Fototentoonstelling Roeselare: K-Trolle

Dat mijn eerste grote expositie doorgaat in K-Trolle te Roeselare mag geen verrassing heten. Ik stond er al een aantal keer op het podium tijdens poëzieavonden ingericht door Obsidiaan. Noem K-Trolle geen kroeg, het is een cultuurcafé, de uitvalsbasis van een vzw die tal van activiteiten inricht. Neen, noem K-Trolle geen kroeg, kroeg doet denken aan lallende tooghangers en een vloer die plakt van het bier, en dat is K-Trolle helemaal niet. Je treft er een divers publiek aan.

De ruimte is bijzonder smaakvol ingericht. K-Trolle is een feest voor de ogen. Wat ik persoonlijk ook fijn vind, is dat K-Trolle groot genoeg is om er rustig plaats te nemen, zonder dat andere bezoekers in je rug beuken of in je nek ademen. Op frisse avonden brandt er een weldadig haardvuur. Behalve de uitgebreide drankenkaart is er ook een kleine menukaart.

Wie de website van K-Trolle bezoekt, komt op de homepagina terecht en ziet daar een kerel ietwat dromerig en somber de lens in kijken. Dat is Jurgen, de patron. Schrik niet als u tijdens uw bezoek aan K-Trolle wordt aangesproken door een goedlachse, kortgeknipte, baard- en snorloze, aardige vent met een twinkel in zijn ogen. U zult hem niet herkennen, maar het is dezelfde Jurgen. Hij en zijn team zullen u met alle egards ontvangen.

En in de bovenzaal hangen mijn foto’s.

Voor wie van ver komt, K-Trolle en mijn tentoonstelling zijn perfect te combineren met een bezoek aan het vernieuwde wielermuseum KOERS of een verkwikkende wandeling in het Provinciedomein Sterrebos met zijn prachtig kasteel. Wie graag shopt kan terecht in de nabijgelegen winkelstraten.

Het ritme van de koers

Een koersliefhebber beleeft de jaarcycli op het ritme van de wielerkalender. Door de gevolgen van de pandemie, wordt dat ritme dit jaar verstoord. In een virusvrije wereld zou vandaag de amuse-gueule Nokere Koerse verreden worden.

Voor de wielerfan eindigt de winter als de laatste cyclocross wordt betwist en het Vlaamse wegseizoen een aanvang neemt. Met Milaan-San Remo is de lente definitief in het land. De vier zondagen van april, de wreedste maand voor de klassieke renners, zijn voorbehouden aan achtereenvolgens de Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix, de Amstel Gold Race en Luik-Bastenaken-Luik. De Tour de France betekent hoogzomer, die eindigt – ik overdrijf, de Tour eindigt ver in juli, dan is het nog volop zomer, maar het voelt aan alsof de zomer dan al het einde nadert – de dag dat de renners de Champs-Elysées oprijden. De Clasica San Sebastian valt in de wielrenluwe maand augustus waardoor de half en half koersliefhebber deze wedstrijd wel eens durft te missen. Dan, als menig blad afscheid neemt van zijn tak, is het uitkijken naar het WK, de laatste echte smulpartij van het wielerjaar. Lombardije is een heerlijke pousse-café, maar draagt al de tristesse van de woedende herfst in zich. Vervolgens is de tijd daar dat de veldrijders weer door de modder klieven, het visitekaartje van een nieuwe winter.

En zo gaat het maar door, jaar na jaar na jaar. Het kan vriezen begin april, het kan dooien, het kan terrasjesweer zijn, er kan sneeuw liggen, maar de Ronde van Vlaanderen gaat door de eerste zondag van april. Basta. Maar niet dit jaar. Het wielerklimaat is ontregeld, het echte klimaat was dat al (beweren sommigen).

Wielerbeelden zijn kapstokken waaraan herinneringen ophangen. Ik was als kleine jongen met mijn ouders bij mijn grootmoeder aan moeders zijde, toen Frans Verbeeck tegen Fred zei dat Merckx vijf kilometer per uur te snel reed. ‘Snel’ zei hij en niet ‘rap’ zoals velen denken. Diezelfde kleine jongen was, alweer met zijn ouders op alweer een zondag (denk ik), een snikhete, bij zijn oom en tante op de boerderij toen Lucien Van Impe in zijn bolletjestrui een gooi deed naar het geel en naar zijn eerste – enige weten we nu – Tourzege. Nog een voorbeeldje uit de losse pols? Ik was op een familiefeest en verliet met enkele andere mannen de zaal, om in een belendende kroeg nog net te zien hoe Maurizio Fondriest de regenboogtrui pakte. Gebeurtenissen, veelzeggend of nietszeggend, hechten beter aan de hersenschors als er een wielerbeeld aan vastkleeft.

Geldt ook voor andere sporten. Ik zag bij wederom een andere oom en tante – ja, ik heb of had er nogal wat – hoe de Rode Duivels, die toen nog niet zo heetten, een pak voor de broek kregen van Cruijff en co. Ik zoek het op en weet dat het op zondag 25 april 1976 moet zijn geweest. 5-0 en niet 8-1 of 10-1 zoals ik dacht, want heel af en toe durven die herinneringen mij ook wel eens om de tuin te leiden. 8-1 en 10-1 zullen scores zijn van andere wedstrijden, ergens diep weggemoffeld in mijn hoofd (10-1: België-San Marino?). Ik weet niet of wij in 1976 thuis al kleuren-tv hadden. Het zou kunnen van niet, want nooit in mijn leven zag ik oranje dat meer oranje was dan toen die truitjes van de spelers van het Nederlands elftal. Ik herinner mij ook de bewondering van mijn nonkels voor die ‘Ollanders’ en het hoongelach voor onze landgenoten. Nochtans waren, als ik de opstellingen er even bij neem, onze nationale sjotters ook geen sukkelaars.

Was het dat felle oranje dat de sportinteresse in de 11-jarige jongen die ik toen was geweldig aanwakkerde? In elk geval, enkele maanden later, datzelfde jaar 1976, begonnen in Montreal de Olympische Spelen. Er zijn geen Olympische Spelen die ik mij beter herinner dan die van 1976.