectie waardoor de oudste zus, die de beste herinneringen had aan hoe haar vader bij dat nummer telkens gelukzalig weg droomde en soms luidkeels meezong, zich een halve dag lang op haar knieën op het tapijt gezeten door een stapel cassettes worstelde. Ontroering wanneer je vooraan dat doodsprentje ging ophalen en voor de familie moest passeren. Ik probeerde altijd het wisselen van blikken te vermijden om mijn emoties onder controle te houden. Hoe diende je trouwens naar de familie te kijken? Bemoedigend glimlachen (het leven gaat verder) of intriest kijken (het leven eindigt hier)? Wat me altijd ergerde was hoe mensen vóór of na de plechtigheid, op het kerkplein of in de kerk, zomaar luchtig met elkaar converseerden en zelfs hardop lachten. Tijdens de koffietafel achteraf ging die luchtigheid dan crescendo. Dat stoorde me mateloos. Er was wel iemand dood hé, oké, een hoogbejaarde weliswaar, maar toch leek mij dat nooit een aanleiding om van de koffietafel een leutige bedoening te maken.

Ik wil niet beweren dat ik het prettig vond, dat bijwonen van die ver-van-mijn-bed-begrafenissen, maar het had wel iets, te mogen beleven hoe iemand uit zijn of haar leven werd gedragen. Ik heb begrafenissen meegemaakt die echt begrafenissen waren, dooie boel, en ik heb ook ooit een begrafenis meegemaakt waar de vele kinderen en kleinkinderen vooraan een soort orkestje hadden gevormd, dat het ene na het andere wijsje speelde, en waarbij de zoon in zijn speech vermeldde dat zijn vader ooit eens in Benidorm een wedstrijd hamburgers eten had gewonnen. Dat ging mij te ver, als dat de ultieme herinnering moet zijn, verzwijg die dan, geef mij dan maar de dooie boel.

In deze coronatijd worden doden stilletjes afgevoerd. Gedaan met offerandegangen die een halfuur duren, waarbij een dwarsdoorsnede van de bevolking via de ene zijbeuk het toneel betreedt en het via de andere weer verlaat. Want als theater, dat is hoe je begrafenisplechtigheden het best benadert indien je de emotie op afstand wil houden. Er sterft iemand op het toneel en dat toneel is toevallig de wereld. Komen deze voorstellingen ooit nog terug? Ik hoop het want een ultiem afscheid mag best iets groots zijn. Ook de bakker, de jeugdvriend, de voorzitter van het Davidsfonds en de caissière van de Aldi moeten de kans krijgen om erbij te zijn. Ik wil in elk geval veel volk op mijn begrafenis. En een open kist. Zodat ik, als de treurnis een dieptepunt bereikt, eruit kan klimmen en schaterlachend als een krankzinnige in mijn beste pak de straat op rennen. Trekken ze een overledene eigenlijk schoenen aan?

Handje kan het schudden

Dingen die we vroeger deden, die nu gevaarlijk zijn en die we best kunnen missen, zullen allicht nooit meer terugkeren. Een van die dingen is iemand een hand geven. Ken je het gevoel dat je als laatste op een feestje of een familiebijeenkomst arriveerde en ertegenop zag om je tussen stoelen en tafeltjes te wurmen om iedereen de hand te schudden. Het was een vorm van hoffelijkheid en een ik-ben-er-signaal. Na het handje schudden behoorde je voor enige tijd tot de groep mensen wiens hand je had vastgenomen. Je liep na al dat geschud niet snel naar een lavabo, evenmin veegde je je hand af aan je hemd of je broek, dat ware een belediging geweest. Later kwam daar, in sommige gevallen ter vervanging van een hand geven, de kus op de wang bij, een gebruik dat pas laat in mijn leven zijn intrede maakte. Of dat zal verdwijnen weet ik niet, het is meer iets voor jonge mensen en mogelijkerwijs pikken die het weer op eenmaal het coronagedoe achter de rug is. Maar ik heb er mijn twijfels over. Wie er vroeger al niet dol op was, op dat gekus, maar het deed om niet als een sul of seut aanzien te worden, heeft nu een enorm excuus om het nooit meer te moeten doen. En je zal maar iemand een kus willen geven die zich achteruit trekt, sta je daar mooi voor onhygiënische, onverantwoordelijke, ziekmakende aap.

Maar laten we ons beperken tot het schudden van de hand. Hoeveel moeders hebben niet tegen hun kinderen gezegd: ‘Allez, geef maar iedereen schoon een handje.’ Terwijl die kinderen bij de aanblik van een meute volk liever hard wegrenden of in de grond zakten, en zich dan maar achter moeders rug verstopten. Van achter die rug werd het kind dan weer tevoorschijn getrokken en willen of niet, het handje geven diende te gebeuren, was immers een voorname vorm van beleefdheid. Dat Eskimo’s hun neuzen tegen elkaar wrijven, vonden we bizar en lachwekkend, maar ons handje schudden, dat zat er zo diep ingebakken dat we er op geen enkel moment aan dachten dat het eigenlijk ook een raar gebruik is. Je steekt een ledemaat uit en die ander doet dat ook, de rechter arm met name. Wie linkshandig was moest in deze kwestie ook zijn rechter arm en hand gebruiken. Een linker bovenste ledemaat uitsteken deden alleen mensen die met het rechter in het gips staken of een mitella droegen of geen rechter bovenste ledemaat meer hadden wegens amputatie, of een prothese droegen. Een arm- of handprothese schudden, dat werd niet gedaan. Stel je voor dat je ineens met dat ding in je handen stond. Een hand geven in de letterlijke betekenis van het woord. Zat de sfeer er meteen goed in. Of net niet.

Handje schudden komt nooit meer terug, reken maar van neen. Vanaf wanneer is men dat eigenlijk beginnen doen? Gaf Jezus een handje aan zijn apostelen? Deed Keizer Karel het? Napoleon misschien? Ik zou het nu niet meteen vervangen door een knietje in de balzak, dat ook weer niet, maar het wordt wel leuk als je andere mogelijke vormen van begroeting de revue laat passeren. Het vuistje werd in Vlaanderen geïntroduceerd door Larry Hagman (JR uit Dallas) die ooit in een talkshow op de Vlaamse tv te gast was en de presentator (Mike? Marcel?) het ritueel aanleerde. Zo doen wij dat voortaan in de USA, zei hij. Geen mens die wist of hij een grapje maakte of het meende. Een grapje om het ijs te breken, dachten de meesten. Mis dus. Maar ook een vuistje is niet coronaproof. Een elleboog geven, ook al tot in den treure gedemonstreerd in covid-tijden is belachelijk en omslachtig, het ziet eruit als twee kippen die een rondedansje beginnen. Eerst moeten de begroeters zich met hun zijkant naar elkaar toe keren, de armen plooien en dan de ellebogen tegen elkander mikken. Vooral dat laatste is niet eenvoudig, al helemaal niet als de ene twee meter groot is en de andere William Boeva heet. Het bereik van een geplooide arm is immers beperkt.

Wat zijn de alternatieven? Welke andere lichaamsdelen kunnen we hanteren? Voeten tegen elkaar, dat gaat niet, daar worden de schoenen vuil van. Met de borst tegen elkaar aan springen zoals uitgelaten sportlui doen na een succesje? Neen, dat kan alleen op een zedige manier plaatsvinden tussen mannen en zal al gauw een macho bedoening worden waarbij de ene de ander probeert tegen de grond te werken. Heup tegen heup, da’s een dansmove, de bump – lieve mensen uit de jaren zeventig, demonstreren jullie even de bump voor de kiddoos van tegenwoordig? Misschien moeten we kiezen voor het maken van een lichte buiging met het hoofd zoals oosterlingen doen. Daar komt geen contact bij kijken, het kan door zowel man als vrouw gedaan wordt, is heel beleefd, zelfs een tikkeltje nederig en hoofs. Het zou kunnen dat met het in zwang geraken van een dergelijke voorname groet ook andere chique omgangsvormen terug in ere worden hersteld, laat het ons hopen.

Dit was het voor nu. Ik groet u. Na-nu na-nu.

Corona-mijmeringen, een vervolg op wat voorafging

Dit bericht op de nieuwssite van de VRT. Kort samengevat: mannen die in 1941 de gewelven van een kerk schilderden, hebben heel hoog, waar niemand bij kon tot aan een volgende schilderbeurt, een brief verstopt.

De werkmannen hadden geen goed leven. Ze maakten een tweede oorlog mee, leden honger en werden uitgebuit. Toch is dit geen klaagzang. Alleen al het feit dat vier mannen samen het initiatief namen om deze boodschap voor zij die na hen kwamen achter te laten, getuigt van een optimisme in het leven. De brief eindigt met goedbedoeld en hoopvol advies voor de schilders die over vele decennia hoog op een stelling hun geschrift moeten vinden.

Aandoenlijk is de zin. ‘Als deze zoldering nog eens geschilderd zal worden, zullen wij niet meer tot deze aarde behoren.‘ Er staat niet ‘zullen wij dood zijn’, maar wel iets veel poëtischer. Het is aannemelijk dat deze werklieden hun armzalig leven verdroegen en aanvaardden omwille van hun geloof in een hogere kracht, in God.

Ik heb in de loop van mijn leven het katholicisme in Vlaanderen zien wegkwijnen. Met het katholieke geloof zijn ook de waarden die het uitdroeg wat op de achtergrond geraakt. Toeristen bezoeken kerken over de hele wereld, maar niet meer om er te bidden, maar meer vanuit een soort architecturale nieuwsgierigheid en verwondering. Om op teensletsen en met de zonnebril hoog in het haar ‘o’ en ‘aaa’ en ‘wat mooi’ te zeggen en om thuis verslag uit te brengen van dat pittoreske – dat woord mag nooit ontbreken – kerkje ergens in een of andere Italiaanse glooiing. Ik vind kerken bijzondere gebouwen, maar ook de katholieke liturgie heb ik altijd kunnen smaken. De Kerk heeft haar public-relations echter slecht gevoerd, is niet meegegaan in een aantal emancipatiebewegingen. Niet dat priesters rappers moeten worden met blingbling rond hun nek, maar vrouwen toelaten tot het priesterambt, waarom niet eigenlijk? Ik kijk uit naar de eerste transgender met een roeping. Daar gaan de langrokken in Rome nog een kluif aan hebben.

Die mannen die ons schrijven vanuit het jaar 1941 hadden geen goed leven, beweren zij zelf. Geen goed leven hebben heeft vaak te maken met de inwerking van externe factoren die de kwaliteit van het leven grondig verminderen en waar je zelf geen vat op hebt. De naoorlogse generatie is een goed leven als een vanzelfsprekendheid gaan beschouwen. Wij dachten – en ja, hier moet ik de verleden tijd gebruiken – aan het roer te staan van ons eigen leven. Wij vonden maar één ding vervelend aan het leven en dat was dat het ooit eindigde, maar dat was iets voor later, veel later. Zolang het duurt moet het vooral leuk zijn en blijven. Leuk, het meest vreselijke woord van de moderne tijd. Een pandemie, dat was iets spannends voor in de weekendfilm op zaterdagavond, waarin de held efkens uit zijn lood wordt geslagen door ambetante, moedige, maar bij voorbaat verloren vijanden. Bij voorbaat verloren, inderdaad, want een weekendfilm waarin de held de wereld niet redt, vinden we maar niks, stemt niet overeen met ons wereldbeeld van de onfeilbare mens, die baas is op deze bol.

Ik sluit niet uit dat ik voor de rest van mijn leven op openbare plaatsen een mondmasker zal moeten dragen en dat ik nooit meer met een andere mens schouder aan schouder zal zitten in een café, een feestzaal, een kerk, een theaterzaal of waar dan ook. Niet dat dat laatste mij stoort, maar het eerste wel. Het voelt nu al vreemd aan om beelden te zien van op elkaar gepakte mensen. Het is iets uit een vervlogen tijd. Mensen leren heel traag oude gewoontes af, maar leren heel snel nieuwe gewoontes aan. Net als velen ben ik er in mijn hoofd nog niet klaar voor om te geloven dat we in een nieuwe wereld zijn aanbeland. Ik denk nog altijd dat we die corona onder de knoet krijgen, maar zelfs als dat gebeurt zal onze samenleving daar littekens aan overhouden. Zelfs als we pakweg tegen volgende zomer iedereen gevaccineerd krijgen, dan nog zal de angst voor een volgende pandemie sterk aanwezig blijven. Wetenschappers kondigen ze nu al aan. Ik las een artikel over een dodelijke schimmel die aan een opmars bezig is. En verder zijn er nog de muggen waar die Vlaamse dichter die in Japan woont of woonde of werkte, zijn naam ontsnapt mij nu, bijna vijftien jaar geleden al een dichtbundel aan wijdde.

Goede levensomstandigheden zijn geen recht, of beter, we kunnen geen recht claimen op iets wat we niet in onze macht hebben. Veel hebben we als individu niet onder controle. Dan komt het belang van gemeenschapszin om de hoek kijken. De berichtgeving over corona is alarmerend. Ik zag in het journaal de paniek in de ogen van de mensen uit de zorg. En toch zijn er nog altijd kwasten die denken dat het allemaal nog zo erg niet is. Ik stel voor dat we iedereen die anderen in gevaar brengt voor een weekje of twee drie in de gevangenis of een gesloten instelling gooien, een gedwongen quarantaine. Tijdelijk Chinese omgangsvormen invoeren tegen de hardleersen. De digitale schandpaal. Of een echte schandpaal, rotte eieren en tomaten gooien naar de onverlaten, op afspraak welteverstaan. We hebben altijd lacherig gedaan over die Chinezen met hun big brother-manieren, en niemand wil big brother, jezus help neen vreselijk, maar het zijn precies zij die vrijheid blijheid prediken en leven alsof de zon nooit ondergaat die zo’n maatschappij dichterbij brengen.

Corona en de economie

Ik sla jullie hier wel eens om de oren met een mening, wat volstrekt nutteloos, belachelijk en aanmatigend is, want hey, meningen are as assholes, everybody has one. Ik weet niet meer uit welke film die quote komt en of ik ze correct citeer.

We leven in een wereld waarin de economie alles bepaalt. Je kan daar blij of treurig om zijn. De twee belangrijkste topics die vandaag het wereldnieuws beheersen zijn onlosmakelijk met de economie verbonden: het coronavirus en de Amerikaanse presidentsverkiezingen.

Laten we beginnen met het coronavirus. De overheden hebben aanvankelijk geprobeerd om het virus klein te krijgen door het land lam te leggen. Toen in juni de economische schade al te groot bleek te worden en in de nakende zomerperiode het toerisme en de horeca dreigden dood te bloeden, heeft men de voorzichtige aanpak losgelaten. Het gevolg is dat het virus terug opflakkert en de kans is reëel dat het harder zal toeslaan dan in maart en april. Doordat het een sluw en slim virus is dat bij sommigen – vooral mensen met onderliggende aandoeningen – tot de dood leidt en bij anderen slechts oppervlakkige of geen symptomen teweegbrengt, vrees ik dat men uiteindelijk het virus vrij spel zal geven. De virologen worden hoe langer hoe meer voorgesteld als bange lastpakken. Er komt een tegenbeweging op gang, gesteund door wetenschappers van een ander slag dan de virologen, die gebukt onder coronamoeheid beweert dat het allemaal zo erg niet is. Ach, die personen die voorheen al kampten met aandoeningen aan hart of longen, die gaan toch sowieso geen honderd jaar oud worden, waarom zouden we een heel land, een heel continent, een hele aardbol beletten te leven zoals ze leefden en opnieuw willen leven, alleen maar om te voorzien in een verlengde levensduur van een aantal zwakke vogeltjes? Ik keur deze visie niet goed, maar ze maakt opgang en ze zal, als ze eenmaal geloofwaardig is verpakt, het pleit uiteindelijk winnen, vrees ik. Want wat het meest gebaat is bij die visie is de economie, en mensen die willen leven zijn mensen die consumeren en daarbij de economie aanzwengelen. Minister De Block heeft al gezegd dat er onder geen beding een nieuwe lockdown komt, lees: we mogen de economie geen pijn meer doen.

Dat het virus lustig verder woekert heeft natuurlijk ook te maken met het feit dat heel wat mensen doen alsof er niks aan de hand is, die zich van bubbels en afstand en bescherming geen bal aantrekken. Rijd op een mooie zaterdag maar eens door enkele gemeenten en aanschouw zelf hoe de terrasjes stampvol zitten zoals ze vroeger stampvol zaten: iedereen schouder aan schouder en zonder mondmasker. Sommige mensen hebben veel discipline, anderen helemaal geen. Als er water in de kelder stroomt en Jantje haalt het water er met emmers uit via de keldertrap en Pietje giet het water via het kelderraampje terug de kelder in, dan hebben we een perpetuum mobile en voor altijd en eeuwig een kelderzwembad.

Ik word herinnerd – en dit heeft niets met corona te maken – aan het gebrek aan discipline van velen telkens ik over een verkeersdrempel rijd. Decennialang hebben we ons zuur verdiende belastinggeld aan de overheid gegeven om er onder andere mooie, nette, vlakke wegen mee aan te leggen. Uiteindelijk hebben we, wederom met ons belastinggeld, op al die fraaie wegen van die vreselijk bulten aangebracht. Waarom? Omdat een niet onaanzienlijke groep mensen zich niet aan de maximale snelheid houdt. Er staan nochtans borden die melden hoeveel die snelheid mag bedragen, het is niet dat je die snelheden allemaal uit het hoofd moet leren, neen, er staan grote, duidelijke, metalen, weerbestendige, fluorescerende borden in een afgesproken kleur en vorm en design opdat zelfs de grootste idioot ze zou herkennen. Helaas zijn er idioten die hun idiotie bewijzen door foert te zeggen tegen die borden, foert tegen coronamaatregelen en liefst van al foert tegen alles, behalve tegen wat hun eigen ego aanbelangt. Zullen de foertzeggers de ondergang van de wereld inluiden? Ze staan in de eerste rij om dat te doen, ja. Als er morgen een nog straffer virus komt, dan zullen ze blijven foert zeggen. Zullen ze dan nooit stoppen met foert te zeggen? Ja, als hun eigen vriendin, vriend, ouder, kind… getroffen wordt, dan kan het inzicht alsnog komen. Maar da’s dan ook weer uit eigenbelang natuurlijk.

Waar zaten we? Bij de invloed van de economie op ons bestaan. Ik wilde nog iets schrijven over het verband tussen de economie en de Amerikaanse presidentsverkiezingen, maar dat zal voor later zijn.

Conner

Jarenlang hebben de linkse partijen van dit land de rode loper uitgerold voor de andere kant van het politieke spectrum door elke migratiekritische vraag uit de weg te gaan, door koppig niet te durven zeggen, zelfs niet in omfloerste termen, wat een niet gering deel van de bevolking denkt. Voorgaande zin is al genoeg opdat stemmingmakers mij een racist zouden durven noemen, wat ik niet ben en ook nooit zal zijn. Maar de voorbije jaren, decennia zelfs, werd iedereen die het migratiedebat durfde aangaan of er zelfs maar een pertinente vraag over stelde in die hoek geduwd. Ik ben dan ook blij te lezen dat Conner Rousseau, voorzitter van de Vlaamse socialistische partij, van mening is dat immigranten die weigeren onze taal te leren niet thuishoren in ons land. Het is een wijs en moedig standpunt van iemand van wie je dat niet meteen verwacht omdat het niet past bij zijn politieke kleur. De verwachtingen in Conner Rousseau – een naam om de hoofdrol te vertolken in een heldenepos – zijn groot, ook voor mensen die nooit sp.a hebben gestemd zoals ik. We hebben wars van kleurtjes en strekkingen politici nodig met gezond verstand. Rousseau lijkt mij zo iemand, een bruggenbouwer, een verzoener, iemand met goede intenties, een redelijk man met een goede inborst die lak heeft aan politieke spelletjes en de dingen in beweging wil zetten.

Het zou ons eigenlijk niet mogen verbazen dat de uitspraak die hij deed ophef veroorzaakt. Het is maar normaal dat als je te gast bent in een ander gezin, een andere buurt, een ander land, je rekening houdt met de geplogenheden die daar heersen, vooral als je van plan bent er te blijven. Ik kan niet intrekken bij de familie Janssens of Peeters, er mijn voeten op de salontafel leggen, mijn neuskeutels aan de zitting van hun stoelen vegen, hun koelkast leeg vreten, de afstandsbediening van de tv opeisen, hun kinderen pesten, hun geld aftroggelen, weigeren om met hen te converseren en hen in mijn binnenste ook nog eens hartgrondig haten. Dat gaat niet, zeker niet als de heer en mevrouw Janssens of Peeters het vuur uit hun sloefen lopen om het mij naar mijn zin te maken en mij allerhande faciliteiten ter beschikking stellen. Dat gaat niet, dat zou ik zelf moeten inzien. Als ik dat niet doe, dan ben ik ter kwader trouw, ben ik een schaamteloze vlegel zonder moreel kompas. Of heb ik geen of onvoldoende opvoeding en scholing genoten. En zo komen we weer uit bij waar alles mee begint: opvoeding en onderwijs, twee steunpilaren waar de hele samenleving op gebouwd is en die we te allen prijze recht moeten houden, stutten en opkalefateren waar nodig. De coronacrisis vreet die pijlers aan, maar laat ons hopen dat de schade meevalt.

Corona gelast af

pexels-cdc-3992933Tijdens de coronacrisis die al bijna een half jaar duurt, hebben een aantal bevriende schrijvers en dichters een eerste of een nieuw literair werk uitgebracht. Bevriend is niet het juiste woord op de juiste plaats, maar omdat bekennist of becollegaad niet bestaan, moet ik mij van het te pas en te onpas gehanteerde woord ‘bevriend’ bedienen. Ik heb geen dichtersvrienden, simpelweg omdat mijn vriendenlat zo hoog ligt dat je al een serieuze Fosburyflop onder de leden moet hebben om eroverheen te wippen. Een vriend is iemand die mij een long zou schenken, zelfs als de mijne nog alle twee in goede staat verkeren. Een reservelong kan altijd van pas komen, maar vind maar eens iemand, een vriend, een echte, die ze wil leveren. Of ik zelf iemand een long cadeau zou doen? Ben je gek? Gaan we zo beginnen, met dat verwerpelijke ‘voor wat hoort wat’, ‘if you scratch my back, I’ll scratch yours’ uit de kast te halen? Waar zijn de onbaatzuchtigen der aarde gebleven? Bestaan die überhaupt nog? Die bevriende – laten we het woord maar verder aanhouden, het bekt zo lekker en verschaft een mens een zeker aanzien, vandaar dat de meeste mensen beweren veel vrienden te hebben, hoed u voor dat slag volk – schrijvers nodigden mij uit voor de presentatie van hun boek of bundel om die uitnodiging achteraf in te trekken, want corona nietwaar en spijtig heel spijtig en later zal het wel eens want uitstel is geen afstel  het is wachten op betere tijden maar dat het boek wel al kan aangeschaft worden en zo voort en zo verder.

Vind ik het jammer dat die boekvoorstellingen niet doorgingen? Ja, toch wel. Het blozende feestvarken in een nieuwe outfit gehesen, de net iets te veel superlatieven uit zijn enthousiaste bebbel balkende inleider, de schuchtere uitgever die graag doet alsof hij liever niet op het podium wil om ook een woordje te placeren en de eerste exemplaren te overhandigen, de veel te lang uitgesponnen muzikale intermezzi – die mannen hebben hun instrumenten naar hier gesleept, uitgeladen en opgesteld en ze gaan ze bespelen en nog niet zo’n klein beetje -, de naaste familie van de dichter op de eerste rijen en hoe verder de tak zich van de stamboom bevindt, hoe dieper je ze in de zaal moet zoeken… kijk daar, dat moet de broer van de dichter zijn, heeft dezelfde rattenoogjes en alcoholneus… de harde stoelen, de muffe warmte, het raam dat niet open kan, de dame met de kriebelhoest, de schichtige laatkomers met een sorry-maar-we-vonden-geen-parkeerplaats-uitdrukking op hun gezicht, fezelende kwezels op de rij voor je, de slecht afgestelde micro, de mond te dicht tegen de micro, de mond te ver van de micro, het snerpen, ploffen en galmen van de micro, zweetstraaltjes die over je ruggengraat recht je onderbroek in gutsen, je eigen oksels ruiken, andermans oksels ruiken, het gelach om een niet zo grappig voorvalletje op het podium maar desalniettemin gelach, de vragende blikken van zij die het niet zo grappig voorvalletje op het podium gemist hebben, omdat de dame met de kriebelhoest net aan het kriebelhoesten was, en hun buurman of buurvrouw aanstoten om te vragen waarom er gelachen werd, waarop de buurman of buurvrouw reageert met een laat-mij-gerust-gebaar, waardoor ze allebei het volgende niet zo grappig maar desalniettemin gelach opwekkende voorvalletje op het podium missen… Maar leuk, waarlijk altijd heel aangenaam en gezellig om de collega-schrijvers terug te zien. O wat heb jij een poëtisch mondmasker zeg, haha, wat zeg je, je hebt er enkele verzen uit je eigen oeuvre op gezeefdrukt? Enkele verzen maar en niet je hele bundel? Ach, jij bent veel te bescheiden! Op dat groot bakkes van jou is plaats genoeg voor het verzameld poëtisch werk van Hadewijch tot heden…

Ja, ik vind het oprecht jammer dat boekpresentaties niet zijn doorgegaan. Voor datgene waar het allemaal om draait, met name het boekwerk? Niet in de eerste plaats, want ook zonder zo’n avond komt dat ding vroeg of laat wel in mijn handen terecht. Ik moet toegeven, met enige gespeelde tegenstribbeling weliswaar, want ik kleef mezelf graag een imago van einzelgänger aan (John Lydon had ooit een website met de schitterende titel Army of One), dat ik het sociale aspect van zo’n voorstelling nog het meest van al mis. Ergens bij horen, bij een groepje vakbroeders met hun geklets en gezwets, gelul en gelal, eigenlijk is dat best wel fijn. Het leukst is het als ik zelf actief aan de avond mag bijdragen, want zoals zoveel kunstenaars heb ik een drang tot expressie, maar gewoon in het publiek zitten en meegenieten van de blijdschap van het glunderende feestvarken is een aardig tijdverdrijf. We moeten iets doen tussen wieg en graf, niet? Dus, corona bitch, je hebt je punt gemaakt, je bent een heel slim en gewiekst virus, mijn felicitaties, maar wordt het niet stilaan tijd om op te sodemieteren?

Het leven en hoe het te overleven (38)

In de reeks ‘De Beste Oneliners Over Corona’ behandelen we vandaag een quote die met een zekere stoerheid, een zelfverzekerde blik en een kleine tremolo in de stem dient te worden gedebiteerd, namelijk Het virus gaat niet met vakantieDeze uitspraak, die naar mijn bescheiden mening kans maakt om de beste Nederlandstalige corona-oneliner van het jaar te worden, zou perfect passen als een meer dan degelijke versregel in een verdraaid sterk gedicht. Let op de cadans. Let op de allitererende v-klank. Let op de zich als mitrailleurvuur herhalende eind-t’s in de woorden ‘gaat’, ‘niet’ en ‘met’. Let op de drie ie-klanken, waarvan de eerste zich als een -i vermomt, en daardoor meteen komaf maakt met een mogelijke overdaad aan visuele -ie’s. Let op de -s in ‘virus’ en – jawel, je ziet hem niet maar hij is er wel, net als het virus zelf – de -s in ‘vakantie’. Inhoudelijk worden we vol in het gelaat getroffen door de beeldende kracht van deze uitspraak. We hebben hier te maken met een personificatie van het zuiverste reagens. Zie je hem al staan, de gluiperd, met zijn handbagage om een van zijn  trompetvormige uitsteeksels? Hij staat aan de in de reisdocumenten afgesproken ophaalplaats te wachten op de autocar van Touring Marcel & Zonen, met aan weerszijden van zijn bolvormig lijf een knoert van een reiskoffer. Maar dat doet het dus net niet, want het virus gaat niet met vakantie. Het virus gaat niet met vakantie… Wacht eens even en lees nog eens goed wat er staat. Waant u zich plotsklaps ook Saulus de Boskabouter die van zijn paard werd gebliksemd en zich naar de dienst Burgerzaken van zijn gemeente begaf om zijn naam te laten veranderen in Paulus? Het virus gaat niet met vakantie, welnee, het virus heeft zich wereldwijd verspreid, het zit hier en daar en overal. Het virus gaat niet met vakantie, het ís met vakantie. Een heuse wereldreis dan nog, fluitje van een cent voor een krachtig virus dat zijn reis- en verblijfskosten met mensenlevens betaalt. Een gluiperd, ik zei het toch. Hoor ik daar een betweterige ziel verkondigen dat het virus niet met vakantie is, maar dat ziek maken, om je heen grijpen en infecteren integendeel hard werken is? Hahaha, maar neen, dommerd, zo werkt – no pun intended – het niet. Dit is een virus, remember. Wijzelf geven het aan elkaar door, terwijl mijnheertje virus lekker aan het raven is in Ibiza én aan het rondtrekken in de Australische outback én op het Strand van Sint-Anneke met zijn pokdalige pens in het zonnetje ligt, en dat alles tezelfdertijd.

Ik ken een man die ter bestrijding van opkomende duizeligheid en voor een optimale bloeddoorstroming in het lichaam ’s morgens een wijle op de rand van zijn bed blijft zitten. Een wijle is een redelijk onbepaalde tijdsspanne en kan langer duren dan een mens bevroedt. ’s Avonds namelijk gaat die man namelijk gewoon weer op zijn zij liggen en valt in slaap.

Doet mij denken aan Bedsitter van Soft Cell.

Wat goed dat ik niet de enige ben die die driedubbele nul van een Dirk Leyman doorheb. Het is moedig dat Bavo Claes ten strijde trekt tegen dergelijke clowns, want hun lui leesgedrag, vooringenomen meninkjes en armtierige geschriftjes hebben wel degelijk een invloed op het boekenpubliek. Aan de andere kant vind ik dat je dergelijke (k)nulletjes te veel aandacht schenkt telkens je hun naam noemt of neerschrijft. Zullen we daarom afspreken dat we kabouter Leyman voortaan aanduiden met het symbool 000.

KnipselbUit de radio weerklinkt een bewerking van Banana Boat Song van Harry Belafonte. Een zoveelste cover van dit mondiaal gekende lied, gezongen door ongetwijfeld een zwarte man, dat hoor ik meteen. Hoe wil onze zeer gewaardeerde gekleurde medemens racistisch gedrag uit de wereld helpen als hij maar blijft zingen over bananen?

Ik ben een geweldig aanhanger van het principe: met een minimum aan inspanning een maximum aan resultaat behalen. Deze knaap ook.

Mick Jagger heeft acht kinderen bij vijf vrouwen. Of zoals ze in Frankrijk zeggen: il a le cock sportif.

In de Match in Halluin werkt een man die erg gelijkt op Captain Peacock uit Are You Being Served? De maniertjes evenwel heeft hij van Mister Humphries. Wie ettelijke jaren jonger is dan ik, weet in geen velden of wegen waar ik het over heb. ‘We worden oud, zo oud.’

Peacock

 

Groeten uit… 2064

‘Drav, je plex is niet helemaal dicht,’ zegt juffrouw Saaz in haar microfoon. Drav trekt zijn plex in het slot, merkt Saaz op haar dashboard. ‘Oké, die is dicht. Goeiemorgen iedereen, ik projecteer op de hoofdschermen 2 en 6, de bijhorende illustraties komen op subscherm 12.’ Op de schermen 12 verschijnt een foto die bij sommige leerlingen hoongelach opwekt en bij anderen afschuw. Een enkeling schiet in een onbedaarlijke lach, die door de stof gesmoord wordt. Op de foto is een vrouw te zien die breed glimlachend in de lens kijkt.

‘In Wit-Rusland werd een fossiel gevonden van een homo sapiens die ongeveer 9.000 jaar geleden leefde. Ter hoogte van zijn gebit werd een lapje textiel gevonden, maar de wetenschappers zijn het er niet over eens dat dit diende om de mond te bedekken.’ Juffrouw Saaz overschouwt de kinderen in hun plexiglazen hokken en strijkt een rimpeltje in de microfoonovertrek glad, waardoor even een harde tik uit de luidsprekers knalt. ‘In de moderne tijd moeten we teruggaan naar het Verre Oosten aan het einde van de vorige, begin deze eeuw om daar de eerste mondbedekkingen in het straatbeeld te zien opduiken. Geslachtsdelen en aars werden al heel lang in kledij weggestopt, behalve bij een te verwaarlozen kleine groep mensen die zich naturisten noemde. Het is dan ook zeer verwonderlijk dat het zo lang duurde voor de mond, die per slot van rekening ook een sfincter is, werd bedekt. Het gebruik van mondbedekkingsmaterialen werd aanvankelijk niet ingegeven door hygiënische redenen, maar wel omwille van de luchtvervuiling die rond de millenniumwisseling exponentieel toenam. In Azië waar de vervuiling ergere vormen aannam dan in Europa doken allerlei primitieve vormen van mondafscherming op. Het fenomeen breidde zich in amper enkele jaren tijd wereldwijd uit. Een cruciale rol speelde de eerste pandemie van deze eeuw die aanving in de lente van 2020. Mondmaskers en mondkapjes werden massaal onder de wereldbevolking verspreid om het inademen van ziekmakende partikels te vermijden en aldus het dodental te beperken. Die mondbescherming werd geacht een tijdelijk fenomeen te zijn, maar verdween nooit meer uit het straatbeeld. Dat is in niet geringe mate toe te schrijven aan de actievoering van de Cover Your Mouth-beweging, die rond 2025 in China en zijn buurlanden en later ook elders opgang maakte. Het tonen van de mond in het openbaar werd net zoals het in de publieke ruimte tonen van het onder- en bovenlichaam als iets vies en vulgair aanzien. In alsmaar meer landen werd het een strafbaar feit waar geldboetes, lijfstraffen of gevangenisstraffen op staan. ‘

KnipseleBoven plex nummer 197 knipt een rood licht aan. ‘Ja, Alyaf,’ zegt juffrouw Saaz in haar microfoon, ‘zeg maar.’ ‘Wel, mijn vader vertelde…’ ‘Je microfoon aanzetten, Alyaf, zodat heel de hangar jou hoort.’ ‘Excuseer, juf, wel mijn vader vertelde mij ooit dat men in die tijd samen at, dat er zelfs plaatsen bestonden waar men samen kwam om te eten. Is dat zo?’ ‘Klopt helemaal,’ antwoordt juffrouw Saaz, ‘die plaatsen kenden vele gedaanten en omschrijvingen, de verzamelnaam ervan was restaurants. Ze bestonden in alle soorten en grootten, van zalen waar een feest werd voorafgegaan of gevolgd door samen eten, of kleine gelegenheden waar men een snelle hap tot zich kon nemen. Denken we maar aan het groot aantal eethuizen van een keten die McDonald’s heette en waarvan de laatste filialen zo’n dertig jaar geleden door aanhangers van de Cover Your Mouth-beweging werden platgebrand. We kunnen het ons vandaag nog moeilijk inbeelden, maar het onbeschaamd openen van de mond om er voedsel in te stoppen en erop te kauwen in het bijzijn van anderen werd lange tijd als een sociaal gebeuren gezien, dat zelfs werd aangemoedigd, want wie liever alleen at werd aanzien als een asociale zonderling. Mensen zochten elkaar op om samen te eten en zaten daarbij niet elk in een afgesloten cabine, maar gewoon naast of voor elkaar, of liepen schaamteloos over straat met een stuk brood of een wafel of een ijsje in hun handen, terwijl ze dat al stappend in hun mond stopten.’ Een van de kinderen zet zijn microfoon aan en maakt een geluid alsof hij moet braken. Gelach alom. Juf Saaz tikt met haar ene hand, verpakt in een strakke, modieuze handschoen, op haar microfoon en maant de kinderen tot kalmte.

‘Redelijk decadent, ik weet het, maar zo ging het er nu eenmaal aan toe aan het begin van deze eeuw. En da’s nog niet alles. De mond werd niet alleen gebruikt om te eten. Ik heb er enorm voor moeten pleiten, maar na lang discussiëren met de directeur heb ik van het º de toelating gekregen om deze foto aan jullie te tonen.’ Het wordt muisstil in de gigantisch grote ruimte. In alle plexen zijn de ogen gericht op scherm nr. 12. Ontzetting alom als het beeld aanfloept. ‘Maar allez,’ roept Johnny, een van de weinige blanke jongen, die in de virtuele speelplaats omwille van zijn uiterst bleke huidskleur wel eens gepest wordt, ‘dees kan toch nie!’ Op de foto zijn een man en vrouw te zien waarvan de monden elkaar raken. ‘Wat deze mensen doen,’ zegt juffrouw Saaz, ‘noemde men kussen of zoenen. Het was in tegenstelling tot wat jullie misschien denken geen daad van geweld of afkeuring, maar van intimiteit, grote intimiteit zelfs. Men drukte bij mensen die men kende en waardeerde, maar geen liefdesband mee had, de mond tegen de wang. Geliefden drukten hun monden tegen elkaar aan en staken soms, het is wansmakelijk, ik weet het, maar men deed het echt, hun tongen in elkanders mond en maakten met de tong ronddraaiende bewegingen.’ Johnny slaat met een gehandschoende vuist op het blad van zijn statafel en roept nog eens: ‘Dees kan toch nie waar zijn, juffrouw, wat voor vieze gasten waren dat eigenlijk, onze voorouders?’ Buldergelach galmt uit de luidsprekers. Saaz glimlacht met haar ogen, alleen met haar ogen. Gaandeweg heeft de 21ste-eeuwse mens de mondmimiek verleert, want wat voor zin heeft het expressies te tonen met de mond als niemand die opmerkt. ‘Oké, dat was het voor nu.’ Ze staat recht en schakelt met de globale schakelaar alle microfoons en de schermen uit. ‘Ik open de plexen. Als je de jouwe hoort open klikken, ga je in stilte naar je eetcabine. Mag ik er nog eens op hameren dat die na afloop grondig gereinigd en ontsmet moet worden.’

º De directeur is een genderneutrale ‘X’ en wordt daarom met ‘het’ aangeduid.

De begrafenis van nonkel W.

Nonkel W. is overleden. Nonkel W. is een broer van mijn vader en de broer van tante Cécile die figureert in het gedicht ‘De begrafenis van tante Cécile’ uit de bundel Het dikke meisje en de ziener.

Uitvaartplechtigheid op dezelfde locatie als waar tante Cécile werd uitgezwaaid: de mooie kapel – neen, zeg niet kapel, het is een kerk, een volwaardige kerk – van het Onze-Lieve-Vrouw Hospitaal te Kortrijk. Een prachtige kerk. Eigenlijk een kapel waar een kerk omheen is gebouwd. Oud maar prachtig. Houden zo. Ik fiets er heen tussen het thuiswerken door, plaats mijn fiets tegen een muur, morrel een beetje aan mijn fietsslot en -tas om als een van de laatsten het gebouw te betreden, want ik wil in coronatijd ver van mensen verwijderd blijven, twijfel of ik mijn mondmasker zal opzetten of niet, niemand gezien nog mét, ja, toch daar, één dame, zet het op en neem het eenmaal binnen terug af, ga zitten op de achterste stoel, overzicht op de gehele kerk, zelfs de zwartjassen en zwartrok van de begrafenisonderneming staan dichter bij het altaar dan ik. Het is alsof ik er niet bij hoor. Dichter komt inspiratie opdoen, zouden ze dat denken, de familieleden die mij willens nillens hun rug toekeren, inspiratie opdoen voor wederom een hilarisch – het meest verkrachte woord in deze mediatieke tijden – gedicht met een semi-blasfemische toets? Dat is niet de reden dat ik hier ben, ik kom afscheid nemen van W. Hoorne. Maar misschien zit er stof en as in voor een verzameling woorden. One never knows.

Vooraan hangt een enorm schilderij. Daar was iets mee, herinner ik mij van tweeënhalf jaar geleden. Het hing scheef of zo. Ik speur maar zie het niet meteen, ja, toch wel, neen eigenlijk niet, de drie houten zuilen aan weerskanten van de lambrisering staan niet evenwijdig. Hoe je dit schilderij ook hangt, altijd zal je de indruk hebben dat het scheef hangt. Coronamaatregelen: er staat een flacon handgel aan de ingang die niemand heeft opgemerkt, ik ook niet. Om de andere rij staat de eerste stoel in die rij haaks op de rest van de rij en op die eerste is een verbodsbordsticker bevestigd. Monty Python had hier wel raad mee geweten, met die knullig gekleefde stickers. Doordat iedereen ver uit elkaar zit, lijkt dit een goedgevulde zaal. Ik tel de koppen, het zijn er 37 of 38. Ik tel nog eens en weer zijn het er 37 of 38. Kan ik niet meer tellen of wat? Neen, of ja bedoel ik, ik kan nog tellen, maar vooraan rechts bevinden zich enkele koppen qua dieptezicht dicht tegen elkaar aan wat mijn telling op losse schroeven zet. Op losse groeven met Chiel Montagne, toen nonkel nog jong was en ik een kind, op de TROS, de familiezender van Nederland. Nonkel zal het muziekprogramma wel gekend hebben, want het leukste en meteen ook het enige weetje dat ik over hem kan vertellen is dat hij, verstokte tv-kijker, wel eens keek naar twee televisies tegelijkertijd. Die stonden dan op of naast elkaar. Het kunnen er ook drie of meer geweest zijn. Nonkel W. was een goeiige, simpele man, goeiiger en simpeler werden ze niet gemaakt. Niet dat ik hem vaak zag, de laatste keer was met de begrafenis van tante Cécile. Toen waren hij en zijn vrouw, die door de priester tot mijn grote ergernis steevast ‘zijn vrouw’ wordt genoemd en niet bij haar naam, alsof ze geen naam heeft, nog in betrekkelijk goede conditie. Over zijn vrouw die M.-R. heet, R. wordt genoemd door veel familieleden, maar ik doe niet mee aan dat familiair gedoe, wordt gezegd dat ze tegenwoordig zo dement is als een zak havermout. Neen, dat wordt niet gezegd natuurlijk, ik heb die vergelijking zelf uitgevonden. Het was dat of zo dement als een doos paneermeel, ik heb getwijfeld en gekozen voor de havermout. Nochtans veel kruiswoordraadsels ingevuld in haar leven en hersenkrakers en van die toestanden. Het heeft niet geholpen om het brein elastisch te houden. Won tefalpannen, klokradio’s en swiffers met prijskampjes en wedstrijdjes allerhande. Na de dienst, bij het verlaten van het gebouw, stel ik me aan haar voor, ik ben Philip, de zoon van Etienne. Ik verwacht herkenning, maar ze kijkt eerst door me heen, dan weg van mij en reageert niet. W. en M.-R. trouwden op latere leeftijd en kregen geen kinderen. Te oud al om er nog aan te beginnen? Zou kunnen, ik weet dat niet uit het hoofd. Ik ben niet goed in het onthouden van wat in welk jaar gebeurde. Het zag er lange tijd naar uit dat W. niet van ’t straat zou geraken, M.-R. was dan ook een geschenk uit de hemel, voor hem, voor mijn grootouders en voor heel de familie. Ze was een goede, sterke, pronte, gezond blozende vrouw die zich over het altijd zwak ogende vogeltje W. ontfermde. Nu staat ze daar, geflankeerd tussen twee vrouwelijke familieleden van haar kant, zelf zo’n vogeltje te wezen. Haar leven is voorbij, maar ze weet het nog niet. Zal ik ook ooit in mijn leven op een punt komen dat het voorbij is zonder dat ik het besef? Afwachten is de boodschap.

Het grijzende nonnetje, nog altijd met dot, van in het gedicht, is ook weer van de partij. Zichtbaar ouder maar met nog altijd een mooie voorleesstem. Coronatijd geeft evenementen als dit altijd een extra spannende toets, want hoe zal het hostiegedeelte worden aangepakt? Voor hij het brood breekt, krijgt de priester een hoestbui, hij hoest in zijn samengevouwen handen en gaat dan verder met het bereiden van de maaltijd. Viespeuk. Aha, daar komt een dienstmededeling. Iedereen mag blijven zitten, hij zal de hosties aan huis leveren. Hij ontsmet zijn handen, wrijft die overdreven opzichtig tegen elkaar en tovert ergens een blauw mondkapje vandaan. Als hij van de voorlaatste rij, waar ook maar één iemand zit, naar mij toe stapt, laat ik met een korte maar kordate schudding van mijn hoofd weten dat ik er geen wil. Sorry, vriend, corona! En leer in je elleboog niezen. En zeg niet de hele tijd ‘zijn vrouw’ als je het over de kersverse weduwe hebt.

Er is op het internet informatie te vinden over een W. Hoorne, een toneelspeler uit Mesen, maar dat is níet mijn nonkel W. Nonkel W. toneelspeler? Haha, ik kom niet meer bij! Nog eerder zal Maggie De Block het wereldrecord 100 meter horden scherper stellen dan dat nonkel W. ooit op de planken zal hebben gestaan. Moet dat niet zijn 110 meter horden, Hoorne? Neen, de mannen 110, de vrouwen 100. Naar het schijnt maakt een masculinistische beweging die tegen deze discriminatie ten strijde trekt opgang in de States, doch dit terzijde. Mijn nonkel W. was de bescheidenheid en de zwijgzaamheid zelve. ’s Morgens met een volle knapzak naar het werk en ’s avonds met een lege knapzak weer naar huis. Voor de rest geen gedoe. Zo waren er veel mannen en vrouwen vroeger, meer dan nu. Nu moet iedereen fotootjes en tekstjes op die hoe langer hoe meer mismeesterde uitvinding die internet heet gooien. Ik pleit schuldig, maar er zit toch wel een flinke portie W. in mij, zij die mij kennen weten dat. Ik ben een vogeltje dat niet kan vliegen. En mocht ik het kunnen, ik zou het waarschijnlijk toch niet doen. Een beetje wippen en trippelen links en rechts, gekker moet het niet worden. Rust in vrede, nonkel W. De Heer onze God zal je met open armen ontvangen. Ongetwijfeld beschikt hij over een grote televisiemuur met schermen waarop alle zenders van de hele aardkloot te zien zijn.

Tegen de ver-kleurdoos-isering van de open ruimte

Een Gentse straatartieste valt in de prijzen met een muurschildering, las ik op 11 februari op de website van de VRT. Mooi geschilderd, maar hoeft dit echt? Moet dit zo reusachtig groot? In het nieuws vandaag, dit vreselijke werk. Ik voel diepe plaatsvervangende schaamte voor de kunstenaar en ben blij dat ik niet op die muur moet kijken. Natuurlijk mochten de Broeltorens in dit gedrocht niet ontbreken, want we zijn immers in Kortrijk. Net zoals het natuurlijk maar passend zou zijn dat we alle Brusselse muren vol kladden met Atomiumbollen en de Brugse muren met belforten en kantklossende dametjes met zo een geinig wit kapje op hun kop. Een hand die teder een andere hand vasthoudt, ja, een dergelijk origineel beeld hebben we echt nog nóóit van ons leven gezien. Enkele woorden patois mochten evenmin ontbreken. ‘Toope tegoare’, daar zullen de toeristen die de Stad Kortrijk van heinde en verre wil lokken alvast enig ontcijferwerk aan hebben. En Thomas Maris, kledderaar van dienst, is blijkbaar fan van Kraftwerk. Als we allemaal onze favoriete zangertjes en zangeresjes in het straatbeeld gaan vereeuwigen, dan wordt het een mooie boel. Het ergste van al is, dat staat op die muur en dat gaat er niet meer af. Het is niet iets wat je na de zomer terug wegneemt en in de kast legt.

Het moge duidelijk zijn dat ik een hekel heb aan de graffiti die je overal – onder het mom van een ode aan de zorgsector of wat dan ook, elke reden is blijkbaar goed genoeg – op muren, op bruggen, langs spoorwegbermen enzovoort ziet opdoemen. Graffiti versterkt het marginale karakter van een straat of wijk. Maar veel gemeentebesturen willen hip en leuk en tof zijn en laten die kliederaars begaan, moedigen hen zelfs aan. 

Onze steden en gemeenten zijn niet altijd mooi, soms zijn ze zelfs ronduit lelijk. Maar erger dan lelijkheid is lelijkheid wegmoffelen onder nieuwe lelijkheid. Wat is er mis met een effen bakstenen muur of onbezoedeld grijs beton? Is de mooie rode bakstenen muur zwart van de uitlaatgassen, reinig die dan. Brokkelt de muur hier en daar wat af? Herstel de muur. Maar laat er geen aap met een verfborstel in zijn poot op los!

Wat is er mis met een monotone straat die eruit ziet als een monotone straat of een zeedijk die een zeedijk is en niet een openbare expositieruimte. Monotonie, saaiheid en leegte betekenen rust. Als we ons plaatjes voor de geest halen van het mooie Vlaanderen, dan zien we de Damse vaart met die oneindige bomenrijen, dan zien we de vlakke polders waar land en lucht elkaar raken, dan zien we een ongerept strand, de purperen hei, zandvlakten in de Kempen. Hoge, grote, felle kunstwerken hebben wat mij betreft geen plaats in de open ruimte. Het is al erg genoeg met wat je ziet aan banners, boardings, neonreclames en aanplak- en uithangborden. Kunstenaars hoeven echt niet mee te werken aan de ver-kleurdoos-isering van de open ruimte.

Ja maar, Hoorne, jij maakt zelf foto’s waar het kleur van afspat toch? Ja, dat is waar, maar mijn werk hangt niet in de open ruimte en het is niet permanent ergens aanwezig. Je hangt het aan een muur en als je het beu bent neem je het terug af en berg je het op. De enige manier om die muur aan WZC De Pottelberg terug in ere te herstellen is die te overschilderen in een effen, rustgevende kleur, maar dat zal niet gebeuren zeker?

Het leven en hoe het te overleven (26)

Iemand zei: ik hou meer van de winter dan van de zomer. Verbazing en afkeuring alom. Ik was de enige die me erbij aansloot, deels uit tegendraadsheid, deels omdat ik graag de kant van de minderheid kies, en deels omdat ik het hoe langer hoe meer meen.

Er wordt weer gevoetbald in Duitsland. Een politieagent die het veld wilde oprennen omdat hij constateerde dat de social distancing niet werd gerespecteerd, kon nog net door zijn collega aan de slippen van zijn jas worden tegengehouden.

Het verloop van een crisis à la corona: eerst begrip, medeleven en solidariteit alom. Tegen het einde van de crisis verwatert dat allemaal en blijft het aloude adagium: what’s in it for me? 

Stop met applaudisseren en geef die mensen een loonopslag. En haal die lakens binnen. En doe die beer weg van voor het raam. Ik krijg het schijt van die mottebollensymboliek.

Soms moet er hier en daar nog een gaatje in mijn cultuur geplamuurd worden. Tijdens het kijken naar Dumb and Dumber hoor ik een flard van dit geweldige nummer. Kende het nummer, niet de band.

Zal ik er ook eentje lanceren? Leuk dingetje voor coronatijd? Draai een drol op een velletje wc-papier en leg het kunstwerkje aan je voordeur. Wat het betekent? Ik deel het diepste van het diepste in mij met jou, mijn vriend, en ik heb nog wc-papier in overvloed, vraag gerust een rolletje mocht je in nood verkeren. Blank, zwart, rood, geel of roze met paarse stippen; arm, rijk of iets tussenin; man, vrouw, hetero, homo, lesbo, trans en zij die er nog niet uit zijn, we schijten zonder onderscheid. Stront is wat ons verbindt. Hashtag drolletje4U.

Ik ben tegen elke hype, of het nu ice bucket is of planking of je suis charlie of tricolore spiegelhoesjes of een kerstman op een laddertje aan de gevel of pokemons jagen of de dab of regenboogzebrapaden… Toen ooit Vincent Kompany tijdens een wedstrijd van de Rode Duivels werd afgevoerd met twee watjes in zijn neusgaten om het bloeden te stelpen en daarvan een foto op zijn sociale media plaatste, zag je de dag nadien, wat zeg ik, een kwartier na de wedstrijd al, overal foto’s opduiken van mensen met watjes in hun neusgaten. Dat was het moment dat mijn laatste greintje twijfel voorgoed verdween: de mens is een idioot en vroeg of laat zal hij aan die idiotie ten onder gaan. En ik, die misschien ook een idioot ben maar me niet zo gedraag, en tegen de stroom in roei, zal mee ten onder gaan, want de lavastroom van de idiotie walst over alles en iedereen heen. Eervol zal ik mee ten onder gaan, zonder watjes in mijn neus.

De mens is een dodo. Kon niet vliegen, kon niet rennen, kon niet vechten. Liep wat te pronken in zijn habitat. Bij de eerste de beste dreiging, adieu dodo. Belachelijke naam bovendien, dodo. Dodo doen is trouwens een Vlaamse uitdrukking voor slapen.

Het leven en hoe het te overleven (22)

Mensen die zeggen dat ze van Queen houden, bedoelen die dan Queen, de bandleden, de muziek van Queen of die ouwe taaie Britse taart? Dat laatste zal het wel niet zijn. Wat Queen de popgroep betreft: je kunt niet zomaar zeggen dat je van de muziek van Queen houdt zonder enige nadere specificatie. Now I’m here? Crazy little thing called love? Las palabras de amor of – wie kent deze stinker nog? –  Body language? Dat zijn vier verschillende stijlen. Je kan wel van Queen de band, de kameleon, houden, van de evolutie die ze doormaakte, maar wat mij altijd alleen maar interesseert is de muziek. Als iemand al van Queen houdt, de band, dan hoop ik dat het de vroegere Queen is, want met die Adam, het kleurboek dat de plaats van Freddy innam, raakten ze echt wel het noorden kwijt. Het is zielig hoe Taylor en May de groep hebben uitgemolken. Ter ere van Freddy? Ter ere van de geldbuidel? Of zijn ze er nu toch definitief mee gestopt? Kan het iemand een reet schelen?

Idem voor David Bowie. Je kan van het genie, de creativiteit en de theatraliteit van de artiest David Jones houden. Heel veel zelfs, en terecht. Maar de muziek, welke muziek? Ziggy? De Berlijn-Bowie? Tin Machine? Let’s dance? Ik herinner mij de release van Let’s dance. Ik verbleef de hele week in het internaat van de hogeschool. Filip L. was een grote Bowie-fan en had in de tv-zaal de clip van Let’s dance gezien. Met een rood aangelopen gezicht en met veel gedruis sommeerde hij ons, zijn klasmakkers, naar zijn kamer. Bowie was gek geworden, stamelde hij. Bowie had zijn ziel verkocht aan disco. Dieper kon je in die tijd als serieus artiest niet vallen. Dit was de ergste dag van zijn leven. Bowie met een geblondeerde kop en een wijde beige flikkerbroek, dat kon toch niet waar zijn? Filip L. wilde door het raam springen, maar ik was degene die hem bij zijn blauwwitte horizontaal gestreepte sweater terug van de vensterbank in zijn kamer trok, terwijl – en ik hoop dat Filip L. geen lezer van dit weblog is, maar de waarheid heeft zijn rechten – de anderen hem een extra duwtje wilden geven, want Filip L. was een betweter, een geniepigaard en een kwal. Maar kwallen zijn ook mensen, en vice versa. Vond ik toen al.

Die dag heb ik voor de eerste keer in mijn leven een mens van de dood gered. U voelt het aankomen. Dat ik ‘eerste keer’ zegt betekent dat er nog andere keren volgden. U heeft het helemaal juist. Tweeëneenhalf jaar later ongeveer zag ik in het station van de provinciestad K. hoe een kleine jongen, jaar of zeven schat ik, met een plastic voetbal onder de arm, aan de hand van zijn moeder te wachten stond op de trein richting P. Plots glipte die bal uit zijn handen, stuiterde enkele keren op de grond en voortgedreven door de wind rolde hij de sporen op. De trein kwam in de verte al aan gedenderd. De jongen liep zijn bal achterna en liet zich onhandig, maar toch met een snelheid die eigen is aan kleine mensjes, langs de wand van het perron op de sporen zakken om zijn bal te halen. Ik zat op een houten bank en zag hoe het tafereel zich voor mijn ogen ontrolde. De moeder slaakte een gil, een kreet, een krijs, ik weet niet hoe ik het geluid dat ze voortbracht moet omschrijven, maar nooit meer heb ik zo’n door merg, been en vlees snijdend geluid gehoord. Terwijl ze dat geluid uitstootte, beeldde ze op perfecte wijze het gezegde ‘aan de grond genageld staan’ uit. Behalve haar mond waaruit dat ijselijk gehuil opsteeg, was er niks aan haar dat bewoog. Ik weet niet meer hoe druk het op dat perron was, het was spitsuur, veel volk ongetwijfeld, maar in mijn herinnering was ik daar alleen met die jongen, zijn moeder en die bal, die van op de plaats waar ik zat al niet meer zichtbaar in de treinbedding lag, waar hij zich voor de wind schuilhield. De bal was, zo zag ik een fractie van een seconde later, achter een rail  blijven haken. In die fractie van die seconde zag ik dus hoe die jongen zich naar omlaag hees, de sporen op, maakte ik twee reuzensprongen tot aan de rand van de bedding, boog ver voorover over de sporen en trok hem bij de kraag van zijn jasje – een blauw jasje was het, marineblauw – het perron op. Ik kon er nog net aan, aan de kraag van dat jasje, die in een andere, een iets donkerder, stof gemaakt was dan het jasje, zonder zelf de sporen op te springen, wat ik waarschijnlijk niet gedaan had. Dat is achteraf, en nu nog altijd heel af en toe, mijn aan het voorval verbonden nachtmerrie geworden, dat ik, terwijl de machinist van de trein toeterde, zo werd mij verteld, want dat heb ik zelf niet gehoord, enkele centimeters te kort kwam om dat jongetje te grijpen, en dat ik te laf (te berekend? te helder?) was om hem achterna te springen in een gedoemde poging zijn leven te redden, maar er ons beider bij in te schieten. En dat men mij dat zou verwijten – ik ben heel vatbaar voor verwijten – dat ik hem niet achterna was gesprongen, meer zelfs, dat ik met mijn brede rug de weg had versperd voor tientallen andere, moediger redders die klaar stonden om hem wel met succes achterna te springen. Wat niet zo was, voor alle duidelijkheid, er was niemand op dat perron, in mijn herinnering althans, en niemand behalve ik stak een poot uit. Het rare is dat er achteraf, op het moment dat ik de jongen aan zijn moeder overleverde, zo’n sfeertje hing van niet-meer-doen-hoor-stoute-jongen. Alsof hij een koekje uit de koekjestrommel had gestolen, terwijl ik heel zeker weet dat hij het niet had overleefd, want de trein kon onmogelijk nog meer afremmen dan hij al deed. Als ik occasioneel eens de trein neem, dan ga ik op het perron altijd ver weg van de sporen staan, waardoor ik meestal als laatste of een van de laatsten opstap en geen zitplaats heb, maar ik kan niet anders. Ik heb later ook nooit iets meer van die mensen gehoord, kon ook niet, we hebben geen adressen uitgewisseld, zoiets deed je niet, vroeger. Ik spreek over de tweede helft van de jaren tachtig, dat was geen tijd waarin burgerzin en verantwoordelijkheidsbesef gezien werden als een heldendaad.

Dat was een serieuze uitweiding. Terug naar de muziek. Over de derde persoon die ik heb gered, zal ik later vertellen, anders wordt dit een wel heel lang bericht. Als ik ooit van een artiest meer dan de helft van het werk goed vind, zal ik zijn naam op mijn voorhoofd tatoeëren en geloof me, er is geen mens op deze wereld die tatoeages afzichtelijker vind dan ik. Jezus, wat vind ik tatoeages, of tattoos zoals je ze tegenwoordig hoort te noemen, lelijk. Wie van zichzelf al een draak is moet dat niet extra onderstrepen door er een op zijn schouderblad te zetten. Er is maar één ding dat ik geinig vind aan tattoos en dat is wanneer er spel- of schrijffouten worden gemaakt. Jonathan Legear met zijn ‘vini vidi vici’. Kent u de aflevering van Married With Children waarin Jefferson een tattoo laat zetten van Marcy, maar in plaats van ‘Marcy’ staat er ‘Mary’? Zij wil dat hij haar die tattoo toont en hij wringt zich in bochten om dat zo lang mogelijk uit te stellen. Een neger met een tattoo, dat al gezien? Dat donkerblauw op dat koffiezwart of chocoladebruin, dat contrasteert gewoonweg niet. Witte inkt, bestaat dat niet misschien? Of willen ze dat niet op hun lijf omdat het wit is? Het wit van de white ass motherfucker. Het wit van de onderdrukker. Het wit van de bange blanke man. Ach, dat gezeur over dat rassengedoe altijd, hoe lang gaat dat al niet mee? Of zoals mijn buurman, Tsoko Malinga, altijd zegt, hey mista Philip, am I a racist because my dingaling is twice as long as yours and my bollocks twice as big? Maar neen, Tsoko, zucht ik dan, dat heeft niks met racisme te maken, maar je hoeft het er niet om de haverklap in te wrijven dat je me ooit per ongeluk naakt hebt gezien en onze muziekwinkels met elkaar hebt kunnen vergelijken. En trek die pijp van je broek wat naar beneden, ik zie zijn kopje.

Ik heb ooit eens geschreven dat ik van de Pet Shop Boys houd. De muziek bedoel ik. Wel, toevallig ligt hier naast mij hun cd Bilingual. Daar staat één fantastisch nummer op: A red letter day, vier ronduit sterke nummers: Metamorphosis, Up against it, To step aside en Saturday night forever en twee gewoon goede: Single en Se a vida é (That’s the way life is). De andere vijf zijn crap. Meer mag een mens niet verwachten. De laagten dienen om de hoogten beter tot hun recht te laten komen, denk ik maar. Er zijn geen bergen zonder dalen, zei de laaglander. En geen dalen zonder bergen, zei de alpinist. Daarom ook dat ik in een vorig bericht schreef dat Rutger Kopland een van mijn lievelingsdichters is, omdat maar de helft van zijn oeuvre, en dan ben ik mild, vuilnisemmerfähig is. Zo werkt het, voor mij althans. Se a vida é.

Dat ik hier nog over cd’s en over Kopland spreekt, bewijst eens te meer dat ik een oude zak ben. Een dusty nut, zou Tsoko zeggen. Hoewel, Kopland wordt misschien terug hip nu een gedicht van hem wordt gebruikt in de begingeneriek van de serie GR5. Een matige serie met als toppunt van matigheid een scène waarin enkele islamfundamentalisten een afvallige fundamentalist gaan zoeken in de Vogezen en hem nog vinden ook. En terwijl die afvallige met zijn hoofd in de strop hangt te bungelen, worden hij en zijn reisgezellen gered door een boswachter, die werd gealarmeerd door een meisje dat eveneens tot het gezelschap behoort en haar hoorapparaat verloor bij het struikelen over een boomwortel. Enkele afleveringen later stort die afvallige fundamentalist in een ravijn terwijl hij de man die hij eerst niet kon uitstaan, en vice versa, probeert te redden. En die van dat hoorapparaat wordt plots zo ziek dat ze er bijna het bijltje bij neerlegt. Tussendoor is er ook nog een confessie over kindermisbruik op school, wordt het gezelschap in hun zoektocht naar het vermiste meisje, want had ik dat al verteld? al die gasten zoeken dus naar een meisje dat drie jaar eerder dezelfde route wandelde en nooit meer terugkeerde. Enfin, een Vlaamse serie die geen potten zal breken in de top-100 van beste Vlaamse series ooit, en die op zondag 10 mei zijn beloop kent. En zo gaat een mensenleven voorbij, door naar dat soort ongein te staren. Hebben jullie thuis geen Netflix dan, Hoorne? Neen, wij hebben geen Netflix. Better Call Saul, de spin-off van Breaking Bad en alom bejubeld als haast zo goed of zelfs beter dan de serie waarop het geënt is, zal voor later zijn. Binnen hier en het jaar tonen ze Better Call Saul op Canvas, let op mijn woorden. Leve Canvas! Leve het tweede net van de VRT! Of kort samengevat: leve Canvas! Wat ik zei dus.

Dave Greenfield, toetsenist van The Stranglers, is overleden aan corona. The Stranglers werden ooit omschreven als een keigoede toetsenist en nog drie andere gasten. Zoek op YouTube maar eens naar het stomende Get a grip on yourself of de lange versie van Let me down easy.

Corona-mijmeringen

Mijn buurman ligt de hele dag in ontbloot bovenlijf aan zijn zwembad. Nog nooit zo’n kranige werkloze gezien. Dubbel getroffen bovendien: tijdelijk én technisch werkloos. Hou moed, mijn beste man, straks leven we in een betere wereld…

… lieg ik. Voor zij die geloven dat we na Corona in een betere wereld zullen leven, heb ik maar één boodschap: slaap zacht en droom nog maar een beetje verder.

Of definieer ‘beter’. Want mijn betere wereld is niet noodzakelijk de uwe. 

Mijn betere wereld is er een met alleen maar goede, lieve mensen. Het is er stil en groen en rechtvaardig. Er is geen geweld jegens mens en dier. Er zijn geen verkeershooligans en vluchtmisdrijvers. Geen sluikstorters. Geen knalpotbrommertjes. Iedereen betaalt netjes zijn belastingen. Politici denken alleen maar aan het welzijn van de bevolking en niet aan de volgende verkiezingen. Donald Trump krijgt op miraculeuze wijze een serieuze IQ-en EQ-injectie. En mijn volgende dichtbundel wordt een bestseller.

Ik zei het toch: droom verder.

Ons dochtertje heeft gisteren haar posters van Billie Eilish en Ariana Grande van de muur gehaald en vervangen door posters van Erika Vlieghe en Marc Van Ranst.

Daar is nog een hele discussie aan voorafgegaan, want ik had die poster van Erika Vlieghe gewild. Verwend nest!

De man van Erika Vlieghe boft zo maar even met zo’n vrouw: ze is intelligent, bijwijlen grappig, kan een crisis de baas en koopt haar kleren bij Zeeman.

Vroeger kon ik veilig en rustig naar het werk fietsen langs de rivier en het Bruyningpad. Gezien de massale volkstoeloop op de voorheen rustige plekjes fiets ik nu comfortabel en wel in het midden van de N8.

Als de lockdown straks voorbij is zullen tal van gemeentebesturen, organisaties en wijkcomités dat schaamteloos vieren met pensenkermissen en drinkgelagen, alsof er niet één dode is gevallen.

Wetenschappers zijn het erover eens dat een mondmasker dragen in open lucht bescherming biedt, hoe minimaal ook, tegen het COVID-19-virus. Behalve als er geen mondmaskers voorradig zijn. In dat geval zijn de wetenschappers het erover eens dat een mondmasker dragen in open lucht volstrekt zinloos is.

Goed nieuws uit Italië. Er is terug een brug ingestort… in volle lockdown-tijd.

Eergisteren tijdens een item in het journaal ontdekt dat ik geheel nutteloos zou zijn als verzorger van patiënten op de corona-afdeling. Eenmaal in zo’n beschermend pak gehesen, kun je namelijk vijf uur niet naar het toilet. Hé, dokter Hoorne, er zit een lelijke bruine plek op de achterkant van uw pak. Geeft niet, zuster, en let u ook maar niet op de gele verkleuring vooraan.

Wetenschappers aan de macht

‘We hebben de adviezen van de wetenschappers volledig gevolgd,’ zei Jan Jambon in De Zevende Dag over de maatregelen van onze bewindvoerders om de Corona-crisis in te dijken. De nadruk die hij legde op ‘volledig’ liet verstaan dat politici de raad van wetenschappers meestal níet volgen; dat politici gewend zijn hun koppige zin te doen ten faveure van de eigen beeldvorming en natuurlijk altijd met een wellustig oog op de eerstvolgende stembusgang gericht.

Als het huis in brand staat, ga je niet in discussie met de brandweerman. Het huis staat in brand, de doden worden geteld en het zijn er elke dag meer. De wetenschappers die ik de voorbije dagen en weken op tv en in de krant heb zien passeren, lijken mij zonder uitzondering verstandige, redelijke, serene en altruïstische professionals. Wetenschappers bekampen elkaar niet met verfoeilijke spelletjes. Politici hebben op dat vlak een iets bedenkelijkere reputatie.

Als straks dit hele Corona-gedoe achter de rug is, zullen de leiders van dit land, van Europa, van de wereld, hun lessen moeten trekken, dat hoop ik toch. Een ervan kan zijn dat voortaan meer naar wetenschappers moet worden geluisterd, zeker als die het grotendeels met elkaar eens zijn. De klimaatcrisis, het mobiliteitsvraagstuk, onze sociale zekerheid… genoeg problemen die straks weer op de plank komen. Laten wij, de burgers, en zij, de politici, luisteren naar goedmenende wetenschappers die voldoende kennis van zaken hebben om van deze wereld een betere plek te maken, in de plaats van hen weg te zetten als pedante lastpakken, die met hun gezond verstand onze vrijheden beknotten.

Het leven en hoe het te overleven (19 – de Corona-editie)

In wat voor een wereld leven wij eigenlijk? Deze morgen fietste ik langs een lagere school en ik hoorde hoe een jongetje gepest werd door enkele andere jongens. Ik hoorde nog net roepen: ‘Haha, Timmy heeft geen corona, zijn ouders hebben geen geld om te gaan skiën, hahaha’.

We leven op een soort van Corona-tijdlijn en niemand die weet waar we ons op die lijn bevinden. Aan het begin, in het midden of is het over twee weken allemaal voorbij? Sommigen lachen het weg, anderen hebben hun uitvaart al geregeld. Zo moeten mensen zich ook gevoeld hebben aan het begin van een wereldoorlog. De ene zei: ‘Haha, diene Adolf met zijn gek snorretje, die gaat straks weer gewoon schilderen, haha, sauerkrautfrettende loser.’ Terwijl anderen zeiden: ‘We’re all gonna die!’ De mededeling dat we allemaal gaan sterven klinkt angstaanjagender in het Engels, je hoort er ook meteen een soort van griezelstem bij, vandaar dat ik even de taal van Shakespeare hanteer.

Alle gekheid op een wisser, wordt deze Corona-crisis nu goed of slecht aangepakt door de overheden? Wel, er bestaat niet zoiets als een sluitende aanpak volgens mij. Het is schade beperken en hopen dat het overwaait. Zwitserland verbiedt bijeenkomsten van meer dan 1000 mensen. Dat klinkt wijs, maar als elkeen van die duizend na de bijeenkomst een nieuw groepje van 1000 vervoegt, dan zitten we aan 1 miljoen. Corona is een sinister piramidespel.

Cynici zeggen dat we met te veel op deze aardkloot zijn, dat het niet meer dan normaal is dat de natuur een beetje wiedt links en rechts. Maar ik wil toch liever niet sterven door een virus dat ontstaan is op een onhygiënische Chinese beestenmarkt. Mag het iets eleganter ja?

De titel van deze terugkerende rubriek, die ik een jaar of zo geleden losjes uit mijn koker klutste, krijgt meteen ook een wat wrange bijsmaak, merk ik ineens. Blijven ademen, Philip, blijven ademen.