Knack 50 jaar (slot)

Wat valt er nog te vertellen over mijn Knack-jaren? Weinig boeiends. Dat ik naast poëzie ook wel eens proza recenseerde. Veel Brusselmans, een lang artikel over Jan Cremer – Ik, Jan Cremer 1 en Ik, Jan Cremer 2 behoren nog altijd tot het allerbeste wat ik ooit las -, de biografie van J.C. Bloem en nog wel het een en ander.

Ik interviewde Herman Brusselmans tijdens de Knack-dag op de Boekenbeurs en in diezelfde jaargang van de beurs ook twee dichters, waarbij de ene dichter opeens iets onaardigs zei over de andere, waarna die andere verontwaardigd reageerde. Weg sfeer en ik diende al mijn diplomatisch talent aan te wenden om het interview terug op het serene pad te brengen. Wie die dichters waren is niet belangrijk. Een van hen is overleden en heeft daarmee zijn eerste pasjes richting vergetelheid al gezet. Want, laat ons eerlijk wezen, in de vorige bijdrage had ik het over Kopland. Wie spreekt nog over Kopland? Wie spreekt nog over Komrij, toch de paus van de Nederlandstalige poëzie geweest? Als ik tegen mensen zeg dat ik debuteerde in de Sandwich-reeks onder redactie van Gerrit Komrij, dan doet dat zelden nog bij iemand een belletje rinkelen. Evengoed kan ik beweren te zijn gedebuteerd onder redactie van Jos Vermeulen uit Zevekote.

Op een avond kreeg ik een mail van de hoofdredacteur van Knack Focus waarin werd medegedeeld dat ik niet langer kon meewerken aan Knack omdat de boekenrubriek werd geschrapt. Voortaan zou Focus die rol overnemen. Of alle freelancers verbonden aan de boekenrubriek zo’n mail kregen weet ik niet. Wat ik wel weet is dat sommigen zijn gaan blèten, tot bij Rik De Nolf, grote baas van Roularta toe, om te mogen aanblijven. Waar sommigen ook in geslaagd zijn.

Stellen dat het einde van de samenwerking mij koud liet is overdreven, maar het grote voordeel was dat ik terug wat meer tijd had voor mijn eigen literair werk. Er veranderde trouwens heel wat bij Knack in die tijd. Karl Van den Broeck vertrok. Rik Van Cauwelaert ook, naar De Tijd, samen met Koen Meulenaere.

Knack blijft een goed blad, maar door de literatuur eruit te gooien is het armer geworden. Het hoeft niet altijd over de grote economische, politieke en sociale issues te gaan. Ellenlange artikels over corona, over de regeringsvorming, over de Amerikaanse verkiezingen, over de vaccinatiestrategie… ik lees die graag, maar wie op tv de duiding volgt bij het nieuws heeft er geen boodschap aan. Die weet dat allemaal al. Ik houd van de speelse rubriek ‘Eindspel’ op de laatste bladzijde, die een korte vraag- en antwoordformule bevat. Ik houd meestal van de sportbijdrage van Jef Van Baelen, van het werk van Dirk Draulans, de aparte onderwerpen en stijl van Stijn Tormans. Een blad heeft lucht nodig en die zat ook in de boekenrubriek. Dat Focus in het boekengat is gesprongen is trouwens niet waar. Focus is er voor de filmfreaks, besteedt veel aandacht aan tv en muziek, is daarbij zeer vooringenomen, maar literatuur interesseert die redactie geen zier.

De beslissing om de boekenrubriek destijds uit Knack te halen was een verkeerde beslissing. Een van de grote misverstanden van deze tijd is dat bedrijven, organisaties, verenigingen et cetera menen dat ze zich voortdurend moeten vernieuwen. Vernieuwen, of ‘zichzelf opnieuw uitvinden’ zoals ze het graag noemen, klinkt hip, maar heel dikwijls wordt er veranderd om te veranderen. Nieuw tintje, nieuw kleurtje, nieuw geurtje. Ondernemingsnarcisme. Marketingterreur. Oude wijn in nieuwe zakken. Om bij de media te blijven, waarom is het nodig dat zenders regelmatig van naam en van logo veranderen? Waarom vliegt het decor van Het Journaal zowat elk jaar op straat om te worden ingeruild voor een ander? Inclusief andere generiek en andere tune. De kijker zit er niet op te wachten. Je wint er geen kijker mee en je verliest er geen kijker mee. Is het commercie? Wordt daar bij de VRT – andere zenders doen het ook, alle zenders doen het – iemand beter, rijker van? Het is weggesmeten geld. If it ain’t broken, don’t fix it.

Knack 50 jaar (2)

Niet lang voor ik door Karl Van den Broeck werd aangezocht om voor Knack bijdragen over literatuur, en meer in het bijzonder over poëzie, te leveren, had ik Poëzierapport opgericht. Het was de tijd van de weblogs. Ik had er een gemaakt voor mezelf, deze, en al spelend met de tool Blogger had ik stoemelings een andere weblog gemaakt. Ik besloot dichtbundels te bespreken en die op die weblog te publiceren. Poëzierapport moet door Karl Van den Broeck, behalve hoofdredacteur een kenner en liefhebber van literatuur én de zoon van een bekend en gewaardeerd auteur, zijn opgemerkt. Zo moet het gegaan zijn, zo kwam ik bij Knack terecht.

De poëzierecensiewebsite Poëzierapport had ik opgericht om twee redenen. Eén: ik schrijf graag. Twee: de aandacht in kranten en magazines voor poëzie werd almaar geringer, Poëzierapport moest de poëziekritiek een digitale boost geven. Het is dan ook ironisch dat ik, door een digitaal initiatief te nemen als antwoord op de tanende aandacht voor poëzie in de print media, zelf in de print media terechtkwam.

Door mijn werk voor Knack kon ik minder tijd besteden aan Poëzierapport. Ik trok een klein legertje mederecensenten aan en niet zomaar de eerste de beste. Willem Thies, Chrétien Breukers, Alain Delmotte e.v.a. kregen van mij carte blanche om hun stijl en hun poëzie-eruditie te etaleren en leverden uitstekend werk. Zo bleef Poëzierapport nog enkele jaren bestaan en werd het een begrip in letterenland. De voornaamste verwezenlijkingen van Poëzierapport zijn uiteindelijk geworden: een site die een aantal jaren talk of the town was, een schrijverskoppel en een prachtige bloemlezing met de allerbeste recensies. Die bloemlezing met als titel Dansen tot na sluitingstijd. Het beste uit Poëzierapport zou ik u te koop willen aanbevelen ware het niet dat ik zelf maar meer over één exemplaar beschik en dat het boek nergens nog te vinden is.

Ik heb in Knack tal van Nederlandse dichters onder de aandacht gebracht, maar minstens evenveel Vlamingen: Denoo, Pollet, Theunynck, Tritsmans, Heyman, Dangre, De Laere, De Crits, Verhegghe, Van Londersele, Van Tongele, Goudeseune, Rigolle, Lasoen, Gruwez, Deleu, Lecompte, Van hee, Vanhauwaert, Jooris, Mandelinck, Van den Driessche, Allewaert, Lasters, Leroy, Leenders, Declercq, Vranken, De Block, De Neef, Fierens, Van de Voorde, Troch, Eva Cox, Hans Claus… Ik besteedde aandacht aan het Poëziecentrum en de Poëziekrant, aan Het Liegend Konijn, aan de bloemlezing van Meander, aan de jubileumuitgave van Digther, aan de Gentse bloemlezing van Guido Lauwaert… het is haast te veel om op te noemen, deze opsomming is verre van volledig. Eén ding weet ik zeker. Een pak van die namen hadden met een andere recensent nooit de Knack gehaald wegens te min, te tweederangs of niet sexy genoeg. Criteria die ik nooit heb gehanteerd. Integendeel, zelf een dichter zijnde die weet hoe lastig het is om de aandacht van de media te trekken, besefte ik maar al te goed welke taak ik te volbrengen had, wat ik kon betekenen voor collega-dichters die kwalitatief werk maken dat zelden of nooit door de grote mediakanalen wordt opgemerkt.

Heb ik met wat ik middels Knack (en Poëzierapport) heb gedaan voor de Vlaamse en Nederlandse poëzie de erkenning gekregen die ik verdiende? Ik weet het niet. Ik kreeg van mensen uit het boekenvak wel eens een complimentje voor mijn heldere, niet-academische stijl. Er was appreciatie maar, al mijn inzet ten spijt, ook afgunst. Deed ik het voor de erkenning? Alles wat een mens doet doet hij voor erkenning. Maar het was vooral gewoon heel fijn om iets te doen wat ik graag deed en dat te mogen doen in het belangrijkste en beste nieuwstijdschrift van Vlaanderen.

Ik werd vaak aangesproken op mijn scherpe recensies. Die zogezegd scherpe recensies, dat is een perceptie die helemaal onjuist is en een eigen leven is gaan leiden. Ik mocht zelf de te bespreken bundels kiezen. Ik vond het heerlijk om de dichters van wie ik hield in het zonnetje te zetten. De negatieve besprekingen in Knack zijn op de vingers van een kapot gezaagde timmermanshand te tellen. Slechts één keer heb ik moedwillig de vitriool bovengehaald. Dat was om de in die tijd niet over het paard maar over een hele stoeterij getilde snoeshaan van een kaperkapitein op zijn plaats te zetten. Ik hoef zijn naam niet te noemen, iedereen weet wie de zelfvoldane halfzachte pseudo-neuroot is die zich aanstellerig de kaperkapitein noemt. De vrees dat de redactie het stuk niet zou willen publiceren bleek ongegrond. Integendeel, de mannen op de hoofdzetel in Evere vonden het enig.

De volgende keer of volgende keren een woordje over de eindredactie, over hoe twee dichters elkaar tijdens een interview bijna in de haren vlogen en over hoe mijn medewerking aan Knack eindigde.

Gedicht – Tomatensap

Elke dichter heeft in een al dan niet digitale lade gedichten liggen waarvan hij weet dat die een papieren publicatie onwaardig zijn. Omdat het gedicht niet goed genoeg is of omdat het niet past bij andere gedichten of omdat het een op zichzelf staand gelegenheidsgedicht is. Het gedicht hieronder is zo’n gedicht. tomsa

Het refereert aan de tijd dat ik literatuurrecensies schreef voor het weekblad Knack. Een keer heb ik de kantoren van Knack in Evere bezocht. Dat was ter gelegenheid van een (nieuwjaars?)drink. Aansluitend troonde hoofdredacteur Karl van den Broeck de betrokken freelancers en vaste redacteuren mee naar een redactievergadering in een café in Haren, tijdens dewelke stukken voor de boekenpagina’s werden overwogen, gepland en verdeeld onder de scribenten.

Soms zijn het de meest banale dingen die in het geheugen blijven haken. De drank werd opgenomen en ik herinner mij dat Karl een tomatensap bestelde. Dat iemand op café een tomatensap bestelt, da’s schrikken, ik overdrijf. De cafébaas, pen en bierkaartje in de hand, neemt de bestelling op. Pintje, pintje, witte wijn, cola, pintje, pintje en dan spreekt daar ineens iemand het woord ‘tomatensap’ uit. Ik meen mij ook te herinneren dat Karl, op het moment dat hij zijn drankje moest noemen, druk bezig was met papieren allerhande, in gesprek was, of beide, waardoor dat ‘tomatensap’ bijzonder achteloos klonk. Het is die achteloosheid die ervoor zorgde dat dit voorval mij is bijgebleven. Mocht Karl gezegd hebben: ‘Ik ga eens zot doen, geef mij maar een tomatensap,’ dan had dit tafereel zijn historische waarde stante pede verloren. Karl deed niet zot, dat lag niet in zijn aard. Karl heeft thuis in zijn kelder een niet te overschouwen vlakte aan brikken of flessen tomatensap staan.

Waarom is dit geen goed gedicht? De titel is te impulsief gekozen. De eerste en tweede strofe kunnen er nog mee door. Dat van die indianen klopt. Karl van den Broeck begon later de nieuwswebsite Apache. De regel ‘ik was daar voor een planning literatuur‘ is niet sterk, maar toch ook weer wel. Hoe planning literatuur? Wat planning literatuur? Voorts, de suggestie dat iemand die geen journalist is zich journalist waant tot op het moment dat iemand een tomatensapje vraagt, is in wezen niet logisch. Waarom zou iemand die zich door de omstandigheden even journalist waant, zich uit het lood laten slaan door een sapje. Of wordt hier geïnsinueerd dat journalisten alcoholici zijn, dat de ik-persoon, zelf een behoorlijke drinker, wat eveneens een insinuatie is, met dat idee naar Haren afzakte en door het tomatensapje uit zijn journalistenlood werd geslagen?

Met het sap werd een specerij geleverd die ik / nog altijd niet kan plaatsen.‘ We hebben Google! Zoek het op, man, wat tomatensapslurpers zoal in hun glas of tas kieperen! ‘Tot zover mijn wedervaren in een bruine kroeg in Haren‘, is enerzijds grappig omdat de ik-persoon niets anders belangwekkend genoeg acht om te melden. Maar aan de andere kant sterft het gedicht hier een weinig opwindende dood. En dat is een euvel waar veel gedichten mee kampen, dat je na het lezen ervan denkt: ja? en? was dit het?

Het gedicht ‘Tomatensap’ is niet goed, maar ook niet barslecht. De klankkleur met de a- en aa-klanken, respectievelijk 27 en 16 in aantal, als ik goed heb geteld, mag er zijn. Ik houd van gedichten met één of twee overheersende klanken.

Ik ben niet tuk op gelegenheidsgedichten en zeker niet als een dichter ze massaal in een bundel opneemt. Het heeft iets hautain, gedichten aan anderen opdragen. Kijk eens hoeveel vriendjes ik heb! Artistieke vriendjes natuurlijk. Ook voor de ontvanger van het gedicht moet het niet altijd een pretje zijn. Ik kan me niet voorstellen dat Karl van den Broeck zich bijzonder vereerd zou voelen als hij leest dat ik hem vooral associeer met een glas tomatensap. 

Overigens is tomatensap vies. Ik heb het ooit uitgeprobeerd, maar dan zonder die specerij, die ik dus nog moet googelen. Hoewel ik graag tomaten lust, kreeg ik het sap niet door mijn strot geperst.