Måneskin… niets nieuws onder de zon

Måneskin, de Italiaanse band die het Eurovisiesongfestival won, is een groot succes. Ik zag in het journaal beelden van een festival in België, waar zowat alle aanwezigen alleen maar kwamen om Måneskin te zien.

Ik ben geen Måneskin-deskundige, zag ze aan het werk tijdens het Songfestival, meer niet. Ik was niet onder de indruk, niet van de muziek, niet van de looks. Blijkbaar is Måneskin vooral belangrijk omdat ze een stem vertolken in het LGBTQ-debat. (Ik moet altijd nadenken over de volgorde van de letters, en komt er niet ook nog iets achter de Q?)

Het winnende festivalnummer? Dat is ruige rock zoals die al decennialang bestaat. De looks? De gitariste probeert Suzi Quatro te imiteren en doet dat behoorlijk goed, maar het blijft wel een Suzi Quatro-imitatie. De andere bandleden doen me evenzeer denken aan rockers uit het verleden, maar ik kan er de vinger niet op leggen. Ik denk dat er verschillende imago’s door elkaar zijn geklutst.

Mannen met oogschaduw, lippenstift en nagellak. Ik heb de glamrock meegemaakt en de New Romantics, dat was andere fond de teint. (Over glamrock gesproken, misschien doet Måneskin mij nog het meest denken aan The Sweet. Hoewel, neen, eigenlijk niet.) Bowie, Robert Smith, Boy George, Adam Ant, Gary Numan, Andy Bell, Alice Cooper, Pete Burns, Marilyn Manson, Kiss, Divine, Sylvester… ontelbaar zijn de vaandeldragers en de few hit wonders van de popmuziek die een loodzware beautycase meezeulden.

Kortom, ik snap de Måneskin-hype niet, en een hype zal het zijn. Over twee jaar weet niemand nog wie deze Italianen ook weer waren. Wat de LGBTQ-rol betreft, ik vind het prima dat ze die vertolken, ook al ben ik van de oude stempel die weet dat als er bij de geboorte een pietje te zien is het een jongen betreft, en indien een spleetje een meisje. Vroeger bleef je dat een leven lang. Nu is na de geboorte van alles mogelijk.

Een rockband wekt minder frictie op bij de tegenstanders van het hele scala aan geaardheden dan een gay pride, een regenboogvlag, regenboogcornervlaggen, regenbooglichtprojecties of godbetert een regenboogzebrapad. (Een regenboogzebrapad is eigenlijk geen zebrapad, want er bestaan geen felgekleurde zebra’s.) Ik vind het allemaal best, het verlangen om te zijn wie je bent, wilt zijn of denkt te willen zijn, en dat verlangen ook proberen vorm te geven. Maar het blijft een individuele besogne, terwijl de mensheid op dit moment wel andere katten te geselen heeft.

Eurovisiesongfestival (4)

Wat deed ik de avond van 5 mei 1984? Niet naar het Eurovisiesongfestival kijken, want als ik de namen van de deelnemers overloop, dan zeggen die me weinig of niets. De winnaars in 1984 heetten The Herreys, een Zweedse boysband. Die haalde het met een infantiel nummer met een infantiele titel.

In de jaren die volgden, hoorde ik op een verre radio meerdere keren dat Italiaanse lied. Ik moet telkens eens opgekeken hebben van waar ik op dat moment mee bezig was, om te genieten van dat prachtige duet. Ik heb lang verkeerdelijk gedacht dat het Al Bano & Romina Power waren die het zongen. Een ander Italiaans man/vrouw-duo kende ik niet. Tot een mens ineens beschikt over dat ding dat internet heet en alles, neen niet alles maar toch veel, kan opzoeken en herbekijken.

Alice & Franco Battiato, zo heten de vertolkers van dat schitterende lied, het allermooiste Eurovisiesongfestivallied ooit. U had van mij iets poppy verwacht als mijn favoriet, iets uptempo, maar ik houd van vele muziekjes. ‘I Treni Di Tozeur’ begint met een fraaie intro en die stemmen die in elkaar overgaan. Wat volgt is werkelijk een enig stukje muziek dat in het refrein, dat bulkt van grandeur en tristesse, in een perfecte samenzang naar een hoogtepunt toe werkt. Het gaat over een trein, weet ik veel, maar dat is niet belangrijk. Ik spreek geen Italiaans, de tekst gaat volledig aan mij voorbij. Toch raakt dit lied mij geweldig, en als ik het tien keer na mekaar hoor, dan raakt het mij tien keer even diep.

Ongelooflijk maar waar. Dit stukje schreef ik enkele dagen geleden al. Ik wilde het nu, vandaag, publiceren, zoek nog even op het internet naar andere versies en lees ineens dat Franco Battiato is overleden… op 18 mei 2021. Vandaag.

Olie drijft altijd boven. Ook al won ‘I Treni Di Tozeur’ in 1984 niet, wat eigenlijk compleet onbegrijpelijk is, het groeide uit tot een van de bekendste Italiaanse liederen, en wordt ook vandaag nog geregeld op de Vlaamse radio gedraaid, wat van weinig andere Eurosong-nummers – winnaars of niet-winnaars – kan gezegd worden. Als het in ons land nog vaak op de radio komt, zal dat in andere Europese landen niet anders zijn.

Het Eurovisiesongfestival hoeft voor mij niet te blijven bestaan als het een evenement wordt of al is waar opvallen en scoren om andere redenen dan de muziek de boventoon voert. Maar moge ‘I Treni di Tozeur’ een niet mis te verstane boodschap zijn aan de deelnemende landen. Stuur een keigoed lied, dan maakt het niet uit of je wint of achtste of dertiende wordt. Als het sterk genoeg is, dan zal het de tand des tijds wel overleven, terwijl foute, hippe hypes mogelijk vluchtig succes opleveren en al even vluchtig tussen de plooien van de muziekgeschiedenis vallen om daar voor eeuwig stof te liggen vergaren.

Hieronder ‘I Treni di Tozeur’, 32 jaar na het Eurosongfestival.

Riposare in pace, Franco Battiato.

Eurovisiesongfestival (3)

De Belgische inzending voor het Eurovisiesongfestival wordt afwisselend afgevaardigd door de VRT en de RTBF. Hoe werd dat in het verleden zoal aangepakt? Een artiest aanduiden met een liedje, en vooruit met de geit, da’s het eenvoudigste. Eén artiest aanduiden en die verschillende liedjes laten brengen en dan daaruit eentje kiezen. Is ook al gebeurd. Een aantal artiesten twee of drie liedjes laten brengen en daaruit dan een winnaar en een winnend liedje kiezen. Ook. Of er een heuse competitie van maken met preselecties, halve finales en een finale. Veruit de meest spectaculaire werkwijze, zeker als je zorgt voor een jury met uiteenlopende karakters en meningen, met daarin minstens één iemand die nooit een blad voor de mond neemt – laten we dat jurylid Marcel Vanthilt noemen – en een zaal vol opgefokte familieleden, vrienden, buren… die elk woord van elk jurylid trakteren op gejuich of gejoel, al naargelang het hun geliefde kandidaat goed of slecht uitkomt. Voeg daar dan nog een obscure televoting aan toe en het feest is compleet. De televisiekijker heeft ook een stem in het kapittel, meestal minstens evenwaardig aan de stem van de jury. Fons en Arlette, thuis in hun canapé, moeten het gevoel hebben dat zij het zijn, die een Belgische artiest sturen naar het Eurovisiesongfestival in Dublin, Oslo, Rome, Rotterdam of godbetert Jeruzalem.

Televoting is obscuur, omdat niemand precies weet of de registratie van de telefoontjes wel correct gebeurt. Er is een gerechtsdeurwaarder aanwezig, maar is die wel zuiver op de graat? Televoting is niet alleen obscuur maar ook oneerlijk. Je zal als begenadigde nachtegaal, enig kind en een beetje een kluizenaar, want altijd bezig in de studio met keigoede nummers te fabriceren, maar moeten optornen tegen Kwasi Tevoko, Belgische jodelaar van Zambiaanse afkomst, met 11 broers, 16 zussen, 34 nonkels en tantes, en 173 neven en nichten, die allemaal met hun gratis telefoonabonnement van het OCMW de hele avond non-stop bellen om de trots van de familie, die nog geen hoge do van een lage la kan onderscheiden, naar Dublin, Oslo, Rome, Rotterdam of godbetert Jeruzalem te televoten.

Is het eigenlijke Eurovisiesongfestival in wezen een saaie gebeurtenis, bestaande uit een opeenvolging van introducties van de deelnemers – altijd zijn dat grappig bedoelde filmpjes die niet doen wat ze beogen, namelijk grappig zijn – , de liedjes van de deelnemers en ten slotte de puntentelling – altijd met in sommige landen een leuke puntenmededeler die niet slaagt in wat hij beoogt, namelijk grappig zijn, en dan maar afsluit met een complimentje aan het adres van de gastvrouw van het organiserende land, hoe wonderful ze er wel niet uitziet – , dan staat zo’n nationale preselectie wél garant voor vuurwerk. Zo was het ook in het jaar 1999, het fameuze jaar dat, na het afscheuren van het allerlaatste blaadje van de Druivelaar, misschien wel of misschien niet zou overgaan in het jaar 2000, maar niet zonder dat eerst alle computers op aarde op hol zouden slaan en we veel kans maakten dat er ineens pardoes een vliegtuig uit de lucht pardoes op ons hoofd zou vallen.

Als u mij vraagt: Philip, wat is volgens u het beste Belgische Eurosong-lied aller tijden, dan neem ik u mee naar het jaar 1999. Neen, niet ‘Like the Wind’ van de menselijke windmolen Vanessa Chinitor, dat uiteindelijk naar Jeruzalem mocht om daar een amper opgemerkt briesje te laten waaien. Mijn beste Belgische Eurosong-lied ever is er een dat de nationale selectie niet overleefde. In 1999 werd Alana Dante met ‘Get Ready for the Sunsand’ pas derde, tot onvrede van velen, niet in het minst van jurylid Marcel Vanthilt en van mezelf. Tijdens de preselecties en de halve finale gebruikte Alana Dante een ‘machientje’ waarvan ik nog altijd niet precies weet wat het is, een soort stemvervormer die in het nummer heel even werd gebruikt, vermoed ik. Eén jurylid, de hoogst ergerlijke Mark Coenegracht, kraakte haar volledig af en trachtte het publiek wijs te maken dat ze niet zelf zong. In de finale deed ze het zonder dat machientje, ze deed het goed, dat moest Coenegracht ook toegeven, maar hij trapte nog een laatste maal na. Velen waren en zijn er nog altijd van overtuigd dat ‘Get Ready for the Sunsand’, een geweldig uptempo-nummer (vergelijkbaar met Ooh Aah… Just A Little Bit van Gina G, dat in 1996 ook niet won, maar wel een grote hit werd) hoge ogen had kunnen gooien in Jeruzalem. In de plaats daarvan werd het de scheet in de fles ‘Like the Wind’ genaamd. Blijkbaar heeft Vanessa Chinitor 11 broers, 16 zussen, 34 nonkels en tantes, en 173 neven en nichten. Welk telefoonabonnement die hebben is mij niet bekend.

Kijk hieronder naar de finale van de Belgische preselectie. ‘Get Ready for the Sunsand’ komt aan bod vanaf minuut 37:37.

Alles over België op het Eurovisiesongfestival vind je op deze pagina. Onderaan de pagina klikken op de jaartallen voor informatie over de Belgische preselecties.

Eurovisiesongfestival (2)

Ik vroeg me af waarom de hitparade-artiesten niet naar het Songfestival gingen: Queen, Rod Stewart, Status Quo, The Sweet, Mud, The Rubettes, The Bay City Rollers, Alvin Stardust of de halfgare Gary Glitter. Het leek wel alsof er voor het festival in een aparte muzikale vijver werd gevist. Toch brachten de edities van ’74, ’75 en ’76 fraaie winnaars voort met ABBA (‘Waterloo’), Teach-In (‘Ding-a-dong’) en Brotherhood of Man (‘Save your kisses for me’). Veel mensen vinden ‘Waterloo’ nog altijd de ultieme ABBA-hit, maar als ik een lijstje zou maken met mijn 15 favoriete ABBA-hits, dan komt het er niet in voor. Mijn absolute ABBA-favorieten zijn ‘Knowing Me, Knowing You’ en ‘The Name of the Game’. Dit terzijde. Wat Teach-In betreft, er is een Amerikaanse film over een zieke jongen die naar Amsterdam reist om de auteur van zijn lievelingsboek te ontmoeten. In die film zegt een personage tegen een ander iets als ‘There was a Dutch song called Ding-a-dong. It was the favorite song of my father.’ De naam van de film ontsnapt me en ik heb geen zin om hem op te zoeken.

Laat me even doorspoelen naar 1980. Ik ben een puber en al lang niet meer bijster geïnteresseerd in het Songfestival. Vaak zie ik het meer als uitlachtelevisie dan wat anders. België wordt dat jaar vertegenwoordigd door Telex, een Waals synthesizertrio dat met ‘Eurovision’ een parodie brengt op het evenement waar het aan deelneemt. Telex is de luis in de pels, de anti-Europeaan die als verkozene zetelt in het Europees Parlement, de carnivoor in de vegan shop . Het was Telex niet te doen om de punten. Dat de drie heren geselecteerd werden en mochten optreden voor vele miljoenen kijkers in heel Europa was al een overwinning op zich. Telex is tegenwoordig terug brandend actueel met een nieuw compilatiealbum, ‘This is Telex’. Telex is zo’n beetje het Kraftwerk van den Aldi. Pioniers waren ze wel, in eigen land zeker, maar ik word niet wild van hun synth-pop covers van ‘Dear Prudence’ of ‘Ça plane pour moi’. Maar die subversieve act op 19 april – mei is dan toch niet altijd de festivalmaand – 1980 in Den Haag kon ik wel pruimen. Subversief? Toen wel. Als je het optreden echter bekijkt door de ogen van nu, lijkt het als act nogal magertjes. Visueel waren deze jongens geen hoogvlieger. Telex kwam als laatste aan de beurt, als een soort appendix. Het orkest mocht inpakken en ‘synthesizers en noemt u maar op wat er allemaal bij zit’, zoals de commentaarstem op de Nederlandse tv het noemde, namen het over. Op het einde wordt een stukje van ‘Te Deum’, de EBU-tune gespeeld. Het nemen van de foto kan gezien worden als een omkering van de rollen die artiest en publiek vervullen. Heeft het publiek niet genoten van de artiest, de artiest dan toch van het publiek, en dat moet voor het nageslacht worden vastgelegd.

Eurovisiesongfestival (1)

Meimaand is de maand waarin elke vogel een ei legt én van het Eurovisiesongfestival. Het festival is verworden tot een flauw en overbodig afkooksel van het liedjesfestival dat het ooit geweest is. Ik volg het al ruim een decennium niet meer. Als ik de complete lijst met alle deelnemers van alle edities overloop, dan doen de winnaars van de voorbij tien jaar bij mij amper een belletje rinkelen, behalve ‘Euphoria’ van Loreen en natuurlijk – hoe zat dat ook weer precies? – de vrouw met de baard, of neen, de man met de baard die eruit wilde zien als een vrouw… alleszins iets met een avondkleed en veel gezichtsbeharing, Conchita Wurst genaamd. Dix points voor die naam alleen al. Douze points indien het Conchita Bratwurst was geweest, want dat is nog geiniger.

Wanneer werd dit evenement een rariteitenkabinet? Dat moet met de overwinning van Lordi geweest zijn in 2006, vijftien jaar geleden, wat vliedt de tijd toch snel. Ze waren de grap van de dag, maar wonnen. De geloofwaardigheid van het festival lag aan diggelen. Landen wisten niet langer of ze een clown moesten sturen of een zanger(es). Het ging niet meer om de muziek, maar om hoe meer op te vallen dan de andere deelnemende landen. En wie wil opvallen moet nu eenmaal gekke bekken trekken of een blits pakje dragen. Dat zien de media graag, hebben ze iets om over te schrijven. En in de voetsporen van de media volgt gedwee het kijkvee.

Mijn verste herinnering aan een winnaar, een winnares in dit geval, is er een uit het jaar 1972. Ik was 7 jaar. Het lijkt mij weinig waarschijnlijk dat ik heb mogen opblijven tot Vicky Leandros met de bos bloemen zwaaide en als laureate haar lied nog eens opnieuw mocht brengen. Toch kan ik in de jukebox in mijn hoofd het krachtige ‘Après toi’ terstond oproepen. Ik zal de avond van het festival wel in mijn bedje hebben gelegen en Vicky Leandros later hebben gezien, toen ze het nummer bracht in een van de vele televisieshows waarin steevast muzikanten, ter verluchting van het programma, hun opwachting maakten.

In 1973 was ik al een grote jongen van 8 en zat ik zeker wel voor de buis, het zal wel zijn verdorie. Over blitse pakjes gesproken, 1973 is het jaar van ‘Baby, baby’ van Nicole & Hugo. Ik denk altijd dat dit een nummer is van ver voor mijn tijd, dat ik dit onmogelijk live op tv kan gezien hebben. Dat klopt niet, of misschien was ik net even naar het toilet toen N & H hun ding deden, want ik heb een levendige herinnering aan het toch wel fraaie, winnende lied met de intrigerende titel ‘Tu te reconnaîtras’ van Anne-Marie David. Wederom een winnende inzending van Luxemburg, net als het jaar ervoor. Die Letzenburgers moeten gedachten hebben: “änneren ni e Gewënner Team”, wat Luxemburgs is voor “ne changez jamais une équipe gagnante”, wat dan weer Frans is voor “never change a winning team”, wat dan weer Engels is voor “als je niet weet wat never change a winning team betekent, dan ben je waarschijnlijk niet lang naar school geweest”. ‘Weet je wat, wij sturen een doordruk van Vicky Leandros, succes verzekerd,’ dachten ze in het land van de groothertog. Het lukte wonderwel. In 1974 en 1975 stuurde Luxemburg opnieuw een zangeres, maar dat leverde toen slechts een ereplaats op. De formule was uitgewerkt.