De Nina Derwael-gekte

Een nieuwe brug naar Nina Derwael vernoemen? Ach, schei toch uit met die onzin.

Wedden dat Filip Watteeuw, net zoals 99,9% van de rest van de Belgen, vóór de Spelen nooit langer dan vijf seconden naar een turncompetitie met of zonder Nina Derwael heeft gekeken. En ineens moet een brug, die al was toegewezen aan een vrouw die rond de wereld heeft gezeild, naar Derwael worden genoemd.

Gekte is het. Domme, kortzichtige gekte. De waan van de dag. Van een schepen mag je verwachten dat die daar niet in meegaat. Of dat die toch even de tijd neemt om zijn idee te overpeinzen voor het in de pers te gooien. En na overpeinzing kan hij niet anders dan inzien dat het een slecht idee is.

Het is niet dat Nina Derwael het klimaat heeft gered of de wereldvrede bewerkstelligd. Ze heeft gedurende twintig seconden rond twee horizontale stokken gedraaid en deed dat beter dan zeven anderen. Kunnen we effe normaal doen?

Greg Van Avermaet, Rio, 2016

Zaterdag wordt in Tokio de olympische wegrit gereden en is Greg Van Avermaet olympisch kampioen af, tenzij hij zichzelf opvolgt. Hoewel, olympisch kampioen blijf je eigenlijk levenslang, maar de gouden helm zal hij niet meer dragen.

De wegrit in Rio de Janeiro is een van de meest beklijvende koersen die ik ooit heb gezien. Het parcours was zo zwaar dat iemand als Peter Sagan, toen nog een sterkere Sagan, zijn kat stuurde. Geen spek voor zijn bek. Onrechtstreeks wilde hij daarmee zeggen dat types als Van Avermaet daar ook niks te zoeken hadden.

Op de laatste helling van de dag moest Van Avermaet lossen, maar hij kon de achterstand beperken. Nadat twee van de drie koplopers risico’s namen in de afdaling en het decor in vlogen, kwam de Pool Majka alleen op kop. Hij leek op weg naar goud tot Van Avermaet samen met de altijd strijdvaardige Jakob Fuglsang de achtervolging inzette. De lange weg naar Copacabana leverde een bloedstollende finale op. Van Avermaet maakte het af in de spurt.

Capitol Hill

Gisteren wilde ik een stukje over onze democratie, dat al een tijdje in de steigers staat, afwerken toen het nieuws en de beelden binnen sijpelden van wat er in de Verenigde Staten aan de gang was. Ik borg mijn woorden op, want wat kan ik, simpele ziel uit de Vlaanders, daaraan toevoegen? Ik kom niet verder dan enkele bedenkingen en vragen die ik hieronder lukraak uitsmeer.

Neem die man zo snel mogelijk zijn macht af, of straks drukt hij nog op de een of andere rode knop.

Wat is erger: één Trump of al die volgelingen? (Retorische vraag.)

Hoe kan het dat die povere hillbillies een rijkaard achterna lopen die ze eigenlijk zouden moeten verafschuwen?

Mensen zijn kwaad, ja, mensen zijn kwaad, dat wisten we al. Overal ter wereld zijn mensen kwaad, op iedereen en niemand, op alles en niets. Wat gaan we daaraan doen?

Alles begint met degelijk onderwijs en een gedegen opvoeding. Ik zie de neerwaartse trend op beide vlakken niet meteen ombuigen, integendeel.

Ik ben 56 jaar oud. Wanneer heb ik voor het eerst in mijn leven gezegd: ‘Het gaat voortaan alleen nog maar bergaf met onze planeet. Ik zal het bij leven niet meer beter weten worden’?

Op de nieuwssites stond onlangs het bericht te lezen dat de een of andere epidemioloog beweert dat we een nieuwe ‘roaring twenties’ tegemoet gaan, een era van bloei, plezier, hedonisme en veel sociaal contact.

Ja, en ik win dit jaar de Ronde van Frankrijk en het polsstokspringen op de Olympische Spelen in Tokio, waarna ik op blote voeten en achteruitlopend de Mount Everest zal beklimmen.

Misschien bedoelde die koekenbakker dat iemand op zijn muil slaan ook een vorm van sociaal contact is?

Wie fatsoenlijk en rechtschapen is, wordt hoe langer hoe meer aanzien als een paria die niet goed bij zijn hoofd is.

In welke wereld zullen de kinderen die vandaag geboren worden terechtkomen? Ja, Georges van Aert, ik heb het over u.

Waarom denk ik, als ik aan Donald Trump denk, ook aan Lamkel Zé?

Sommigen mensen noemen mij een cynicus. Begrijpen die dan niet dat cynisme een hartenschreeuw is om het tegenovergestelde? Zie ook de heer H. Brusselmans uit G. e.a.

Elk nadeel heeft zijn voordeel. Wat gisteren op Capitol Hill is gebeurd, het ondenkbare, het overdrevene, zal uiteindelijk ook leiden tot een forse reactie ten goede. Hoop ik.

Om Lévi Weemoedt te citeren: ‘Is er nog hoop? Ja, een hoop ellende.’

En toch moeten we blijven hopen.

De sportzomer van 2020

Het zal niemand verbazen dat ik een sportliefhebber ben. De sportwereld is namelijk ook een soort van schijnwereld. Gevonden vreten dus voor een dichter/fotograaf die in zijn werk ook met graagte een loopje neemt met de werkelijkheid zoals die zich aan onze ogen ontrolt.

Neem nu tennis bijvoorbeeld. Dat is niets anders dan twee mannen (of twee vrouwen of vier mannen of vier vrouwen of een evenredig over beide geslachten gemengd viertal) die over een net een balletje naar elkaar slaan met behulp van een koekenpan met gaatjes. Als je met die gedachte in je achterhoofd naar het spelletje kijkt, dan heeft het iets redelijk ridicuuls. Er is rond die eenvoudige handeling, die door topspelers qua snelheid en techniek tot in de perfectie is verfijnd, een hele cultus ontstaan. En, niet onbelangrijk, wie er goed in is, in het terugslaan van dat balletje over het net, kan er heel rijk van worden.

Als je alle sporten ontdoet van het glamoureuze jasje en de poespas die er omheen hangt, dan merk je dat het eigenlijk simpele spelletjes zijn: in groepsverband proberen een bal in een kooi te trappen terwijl een andere groep dat tracht te beletten, een balletje in gaten in de grond mikken, hard met de fiets rijden, pijltjes naar een rond blok hout gooien, met behulp van een hele rechte tak harde ivoren ballen mikken in gaten die zijn aangebracht in een tafel, een bal in een korf of in een ring waaraan een net hangt gooien enzovoort enzovoort.

Ik heb altijd een dubbel gevoel gehad bij de poespas die rond het hele sportgebeuren hangt. Ik houd niet echt van eindeloze voor- en nabeschouwingen en omkaderende blablabla, en aan de andere kant toch ook weer een beetje wel. Ik mag graag kijken naar bijvoorbeeld Extra Time met voetbalbeest Filip Joos, of De Kleedkamer, en eerder heb ik hier al de loftrompet gestoken over Wereldrecord met Maarten Vangramberen.

Dat die poespas stilaan een eigen leven is gaan leiden, wordt in deze tijd, waarin alle sportevenementen zijn afgelast, overduidelijk. Er valt nul komma nul sport te beleven, maar er is wel elke dag sportnieuws in het journaal. Non-nieuws. En nu er geen echte sportwedstrijden zijn, verzint men wel een afkooksel. Zo vindt morgen de Ronde van Vlaanderen op rollen plaats. Dertien renners zullen de laatste 32 km van de Ronde rijden in hun eigen woonkamer, op de rollen. Met commentaar van Michel en José. Dit zou een sketch kunnen zijn in De Ideale Wereld, maar het gaat echt gebeuren. De kijkcijfers zullen fenomenaal zijn, want dit wordt hopelijk een eenmalige gebeurtenis in de vaderlandse sportgeschiedenis. Memorabel tot het einde van mijn tijd, net zoals de befaamde Nederland-België in de vrieskou op weg naar Mexico, net zoals de onvergetelijke België-Sovjet-Unie op datzelfde WK in Mexico – wie toen in zijn bed is gekropen omdat het al zo laat was, omdat er de dag nadien een examen moest afgelegd worden of omdat de Belgen er tot dan toe niks van bakten en eigenlijk tegen die magistrale Russen geen schijn van kans maakten, heeft het zich al zijn hele leven beklaagd -, net zoals Greg Van Avermaet die in Rio op de laatste helling van de dag krampachtig aanklampte, enkele concurrenten uit de bocht zag vliegen om uiteindelijk tot ieders verbazing Olympisch kampioen te worden, net zoals Mathieu Van der Poel die op onwaarschijnlijke wijze de Amstel Gold Race won, net zoals… vul naar eigen smaak zelf maar aan.

De uitdrukking ‘brood en spelen’ heeft een negatieve bijklank: geef de mensen eten en amusement en ze houden zich koest. Te negatief lijkt mij. Ik zie het meer als een noodzakelijk samengaan van realiteit en fantasie, van de grote, harde echte wereld met de gekunstelde, fantasierijke schijnwereld. Fantasie is nodig en onontbeerlijk, dat wist ik al toen ik als kind allerlei spelletjes uitvond louter voor mijn eigen vermaak.

Het ritme van de koers

Een koersliefhebber beleeft de jaarcycli op het ritme van de wielerkalender. Door de gevolgen van de pandemie, wordt dat ritme dit jaar verstoord. In een virusvrije wereld zou vandaag de amuse-gueule Nokere Koerse verreden worden.

Voor de wielerfan eindigt de winter als de laatste cyclocross wordt betwist en het Vlaamse wegseizoen een aanvang neemt. Met Milaan-San Remo is de lente definitief in het land. De vier zondagen van april, de wreedste maand voor de klassieke renners, zijn voorbehouden aan achtereenvolgens de Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix, de Amstel Gold Race en Luik-Bastenaken-Luik. De Tour de France betekent hoogzomer, die eindigt – ik overdrijf, de Tour eindigt ver in juli, dan is het nog volop zomer, maar het voelt aan alsof de zomer dan al het einde nadert – de dag dat de renners de Champs-Elysées oprijden. De Clasica San Sebastian valt in de wielrenluwe maand augustus waardoor de half en half koersliefhebber deze wedstrijd wel eens durft te missen. Dan, als menig blad afscheid neemt van zijn tak, is het uitkijken naar het WK, de laatste echte smulpartij van het wielerjaar. Lombardije is een heerlijke pousse-café, maar draagt al de tristesse van de woedende herfst in zich. Vervolgens is de tijd daar dat de veldrijders weer door de modder klieven, het visitekaartje van een nieuwe winter.

En zo gaat het maar door, jaar na jaar na jaar. Het kan vriezen begin april, het kan dooien, het kan terrasjesweer zijn, er kan sneeuw liggen, maar de Ronde van Vlaanderen gaat door de eerste zondag van april. Basta. Maar niet dit jaar. Het wielerklimaat is ontregeld, het echte klimaat was dat al (beweren sommigen).

Wielerbeelden zijn kapstokken waaraan herinneringen ophangen. Ik was als kleine jongen met mijn ouders bij mijn grootmoeder aan moeders zijde, toen Frans Verbeeck tegen Fred zei dat Merckx vijf kilometer per uur te snel reed. ‘Snel’ zei hij en niet ‘rap’ zoals velen denken. Diezelfde kleine jongen was, alweer met zijn ouders op alweer een zondag (denk ik), een snikhete, bij zijn oom en tante op de boerderij toen Lucien Van Impe in zijn bolletjestrui een gooi deed naar het geel en naar zijn eerste – enige weten we nu – Tourzege. Nog een voorbeeldje uit de losse pols? Ik was op een familiefeest en verliet met enkele andere mannen de zaal, om in een belendende kroeg nog net te zien hoe Maurizio Fondriest de regenboogtrui pakte. Gebeurtenissen, veelzeggend of nietszeggend, hechten beter aan de hersenschors als er een wielerbeeld aan vastkleeft.

Geldt ook voor andere sporten. Ik zag bij wederom een andere oom en tante – ja, ik heb of had er nogal wat – hoe de Rode Duivels, die toen nog niet zo heetten, een pak voor de broek kregen van Cruijff en co. Ik zoek het op en weet dat het op zondag 25 april 1976 moet zijn geweest. 5-0 en niet 8-1 of 10-1 zoals ik dacht, want heel af en toe durven die herinneringen mij ook wel eens om de tuin te leiden. 8-1 en 10-1 zullen scores zijn van andere wedstrijden, ergens diep weggemoffeld in mijn hoofd (10-1: België-San Marino?). Ik weet niet of wij in 1976 thuis al kleuren-tv hadden. Het zou kunnen van niet, want nooit in mijn leven zag ik oranje dat meer oranje was dan toen die truitjes van de spelers van het Nederlands elftal. Ik herinner mij ook de bewondering van mijn nonkels voor die ‘Ollanders’ en het hoongelach voor onze landgenoten. Nochtans waren, als ik de opstellingen er even bij neem, onze nationale sjotters ook geen sukkelaars.

Was het dat felle oranje dat de sportinteresse in de 11-jarige jongen die ik toen was geweldig aanwakkerde? In elk geval, enkele maanden later, datzelfde jaar 1976, begonnen in Montreal de Olympische Spelen. Er zijn geen Olympische Spelen die ik mij beter herinner dan die van 1976.