Bondscoach Hoorne roept Eden Hazard niet langer op voor de nationale ploeg

Slaakt u ook een zucht telkens u de naam hoort van de Rode Duivel met de forse derrière Eden Hazard? Ik heb het opgezocht: tussen 1 december 2020 en 7 januari 2021 zijn op de website van Het Laatste Nieuws 52 berichten verschenen waarin de naam van de hamburger op noppen wordt genoemd. Die zullen ook wel allemaal in de papieren krant hebben gestaan. En wis en zeker werden haast al die ‘nieuwtjes’ ook gebracht in de nieuwsuitzendingen van VTM, de televisiezender gelieerd aan Het Laatste Nieuws.

‘Eden Hazard traint weer’, ‘Hazard scoort geweldig doelpunt op training’, ‘Hazard wordt 30 jaar’, ‘Eden Hazard heeft deze ochtend zijn voorhuid te hard geschrobd en die is beginnen bloeden’, ‘Eden Hazard in quarantaine’, ‘Eden Hazard uit quarantaine’, ‘De nieuwjaarswensen van Eden Hazard’, ‘De voorhuid van Hazard is bijna genezen’, ‘Zidane ziet Hazard groeien’, ‘Zidane: “Hazard zal minuten krijgen tegen Elche”‘, ‘Roberto Martinez: “Het wordt een bijzonder jaar voor Eden Hazard”‘, ‘Clubdokter Real: “Voorhuid Hazard eindelijk geheeld.”‘ et cetera et cetera. Ad infinitum.

Eden Hazard is iemand van wie ik zou kunnen houden. Hij heeft weinig kapsones, schermt zijn privéleven af voor de buitenwereld en is een pleintjesvoetballer gebleven, voor wie het schijnbaar geen verschil maakt of hij op het veld van Bernabeu staat of op een akker ergens in de buurt van Tubize. Vreemd genoeg is het net dat laatste dat mij ergert. Die hamburger destijds in Brussel, dat was niet oké, maar ja, het was Hazard, in die tijd nog een puber en de chouchou in wording van de Belgische voetbalfans. Velen vonden dat hamburgerincident cool. Ik niet. Het getuigde van weinig respect tegenover het team. Je mag jezelf niet langer als een pleintjesvoetballer zien, hoe charmant die gedachte ook lijkt, als je bij een topclub speelt en de kleuren van je land verdedigt.

Toen Hazard na zijn transfer van Chelsea naar Real Madrid werd voorgesteld aan het Spaanse publiek, jongleerde hij wat met een bal. Het was Jan Mulder die terecht opmerkte dat het een gemiste kans was na te laten de Spaanse fans toe te spreken in hun eigen taal. Twee eenvoudige zinnetjes, vooraf van buiten geleerd, een paar keer Hola zeggen en nog enkele woordjes erbovenop en hij had de Madrileense harten in zijn zak. Maar iets instuderen is totaal on-Hazard, daar houdt hij zich niet mee bezig. Hazard is Mister Laid Back. Zijn tronie staat permanent in de No Stress-modus. Hazard is een knulletje dat wil meespelen in de grotemensenwereld, maar smeekt om toch alsjeblieft dat knulletje te mogen blijven. Ik zou dit tof moeten vinden, maar ik kan het niet. Winnen of verliezen, het maakt Hazard weinig uit, voetballen wil hij, voor een bussel prei of voor een wereldbeker, maakt niks uit. Hazard speelt voetbal in zijn luchtbel. Een vrijbuiter, ook dat zou mij sympathiek moeten zijn, maar ik kan die sympathie niet opbrengen, nogmaals sorry. Eden Hazard is zo’n jongen die op zijn rapport de vermelding ‘Kan beter!’ kreeg. ‘Als Eden zijn best doet, kan hij de bal ver schoppen’, zoiets. Eden Hazard zal nooit de status bereiken van generatiegenoten Messi laat staan Cristiano, zelfs niet van een Lewandowski, een Kane of een Thomas Müller. Maar dat zal hem braadworst wezen.

Eden Hazard vertraagt het spel. Als hij de bal krijgt toegespeeld, zegt een stemmetje in zijn hoofd: “Je bent een pleintjesvoetballer, n’oubliez pas, mec, en wel een hele goeie, toon wat je kan.” Iedereen die ooit op een pleintje heeft geshot, weet dat de beste spelertjes het liefst van al de bal de hele tijd aan de eigen voet willen houden. Ze nemen de bal aan van de keeper en dribbelen het hele veld over, wanen zich een eenmansploeg. Geen ploegmaat die protesteert, want zo’n gastjes zijn op die leeftijd ook vaak echt een eenmansploeg. Maar als je door voortdurende selectie uiteindelijk terechtkomt tussen kerels die ook steengoed kunnen ballen, dan wordt het een ander verhaal. Als Hazard de bal krijgt toegespeeld, dan staat hij even stil en maakt vervolgens een actie. Soms lukt die, soms lukt die niet. De bal in één tijd naar een ploegmaat spelen, vindt hij eigenlijk een beetje te min, want hij staat in zijn hoofd nog altijd op een pleintje, waar de omstaanders hem bewonderend aankijken en verwachten dat hij en hij alleen iets fraais doet met dat lederen ding.

Was ik Roberto Martinez, ik riep Eden Hazard niet meer op voor de nationale ploeg. We hebben De Bruyne, Mertens, Vanaken en nog een aantal kleppers die kunnen bewijzen dat we Hazard, hoe goed hij ook moge zijn, eigenlijk niet nodig hebben om successen te boeken. De Bruyne wordt een betere Rode Duivel als Eden Hazard niet op het veld staat, dus waarom zou je die winst opofferen als je bovendien in de plaats van Hazard een andere speler kunt zetten. Zonder Hazard worden we misschien Europees kampioen, net zoals Frankrijk wereldkampioen is geworden zonder Benzema.

(Naschrift: Deze namiddag (8/1/2021) alweer drie nieuwe berichten over Hazard: ‘Dropt Real-coach Zidane Hazard tegen Osasuna in de basis? “Ik los niets”‘, ‘Hazard in de handen van Zidane en Filomena: Rode Duivel blijft chouchou van Real-coach, maar die moet fair handelen tegenover de rest’ en ‘Hazard en co vast in vliegtuig op besneeuwde startbaan’.)

Over economie, geluk en HLN

Ik mag graag eens op HLN door de reacties van lezers onderaan de artikels scrollen. De HLN-lezersreacties zijn berucht. Voor de Nederlandse vrienden: Het Laatste Nieuws (HLN) is een van de grootste Vlaamse kranten: veel foto’s, veel sport, weinig diepgravende inhoud en dus populair bij het volkje alhier. De HLN-lezersreacties zijn berucht omdat ze regelrecht uit de onderbuik van de samenleving komen: schreeuwerige meningen, ongenuanceerd, vol spel- en taalfouten. De rubriek wordt wel door de krantenredactie gemodereerd, wie het te gortig maakt komt er niet in.

Soms lees je iets fraais, een serene, doordachte visie. Zo las ik het volgende onder een artikel waarin een professor-econoom zijn zegje had mogen doen: “Door de lock-down zijn mensen beginnen beseffen dat ze met véééél minder consumptie kunnen leven. Dààr zit het probleem. In een kapitalistische economie moet er steeds groei zijn, dus we moeten in de tredmolen van steeds meer en meer consumeren blijven lopen. En liefst zo min mogelijk duurzame artikelen kopen. Daar zit het probleem, nietwaar meneer de econoom?”

Het denigrerende ‘nietwaar meneer de econoom’ en de opdringerige herhaling van waar het probleem zit, herinnert er ons aan dat we ons nog altijd op het HLN-forum bevinden, maar voor de rest steekt er waarheid in wat deze man of vrouw schrijft. De commercie, de reclame heeft ons decennialang aangespoord om te consumeren. Onzinnige zaken à la Black Friday kwamen uit de States overgewaaid. Het geld moest rollen ter wille van de economie. Maar waarom zouden we elk voorjaar en elk najaar al onze kleren op straat gooien en vervangen door iets nieuws wat als modieus wordt aangeprezen? Waarom moeten we de oude, nog perfect werkende smartphone vervangen door het nieuwste modelletje? Waarom moeten we überhaupt een smartphone hebben als je met een gsm’etje van 25 euro ook kunt bellen en sms’sen? Waarom moeten we om de zoveel jaar ons huis helemaal herinrichten? En niet te vergeten, waarom zien alle auto’s er tegenwoordig uit als woeste bizons?

De visie van deze briefschrijver, we kunnen het met minder stellen, is juist. Of de mensen het beseffen is een ander paar mouwen. Een deel van het publiek zal, eenmaal als deze crisis achter de rug is – zal ze ooit helemaal achter de rug zijn? – hervallen in de oude consumptiegewoonten. Het is vreemd eigenlijk. Als middelbare scholier gaven wij, de slimme jongens van het college, al af op de consumptiemaatschappij. We vonden die vreselijk. Hoeveel van mijn klasgenoten van toen zouden er zelf niet meedraaien in die consumptiemaatschappij die ze toen verfoeiden. Misschien vonden ze het toen vreselijk omdat ze te weinig zakgeld hadden en niet konden deelnemen eraan. Veel mensen weten maar al te goed, als ze eens stil zijn en eerlijk en diep in zichzelf kijken, dat bezittingen, spullen en prullaria hen niet gelukkig maken, dat het een surrogaat is, maar misschien hebben die dan toch liever een surrogaat dan helemaal niks, zijn ze zo economisch geconditioneerd dat ze er geen flauw benul van hebben dat geluk een ander gezicht kan hebben.

Het leven en hoe het te overleven (32)

Zeven maar liefst. Na mijn post van vrijdag heb ik van zeven dichters een mail ontvangen. Alle meenden ze zich te herkennen in het met-kakgezicht-voorlezen-voor-boekenkast-filmpje waar ik naar verwees, terwijl ik dat verhaal alleen maar had verzonnen om te komen tot die ernstige blik van de betreurde Carlos Ruiz Zafón op HLN.

Die zeven mails zijn goed nieuws en slecht nieuws. Het goede nieuws is dat ik nooit kon bevroeden dat dit weblog, dat groteske ernst met nog groteskere bullshit afwisselt, zoveel bezoekers trekt. Het slechte nieuws is dat ook schrijversvolk het onderscheid moeilijk kan maken tussen waargebeurd en verzonnen. Het is te begrijpen dat mijn moeder me wel eens dingen zegt als: ‘Maar dat is toch niet waar, jongen, dat ik je als peuter probeerde te verzuipen in een emmer sperziebonen, waarom schrijf je toch zulke dingen?’ Dan antwoord ik: ‘Klopt, ma, het was een emmer gewassen en versneden rucola, maar sperziebonen is beter voor het dramatisch effect. Rucola klinkt te exotisch, rucola klinkt als een Italiaanse kaas, of een janettenbrommertje à la Vespa, de Rucola CX 500cc of iets in die trant… Sperziebonen past veel beter bij het Vlaanderen van de jaren zestig. Snap je dat, ma? Schrijven is dingen verzinnen. Verzinnen betekent uitvinden. Schrijven is liegen. Of dat mag? Ja, ma, in wat ik doe mag dat, meer zelfs, het moet.’ Mijn moeder liep school tot haar vierde, was daarna zeven jaar ziek en ging eind juni 1956 terug om haar diploma op te halen. Dat ze niet kreeg en terecht. Van mijn mama verwacht ik bijgevolg niet dat ze feit en fictie kan onderscheiden, maar van Dopey en zes andere gepuntmutste kornuiten die zich schrijver noemen wel.

Komt het door die dekselse lockdown, ik weet het niet, maar zeven dichters die van zichzelf denken dat ze een kakgezicht opzetten bij het voorlezen, dat wijst op een troebel zelfbeeld. Trek het jullie niet aan dat jullie enkele honderdduizenden boekjes minder verkopen dan Pascale Naessens, dat doe ik ook niet. Het schrijven of wat voor creatieve activiteit ook moet leuk blijven, dat is de enige norm. Trouwens, wat is dat precies, een kakgezicht? Ik poep niet voor de spiegel, heb dus totaal geen weet van mijn eigen kakgezicht, en ik verkeer niet in de mogelijkheid om andere mensen te zien poepen en zou zoiets vies ook nimmer willen. We spreken hier over een gelaatsuitdrukking die we eigenlijk niet kunnen definiëren. Mocht de opdracht in de tekenles luiden: teken een kakgezicht, dan zou dat uiteenlopende resultaten opleveren: lachende monden, pruilmonden, verwrongen monden, dichtgeknepen ogen, opengesperde ogen, spleetogen…

opname zonder titel-071Waren die dichters boos op jou, Hoorne? vraag je je misschien af. Ach, wat heet boos? Ik zal nog één keer uitleggen hoe ik tegen die dingen aankijk. Mijn credo luidt: de mens is de mens, het werk is het werk, die twee zijn strikt van elkaar gescheiden. Leven is leven en schrijven is schrijven, en daar staat een dikke plexiglazen wand tussen. Ik ben 55, 65 haal ik op mijn uppie tenzij straks een vrachtwagen me met fiets en al tot moes rijdt. Als ik me blijf verzorgen haal ik de driekwarteeuw en in een straf scenario word ik zo oud als mijn vader wiens teller nog altijd loopt. Maar ooit stopt het, is het voorbij. Alles wat ik doe houd ik tegen het licht van die eindigheid. Aangezien het ooit stopt kan ik twee dingen doen: ik kan me na mijn dagtaak in de zetel gooien en lethargisch wachten op mijn einde. Of ik kan die zeteltijd vullen met een beetje creatief gehannes, wat in het licht van de eindigheid niks voorstelt, maar ik beleef er lol aan. Dus mag het even?

De Nederlandse schrijver Tim Krabbé stuurde me ooit een boze mail omdat ik in wielertijdschrift De Muur dingen had geschreven over Johan Museeuw die hem niet bevielen, over de wespen en zo, je weet wel, die dopingaffaire. Krabbé was of is een Museeuw-fan, zegde in die mail dat in zijn woonkamer een grote Museeuw-afbeelding hangt. Die boze mail weerhield en weerhoudt me er niet van Tim Krabbé een heel goede schrijver te vinden. Hoeveel boze mails hij mij ooit nog moge sturen, dat blijft zo. Wat voor een gefrustreerde windhaan zou ik zijn mocht ik Tim Krabbé, om zo’n mailtje waarin hij mij de levieten leest omdat we over iets een verschillende mening hebben, ineens geen goede schrijver meer vinden? Idem voor een dichter uit het Gentse die eveneens een beetje pissig was op mij om iets wat we allebei allang vergeten zijn. Maar ik blijf het werk van de man aanprijzen waar ik maar kan, heb hem ooit met een recensie van een volle pagina geëerd in Knack. Het kan helaas ook anders. Een Nederlandse schrijver die nu ergens in Oost-Europa woont, vond mijn poëzie fantastisch. Tot onze relatie verwaterde, toen vond hij mijn volgende bundel plots maar minnetjes en kreeg ik in een stukje op een literaire website de wind van voren. Sorry, zo werkt het niet bij mij. En zo mag het ook niet werken. Als pakweg Dimitri Verhulst morgen mijn rozentuintje vernielt, dan blijf ik hem een subliem auteur vinden. Jammer van dat infantiel gedrag, dat wel, en dat zou ik hem ook laten weten: ‘Dimitri, ik weet dat je bent opgegroeid in een weeshuis tussen grote en kleine krapuultjes, maar dat jij, met jouw status, jij die dat marginale milieu al lang ontgroeid bent, zoiets doet, ik keur het ten zeerste af, Dimitri. Ik koop en lees jouw boeken en ik vind ze enig, en ik hoef daarvoor geen bedankje, integendeel, ik dank jou voor al die zalige leesuren, maar ik zou het waarderen mocht je zoiets nooit meer doen.’

In plaats van rozen stuk te maken had ik Dimitri eerst kak in mijn brievenbus laten deponeren. Schrijven is verzinnen, remember. Maar stilaan loopt het met al die kak de spuigaten uit. Ik heb iets met kak, sorry, dat had ik blijkbaar al toen ik onderstaand gedicht publiceerde in mijn derde bundel Het ei in mezelf die dateert van 2005. Ik stond ooit in een dichtersprogramma met twee van de meest ernstige dichters van Vlaanderen, in een chique zaal met alleen maar deftige grijze mannetjes en vrouwtjes in het publiek. En toen las ik dit gedicht, je kon een speld horen vallen. Toen ik halfweg de tweede strofe zat, dacht ik bij mezelf, Hoorne, doe je dit nu om die mensen te choqueren, te provoceren of hoe zit dat precies? Nooit zoveel lof gekregen als toen. Die stijve bovenlippen gingen helemaal loos. Een man sprong recht, zwaaide met zijn wandelstok en riep: ‘Eindelijk eens een gedicht dat bij deze oude Sinjoor – de lezing vond plaats in Antwerpen – niet het ene oor in en direct het andere oor weer uit vliegt!’ Het gedicht ‘Ik wilde iets maken met mijn handen’ gaat natuurlijk over zoveel meer dan wat er staat. Dat zou mijn mama niet vatten, maar u, mijn zeven waarde collega’s en wie weet nog enige andere lezers van dit weblog, hopelijk wel.

IK WILDE IETS MAKEN MET MIJN HANDEN

Ik wilde iets maken met mijn handen,
vond knippen te kleuters, boetseren te boers,
metselen te macho en timmeren, laat maar zitten.
Schilderen dan maar? Schitterend idee heb ik daar!
Artistiek kladden, kleuren creëren, smossen en spatten,
de wereldbol tot vierhoek transformeren.

Ik kocht een ezel en noemde hem eerst Ezel, dan Schijter,
want hij scheet twee keer tegen de wandtegels vooraleer
ik het doek tegen zijn flank kon spijkeren. Eindelijk klaar
was ik vast van plan het helemaal te maken. Adressen musea
noteerde ik in mijn agenda. Met drie uitroeptekens.

Zoals ik al zei, ik was helemaal klaar, maar iets te voorbarig,
want had ik niet nog nodig: borstel, vod, verf en palet? Ach ach,
wat een omslachtig, elitair en commercieel gedoe, dat geschilder.
Reeds was ik moe en er stond nog niets op het doek, tot opeens boven
mijn hoofd zo’n lichtje brandde dat je wel eens in stripverhalen ziet.

Ik doopte mijn wijsvinger in Schijters drek en wreef me daar een
lang niet onaardig bruin motief. Vervolgens legde ik mij te rusten
met een smile van oor tot oor, o wat vond ik mezelf een hele pief.
Voortaan zou ik heten: Philip Hoorne, De Eerste Vlaamse Neo-Primitief.