20 jaar dichter (4)

Bladerend in Inbreng nihil, mijn tweede bundel die volgde anderhalf jaar na Niets met jou, lees ik gedichten die ik me onmogelijk nog herinner. Andere zijn dan weer erg vertrouwd. De ene heb ik nooit voorgelezen tijdens lezingen of festivals, de andere heel vaak.

Een gedicht niet brengen op een podium heeft niets te maken met de kwaliteit ervan. Een dichter moet het de luisteraars niet al te moeilijk maken. Luisteren is lastig. Je moet vermijden dat de toehoorders wegdromen omdat ze niet kunnen volgen. De keuze van voorleesgedichten is daaraan ondergeschikt.

Het valt met de goorheid, waar ik het in deel 3 van deze rubriek over had nog aardig mee in Inbreng nihil. Maar om te tonen dat ik mondjesmaat een gewaagder register opentrok, kies ik uit die bundel voor ‘Er is leven op spuug’.

Er stromen menselijke sappen in dit gedicht. Niet voor de eerste keer en niet voor de laatste keer. Het is een thema dat geen enkele recensent of inleider ooit heeft te berde gebracht. Het gaat altijd over hilariteit en absurde wereld en vervreemding en de bizarre kijk op het gewriemel van de mens.

Dat is allemaal waar. Maar de mens is in de eerste plaats een vochtige zak slachtafval in wording. Misschien is die visie mijn manier om me niet te moeten verzoenen met de dood die vroeg of laat onvermijdelijk zal langskomen. Ik ben vooralsnog geen fan van doodgaan. Meer zelfs, ik ben doodsbang – what’s in a name?

ER IS LEVEN OP SPUUG

De op een na laatste man mijmerde over het gemak waarmee 
hij alles en iedereen had overleefd. Pas jaren later stelde hij 
vast dat de souplesse in wervelkolom hem toeliet om
moeiteloos met de mond zijn genitaliën te beroeren. 

Aanvankelijk hield hij niet zo van de smaak, maar het wende, 
en in de herfst van zijn bestaan spoog hij zich een zoon die 
evenmin de laatste zou zijn geweest, ware het niet dat de jongen 
qua spinale mogelijkheden minder bedeeld was dan zijn vader. 

De werkelijk laatste man rochelde zich de pleuris en herschiep 
de aarde in één grote klodder spuug. In het schuimende speeksel 
ontwikkelde zich de primaire vorm van iets wat eerder niet bestond. 
Jakkes was de gedachte. Evolutie het woord. 

                                                 ===================
Advertentie

20 jaar dichter (3)

20 jaar geleden verscheen mijn debuutbundel Niets met jou. Als het eerste nummer in de prestigieuze Sandwich-reeks onder redactie van Gerrit Komrij, werd daar dan altijd aan toegevoegd, zeker in de tijd dat Komrij nog leefde.

Ik heb eerder op dit weblog al eens gedichten uit Het dikke meisje en de ziener van commentaar voorzien. Het is not done, maar het werd gesmaakt. Ik wil nu hetzelfde doen met een aantal gedichten die ik de voorbije 20 jaar publiceerde, gespreid over 7 bundels.

OEVERS 

Ik probeer het mij soms voor te stellen: 
thuiskomen bij jou,  
je hangt het natte goed te drogen,  
groet me zacht zonder zoen 
met roodomrande ogen.  

Je zoon roept pang pang en om zijn vader  
terwijl hij met zijn vinger naar me schiet.  
Je zegt het wordt wel beter later,  
ik knik van ja maar vrees van niet

want hoezeer ik jij en jij mij graag ziet  
bestaat evenveel als een mens uit water  
de liefde uit verdriet. 

Een gedicht wordt sterker als je het in de ik-vorm schrijft, heb ik altijd beweerd. In nieuw werk, dat mijn werkkamer nog niet verlaten heeft, probeer ik af en toe wat komaf te maken met dat Everyman-gedoe. Je kunt ook een Pol, Barbara of Abdullah opvoeren. Of de hond Fifi, of de kat Fluffie.

In ‘Oevers’, in mijn beginjaren een van mijn lievelingsgedichten, kruip ik in de huid van een man die in een nieuw samengesteld gezin met stiefkind is beland. Dat stiefkind lust hem niet en de relatie tussen de partners lijdt daaronder. Relationele sores heeft mij altijd geboeid. Dat hoeft niet te verwonderen. Zowat alle boeken, films, popsongs … gaan over relationeel gedoe.

‘Oevers’ was een van mijn lievelingsgedichten omwille van de tweede strofe die ik nog altijd fantastisch vind. Maar in strofe drie maak ik het gedicht beduidend minder sterk. Stel dat de wijsheid die erin voorkomt waar zou zijn, dan nog heeft de dichter, ik dus, er zich al te gemakkelijk van af gemaakt. Het gedicht verdiende na die beeldende tweede strofe een betere uitwerking.

Ik had misschien ook de omwille van de klank bewuste taalfout ‘ik jij’ niet moeten maken. Er zijn poëziewatchers die begrippen als ‘graag zien’, ‘liefde’ en ‘verdriet’ onduldbaar vinden in poëzie. Ik ga niet zo ver. Als het past in een gedicht kun je dergelijke ‘grote woorden’ gebruiken.

Ideaal is dat je de ongeschreven wetten van de poëzie een neus zet door met die verboden woorden iets groots uit de mouw te schudden. Dat had ik in gedachten, maar hoewel de slotstrofe niet superslecht is, had ik dit beter moeten doen. Ik had het beeldende van de tweede strofe moeten voortzetten. Show, don’t tell, weet je wel.

‘Oevers’ werd niet opgenomen in mijn verzamelbundel Grootste Hits! De Jaren Nul, die een nochtans ruime selectie bevatte uit mijn eerste drie publicaties. Dat had te maken met die mindere strofe, maar ook met mijn ontwikkeling als dichter.

Tegen de tijd dat Grootste Hits! De Jaren Nul verscheen, eind 2009, had ik mijn poëtische invloeden al lang de rug toegekeerd. In de loop van het eerste decennium van deze eeuw ontdekte ik dat poëzie ook onnozel en goor mag zijn in plaats van lieflijk en sereen. Liefst zelfs.

Mijn statuut veranderde gaandeweg van ‘Ontdekking van de Dichter Des Vaderlands’, voor wie een journalist van De Morgen in het holst van de nacht – nou nou, het was laat, winter en donker, maar toch niet het holst van de nacht, overdrijf je nu niet een beetje, Hoorne? – allerijl het Vlaamse land doorkruiste om mij toch maar als eerste te kunnen interviewen, naar poëtische outcast. Daarover meer in de volgende afleveringen.

===================

20 jaar dichter (1)

In november is het 20 jaar geleden dat mijn eerste dichtbundel verscheen. Niets met jou. Daar wordt dan soms aan toegevoegd: ‘het 1ste deel in de Sandwich-reeks, onder redactie van Gerrit Komrij’.

Ter gelegenheid van die 20ste verjaardag wil ik de komende weken even terugblikken op de zeven bundels die in die 20 jaar verschenen. Ik zal dat terug doen door geregeld een gedicht te posten met daarbij enig commentaar van mezelf.

Het is not done om als dichter commentaar te geven op je eigen werk, wordt wel eens gezegd, maar hé, in de muziek en in andere kunsten gebeurt het voortdurend.

===================

Kleuter uit Izegem redt de planeet

Ik zag een man uit Izegem, die ik al jaren ken. Vaag ken. Opeens zegt hij: ‘De manier waarop jij dat daar aanpakte met die kleuters, fantastisch was dat. Ik zal dat nooit vergeten. Mijn dochter zat toen in dat klasje van juffrouw Bernadette.’

Kleuters? Ik heb maar één keer iets gedaan voor kleuters, dus ik weet waar hij op doelt, maar de herinneringen aan die dag, een voormiddag geloof ik, lijken verzwolgen door de tijd. Het enige wat ik mij nog meen te herinneren is dat ik, toen ik van mijn auto naar het schooltje liep, bij mezelf dacht: waar ben ik aan begonnen? Maar juffrouw Bernadette had het zo mooi gevraagd. En dat de kleuters op de grond zaten (op kussentjes?) en ik op een stoel (stoeltje? waarschijnlijk te klein voor mijn postuur). En dat de ouders er het laatste uurtje of zoiets bij mochten komen.

Na enig zoeken vind ik de foto, die op het einde van de voormiddag genomen werd. Bellevue heette het schooltje. Nooit van gehoord, zou ik antwoorden als iemand mij die naam voor de voeten zou gooien, maar dat klopt dus niet. Verder staat onder de foto vermeld dat er een dansversje werd aangeleerd. Was ik daarbij? Ik heb zeker niet gedanst, dat zullen de juffen wel geweest zijn.

En dat mijn bundel, mijn enige bundel die ik op dat moment had gepubliceerd – de foto moet dateren van het jaar 2004 of daaromtrent – niet Niets met jou heet maar Niet met jouw. En dat het een kinderboek is. Ha, die journalisten toch. Als je het niet allemaal voor ze opschrijft, maken die er gegarandeerd een potje van.

Ik kan niet stoppen met te kijken naar deze foto. Wat was er met mijn haar aan de hand? Ik lijk wel de dikke broer van Xavier Roelens. Ik draag mijn blauw dichtershemd met witte knopen en mijn zwarte trui die ik tot en met de col kan dichtritsen, en die ik na bijna 20 jaar nog altijd draag om te fietsen of te wandelen, als de temperatuur dat vereist. Of is dat mijn blauwe jasje, ook nog altijd niet versleten?

Maar het zijn vooral de kleuters die mijn aandacht vasthouden. Wat een leuke bende. Jazeker, ik ben van mening dat koppels met een kinderwens niet één, twee, drie, maar wel tien keer moeten nadenken voor ze aan kinderen beginnen. In de hoop dat ze van al dat nadenken al geen goesting meer hebben. Eenmaal geboren kun je ze echter niet meer terug naar af duwen.

Maar op jonge leeftijd, laat ons zeggen tot en met juffrouw Bernadette’s klasje, zijn kinderen best leuk. Daarna heel vaak niet meer. Wat de natuur met vruchtbare vrouwen doet is dit: overal om hen heen baby’s, peuters en kleuters laten opduiken, zodat die vrouwen denken: ik lust ook wel zo’n schattig wezentje.

De bengels en bengelinnetjes op de foto zijn inmiddels vooraan in de twintig. Je trof ze de voorbij dagen misschien met een beate glimlach en met van die idiote glinsters op hun kop aan op Tomorrowland. Of ze maken over enkele weken lallend en zwalpend Kamping Kitsch onveilig. Hoeveel nemen er regelmatig drugs? Welk jongetje slaat zijn vrouw? Welk meisje steelt in de supermarkt? Wie is de witteboordencrimineel?

Neen, sorry, ik mag zo niet denken. Opnieuw. Welke jongen slooft zich als vrijwilliger uit in de overstroomde gebieden? Wel meisje is een heldin in de zorg. Wie helpt al eens een oud vrouwtje de straat oversteken? Wie doneert elk jaar aan Kom Op Tegen Kanker? Wie staat op het punt een uitvinding te doen die de planeet zal redden?

Het dikke Wikipedia-meisje en de literaire ziener uit Nederland

Af en toe moet je jezelf eens googelen. Het wordt beschouwd als een daad van ijdelheid, maar ik doe het vooral om te achterhalen of er op het net iets rondwaart over mij dat ik zelf nog niet wist.

Zo ontdek ik vandaag een recensie van Het dikke meisje en de ziener op Literair Nederland, van de hand van docent Nederlands Hettie Marzak. Ik ben er verguld mee. De nagel wordt hier door mevrouw Marzak meer dan eens op zijn kop geslagen.

Eveneens vandaag ontdek ik dat er van mij een Wikipedia-pagina bestaat. Het is op die pagina trouwens dat ik de in voorgaande alinea genoemde recensie terugvond.

Vogeltje

Mijn gedicht ‘Vogeltje’ uit mijn debuutbundel Niets met jou en mijn compilatiebundel Grootste Hits! De Jaren Nul is opgenomen in de bloemlezing Van vogels krijg je nooit genoeg, samengesteld door Jan de Bas en Arie Bijl.

Bij de hyperlinks hierboven bevindt er zich een naar een interview dat ik gaf aan Knack. Ik wist dat Grootste Hits! De Jaren Nul door Bart Van der Straeten gerecenseerd werd, maar ik wist niet meer dat daar een kort interview aan gekoppeld was. Ik stel vast dat ik dertien jaar later nog altijd achter de uitspraken sta die ik toen deed.

Korte nieuwtjes

In het mooie, rijkelijk geïllustreerde boek Natuur in Almere van Richard Bosker en Hanneke Weug is mijn gedicht ‘Vlinder’ opgenomen. Het gedicht werd ooit gepubliceerd in Het Liegend Konijn, maar ik heb het om een reden die mij niet duidelijk is nooit opgenomen in een bundel.

Op het literaire platform Roer, waarvoor ik maandelijks een gedicht bespreek in de rubriek Uitgelicht, ga ik aan de hand van drie van mijn eigen gedichten in gesprek met een redacteur. De gedichten ‘Koeman’, ‘Darwin’ en ‘Sujet’ zijn aan het gesprek gelinkt.

Poëziewedstrijd Harelbeke

Op zaterdag 5 februari houdt de Stad Harelbeke in het CC het Spoor de Dag van het Woord, een jaarlijks terugkerend dagvullend poëzieprogramma, dat uitzonderlijk vorig jaar werd afgelast omwille van corona.

Mijn bijdrage aan die dag heb ik dan al grotendeels volbracht, nl. jureren in het kader van de Poëziewedstrijd en het schrijven van een juryrapport.

Op de Dag van het Woord voltrekt zich de apotheose. Om 10 uur is er Poëzie met Kruimels. Dit onderdeel van de Dag van het Woord is veel meer dan rap rap de winnaars van de wedstrijd afhaspelen. Er komt altijd een dichter of woordkunstenaar zijn of haar kunstjes tonen en de leerlingen van de plaatselijke academie zorgen voor bijzonder gesmaakte muzikale intermezzi.

De apotheose van de apotheose is dan de bekendmaking van de winnaars van de Poëziewedstrijd in de jongeren- en de volwassenencategorie, én de aanmoedigingsprijs voor een -16 jarige. Iedere winnaar leest één ingezonden gedicht voor, neemt dan het applaus, de cheque en de geschenken in ontvangst. Het is voor die gasten echt een moment de gloire. Altijd mooi om die ongeveer tienkoppige bende te zien stralen. Een mens leeft immers van erkenning.

Iedereen kan erbij zijn, bij de Poëzie met Kruimels, mits aanmelding vooraf. Er is koffie en er zijn koffiekoeken, waar ik meestal uit noodzaak zo goed als van afblijf, omdat ik op het einde van de voormiddag een van de twee juryrapporten declameer. Met een mond vol kruimels en een door koffie aangezwengelde blaasfunctie gaat dat niet zo best. Professionaliteit voorop, zo ken ik mezelf. Na Poëzie met Kruimels wordt er in de foyer nog een glaasje aangeboden. Als ze iets doen in Harelbeke, doen ze het goed. En dan is de Dag van het Woord nog maar net begonnen eigenlijk.

De jury bestond dit jaar uit gastjurylid Maarten Inghels, Sylvie Marie en mezelf. Op de cover van de stadskrant HBLAD prijkt Maarten. Hij kon niet aanwezig zijn tijdens de gezamenlijke fotoshoot en heeft zich aldus met een foto, die ik al eerder ergens meen gezien te hebben, een plekje op het voorplat verworven, de sloeber. Binnenin staan een interview met de jury en foto’s van Sylvie en ik, die in de fraaie bib gemaakt werden door fotograaf Klaas Verdru.

Verkoudheden houden niet van poëzie

Je zal het altijd zien, ik ben al de hele coronatijd zo gezond als een bliekje, heb ik dan eindelijk weer een poëzieoptreden, ben ik gadverdamme verkouden. Al drie dagen was ik in de weer met Physiomer, Keelspray van A. Vogel, Echinacea Forte, Paracetamol en Levotuss, Een dinsdag bij de huisarts afgenomen PCR-test bleek negatief, dat wel.

Maar er gebeurde iets vreemds. Ik betrad donderdag de bibliotheek van mijn gemeente, de Bib in het Park, zoals men ze tegenwoordig noemt, omdat ze … in een park gelegen is, waar ze ook al lag toen ze nog niet Bib in het Park heette, en de verkoudheid viel volledig van me af. Het was alsof mijn verkoudheid aan de schuifdeur van de bib zei: ‘Philip, ik laat je nu even met rust, we zien elkaar straks terug.’ Wat effectief ook gebeurde, want ik zit hier momenteel omringd door Physiomer, Keelspray van A. Vogel, Echinacea Forte, Paracetamol en Levotuss.

Dichters van bij Ons was een geslaagde poëzieavond, ingericht door Koen D’haene, die eigenlijk Koenraad heet, leeftijds- en oud klasgenoot van mij, opperhoofd van de Bib in het Park, jeugd- en grotemensenschrijver, een heel aardige kerel die ik altijd graag tegen het lijf loop, een makker zeg maar, en Jeroen Messely, eveneens bibliotheekmedewerker en een van de drie dichters op de affiche. De derde dichter was Mattijs Deraedt, een rustige en vriendelijke jongeman waarmee ik al eens op het podium had gestaan in Menen. Drie dichters met Wevelgemse roots. Moderator en interviewer was het erudiete warhoofd Alain Delmotte, die precies omwille van zijn eruditie een veelgevraagd poëzie-inleider is.

Drie dichters, drie stijlen. Wat mezelf betreft, kan ik alleen maar zeggen dat mijn dichies er bij het publiek ingingen als zoete koek, wat een vervolg kreeg met een niet onaardige bundelverkoop achteraf. Alain had in zijn inleiding gewezen op het harde, bitse, grimmige karakter van mijn poëzie, maar dat is slechts één kant van het verhaal. Ik had mijn grimmigheid samen met mijn verkoudheid aan de voordeur van de bib achtergelaten en las in het eerste deel uit mijn zeven bundels de volgende gedichten: Vogeltje, Graf: gekeurd en goed bevonden, Lipide, Slotpleidooi, Gymles, Salade, Darwin en Waarom.

Weer Vogeltje, weer Lipide? Bij een muziekoptreden schreeuwt het publiek om de gekende meezingers. In poëzie is dat omgekeerd, kom je altijd weer een publiek tegen waarvan het overgrote deel het werk van de voorlezende dichters amper of helemaal niet kent. Ik noem het missionarissenwerk, missiewerk, kerstening, telkens weer zieltjes winnen. Dus kun je als dichter niet anders dan deels terugvallen op het klassieke repertoire, gedichten waarvan je weet dat je er de mensen mee zult inpakken, omdat het gewoon sterke gedichten zijn. Ik durf wel eens het makkelijke pad verlaten en de cynische, nihilistische kaart trekken waar men mij graag mee associeert, maar had daar gisteren in mijn eigen gemeente, met die sluimerende verkoudheid en beperkte leestijd niet echt zin in.

Voorleesgedichten mogen niet te complex zijn. Ik schat dat ik zowat zeventig procent van mijn gepubliceerde gedichten nog nooit heb gebracht op een podium. Niet dat die heel complex zijn, maar mensen zitten te luisteren en luisteren is lastig. Zonder visueel hulpmiddel moeten ze al luisterend de draad kunnen vasthouden van begin tot einde en daar moet je hen als optredend dichter bij helpen door het niet te moeilijk te maken. Of zoals een beroemde Vlaamse schrijver in een van zijn boeken noteerde, ik parafraseer: ‘Ik ben eigenlijk een goochelaar, ik wil de mensen vermaken.’ Dat is ook mijn doel, het publiek vermaken. Ze even doen vergeten dat ze zich die ochtend een hoedje schrokken bij het zien van de gas- en elektriciteitsfactuur, hun petekind COVID heeft en die pijnlijke knie nog altijd niet volledig genezen is.

Een vraag die mij nu al enkele keren tijdens lezingen werd gesteld is of Delphine Lecompte voor haar recalcitrante verzen inspiratie heeft gevonden in het grimmige deel van mijn oeuvre. Het zou kunnen, maar ik denk het niet. Einzelgängers stelen niet van Einzelgängers. Die gaan hun eigen weg. Maar dan roep ik wel met veel plezier: ‘Ja, die dekselse duivelse dievegge Delphine heeft alles van mij gejat! Zij is er potverdorie rijk en beroemd mee geworden, en zie mij hier zitten, klojo, loser, lul-de-behanger.’ Hilariteit alom.

In de tweede ultrakorte voorleesronde las ik nog Sujet, Tegenstander en Mens is de naam.

Ik ben een aandachtshoer?

Het gedicht dat ik schreef voor Leef wordt gedeeld op het Facebook-account van Poëzieweek. Openbaar zodat ik het ook kan zien.

Hoe geloofwaardig ben je als je de sociale media verkettert, om enkele dagen later een bericht te delen van op diezelfde sociale media? Ik lijk Trump wel die destijds op Twitter Twitter de mantel uitveegde.

Allez dan, voor één keer, hop met die duimpjes en die hartjes. Liken en sharen en snel wat!

Philip Hoorne Schrijft… nu ook beroepshalve (5)

Philip Hoorne Schrijft… nu ook beroepshalve. Sinds 1 april 2021 ben ik redacteur bij CM-Vlaanderen. Dit betekent dat ik onder andere artikels schrijf voor Leef, het gezondheidsmagazine van CM en de Leef website.

Recente stukken staan hier, hier en hier.

Leef magazine van januari is gemaakt, maar wordt niet gedrukt omwille van een papiertekort in de drukkerij. Het digitale nummer kan hier doorbladerd worden.

Op de backcover, pagina 28, staat uw dienaar met een foto en een gedicht, dat ik speciaal schreef voor de Poëzieweek, rekening houdend met het thema van het nummer, #bezield.

De backcover staat ook op de Leef website.

Dichters van bij ons – 27 januari 2022

Aan onderstaande affiche kan ik weinig toevoegen. In de Poëzieweek zal het weer bulken van de poëzieactiviteiten overal te lande, maar in Wevelgem moet je wezen.

Alle publicerende dichters van de gemeente – ja, alle drie – staan op de affiche. Drie dichters, evenveel stemmen.

Kenner Alain Delmotte zal vragen stellen en de dichters zullen ze beantwoorden. Er zal gelachen worden, er zal allicht niet gehuild worden. Maar je weet het nooit.

Ik zal oud werk lezen, ik zal nieuw werk lezen. Vuurspuwen en tapdansen zal ik niet doen. Collegae Deraedt en Messely ook niet, vermoed ik. Maar zoals ik al zei, je weet het nooit.

Een publiek, liefst zo groot mogelijk, een goede geluidsinstallatie en voor elke dichter een glaasje water op de onderste plank van de katheder om tussen de enjambementen even te gorgelen, en vooruit met de geit.

Mijn superfan, de geachte Manu S., zal er zijn. Superfan? Jawel, superfan. Niet superman, superfan. Misschien lees ik wel zijn lievelingsgedicht (Het dikke meisje en de ziener, pagina 10), maar misschien ook niet. Zei ik al dat je het nooit weet?

Alle vragen zullen beantwoord worden op 27 januari in de Bib in het Park. Pal in het centrum van de gemeente staat een kerk, negentig meter naar het westen toe staat een kasteel, naast dat kasteel ligt een park, in dat park staat de bib.

Don’t be square, be there. Schrijf in, u zult het zich niet beklagen.

Fototentoonstelling Roeselare: K-Trolle

Dat mijn eerste grote expositie doorgaat in K-Trolle te Roeselare mag geen verrassing heten. Ik stond er al een aantal keer op het podium tijdens poëzieavonden ingericht door Obsidiaan. Noem K-Trolle geen kroeg, het is een cultuurcafé, de uitvalsbasis van een vzw die tal van activiteiten inricht. Neen, noem K-Trolle geen kroeg, kroeg doet denken aan lallende tooghangers en een vloer die plakt van het bier, en dat is K-Trolle helemaal niet. Je treft er een divers publiek aan.

De ruimte is bijzonder smaakvol ingericht. K-Trolle is een feest voor de ogen. Wat ik persoonlijk ook fijn vind, is dat K-Trolle groot genoeg is om er rustig plaats te nemen, zonder dat andere bezoekers in je rug beuken of in je nek ademen. Op frisse avonden brandt er een weldadig haardvuur. Behalve de uitgebreide drankenkaart is er ook een kleine menukaart.

Wie de website van K-Trolle bezoekt, komt op de homepagina terecht en ziet daar een kerel ietwat dromerig en somber de lens in kijken. Dat is Jurgen, de patron. Schrik niet als u tijdens uw bezoek aan K-Trolle wordt aangesproken door een goedlachse, kortgeknipte, baard- en snorloze, aardige vent met een twinkel in zijn ogen. U zult hem niet herkennen, maar het is dezelfde Jurgen. Hij en zijn team zullen u met alle egards ontvangen.

En in de bovenzaal hangen mijn foto’s.

Voor wie van ver komt, K-Trolle en mijn tentoonstelling zijn perfect te combineren met een bezoek aan het vernieuwde wielermuseum KOERS of een verkwikkende wandeling in het Provinciedomein Sterrebos met zijn prachtig kasteel. Wie graag shopt kan terecht in de nabijgelegen winkelstraten.

Post uit Haarlem

Dit zijn nu echt wel de allerlaatste exemplaren van mijn zevende en voorlopig laatste dichtbundel Het dikke meisje en de ziener. Wie er nog één wil kan die bij mij bestellen via de contactpagina in het menu bovenaan. Wie liever bestelt bij de uitgeverij, kan dat doen bij de uitermate aardige heer Franc Knipscheer, gerenommeerd boekenmaker van In de Knipscheer. Of u loopt met uw mondmasker op even langs bij uw lokale boekhandelaar.

Dan toch niet de laatste als ze nog kunnen besteld worden bij uitgever en boekhandel? Ja, bijna toch wel. Zo gaat dat met boeken, je denkt dat die voor de eeuwigheid zijn en plots is er niet een nog te krijgen. Daarom heb ik snel nog mijn poot gelegd op deze 15 exemplaren.

Ceci ce n’est pas Philip

Ik heb heel weinig foto’s van in mijn prille kindertijd. Veel is bij mijn ouders verloren gegaan, zomaar, weg. Dat is jammer, maar aan de andere kant, wat weg is is weg. Het rare is dat een aantal van die foto’s die er niet meer zijn haarscherp op mijn netvlies gebrand staan. Ik op de arm van mijn moeder aan de voordeur van het woonhuis van de boerderij, allebei met onze ogen halfdicht tegen de zon in kijkend, zomer en middaguur – in de jeugdherinneringen van een mens is het altijd zomer en middag – of ik in mijn kakstoel aan diezelfde voordeur. Ik kijk nooit naar foto’s van vroeger, maar het is wel leuk om ze te hebben om er nooit naar te hoeven kijken. Die drie foto’s die bovenaan dit weblog staan als een soort banner, zijn in hun onaangetaste vorm voor mij niet prettig om zien. Ik heb ze beklad omdat ik er anders maar uitzie als iemand die ik ooit ben geweest maar er niet meer is, om de afstand tussen mezelf en die jongens te vergroten, om van hen iemand anders te maken, wat ze in wezen ook zijn. Ik worstel al mijn hele leven met het concept tijd. Neen, worstelen is een verkeerd woord. Worstelen, haha, worstelen, zei ik worstelen? Ik zal mij bezighouden met worstelen. Nog liever zal ik in de beenhouwerij een worst stelen dan dat ik zal worstelen. Neen, niet beginnen zeveren, Hoorne, dit is een ernstige aangelegenheid. Ik bedoel, ik ben mij erg bewust van wat tijd is. De tijd die verstreken is, kan toch niet weg zijn, denk ik soms wel eens in al mijn naïveteit. Naïveteit, ik vind dat een mooi woord. Veel mensen zeggen naïviteit in plaats van naïveteit. En weet je wat? Beide zijn correct. Maar ik vind naïveteit beter hoewel ik naïviteit ook prachtig vind. Je moet het eens uitspreken alsof het een Russisch woord zou zijn, najivjetjit. Veel mensen zeggen ook ietsiepietsie in plaats van ietsepietsie. Hier geef ik absoluut de voorkeur aan ietsepietsie. Jijitsepjijitse. Ik meende zelfs dat ietsiepietsie niet correct was, maar dat is het wel. Zou dat een aanpassing kunnen zijn in een recente uitgave van de Van Dale omdat het zó vaak werd gebruikt dat mijnheer Van Dale het voortaan toch goed rekent? Want een taal leeft, dat hoor je wel eens zeggen, dat een taal leeft. Een taal heeft een hart net zoals u en ik en als die verdraaide taal morgen onder een tientonner sukkelt, dan zitten we met een dode taal, kunnen we met zijn allen weer Latijn, Oudgrieks of Eyak gaan spreken. Maar we hadden het over de tijd. Er moet toch iets of iemand zijn die alles, elke seconde van ieder mens, elk wezen dat ooit heeft geleefd, archiveert. Dat komt ervan als je leeft in een era van servers, clouds en databases, dan ga je zo idioot beginnen denken over dingen, denken dat je dingen, zelfs de tijd, kunt vastgrijpen. Gearchiveerd, niet om de hele tijd die laden vol met vergane tijd open te trekken en erin te snuisteren, maar om de mogelijkheid te hebben ze ooit eens open te trekken, wetend dat je dat toch niet zal doen, niet wil doen.

Alles is een en al machteloosheid en verwarring. Waarom wordt een mens geboren en moet hij dan weer sterven. Dat is toch een nuloperatie. Stel, je stapt in je auto, de klok staat op 8:06, je start de motor en rijdt naar het werk. Goed en wel op de baan merk je ineens dat je lunch nog op de keukentafel ligt. Neen, erger, je hebt je mondmasker vergeten. Je rijdt terug naar huis om je mondmasker op te halen. Je stapt in de auto, de klok staat op 8:22. Je bent terug waar je 16 minuten geleden was. Wel, die 16 minuten tussen die twee tijdsaanduidingen, dat is de allegorie van een mensenleven. Op een horloge met wijzers komt dit nog beter tot zijn recht. De kleine wijzer is bijna niet van plaats veranderd, maar die grote stond toen je de eerste keer vertrok nog bijna helemaal bovenaan en de tweede keer is hij een flink end naar beneden getuimeld. Er is, behalve dat die :06 is veranderd in :22 of dat die wijzer is opgeschoven, helemaal niets gebeurd. Alles stond stil, alsof Tika, de dochter van Tita Tovenaar zich ermee had gemoeid. Dit klinkt allemaal als onzin, en waarschijnlijk is het dat ook, maar eenieder die zijn mondmasker of zijn lunch of wat dan ook heeft vergeten en terugkeerde om die op te halen weet perfect wat ik bedoel, hoe vreemd het aanvoelt om zopas door een tijdsblok van je leven te zijn gegaan dat compleet zinloos lijkt. Lijkt, want die 16 minuten, is dat werkelijk verloren tijd of niet? Aan de ene kant wel, ze hadden niet gehoeven. Anderzijds is het dat helemaal niet, veranderen die 16 minuten alles wat er in het leven daarna nog gebeurt. Zeker als je de tweede keer onder een tientonner schuift en je met je eigen ogen in jouw over de straat wegrollend hoofd nog net ziet dat je automobieltje samen met jou koers mag zetten richting eeuwige jachtvelden, sjaanseeliezee zoals de Fransen en de Hollanders dat zo mooi zeggen, de jachtvelden van Tante Sjaan.

Waar wil ik naartoe? Zoals altijd, nergens heen. Ik heb een foto gevonden, kwansuis. Ik bedoel, ik wist dat ik hem had, maar wilde hem niet vinden. Een foto met een scheur in. Dit moet de oudste foto zijn die ik van mezelf heb. Iemand heeft mij op die go-cart gezet alleen maar voor de foto, kan niet anders, want mijn beentjes zijn te kort om aan de pedalen te kunnen. Of iemand heeft mijn stoeltje wat naar achteren geschoven zodat ik na het racen even lekker kon poseren alvorens mijn bolide weer op gang te trappen. Haha, ik racen, ik dacht het niet. In een go-cart kruipen zonder airbag, daar begon deze kleuter niet aan. Het frustrerende van een foto is dat hij ophoudt bij de rand van het beeld. Ik zou die auto helemaal willen zien, die witte auto achteraan. Ik weet nog ongeveer hoe die omgeving er medio de jaren zestig uitzag, maar die auto herinner ik mij niet. Mocht ik u naar de plek brengen waar die foto is genomen en u zeggen ‘hier was het’, u zou mij niet geloven, totaal onherkenbaar. Wat je ziet op het beeld is het kleine grasperkje dat zat ingeklemd tussen het huis van mijn grootmoeder en dat van mijn tante, twee afzonderlijke woningen die in een L-vorm tegen elkaar aan waren gebouwd en met elkaar verbonden. Ik zou het willen zien zoals het was, toen in die tijd, met mijn ogen van nu. En dan? Het zien, oké, stel dat ik het kan zien, en dan? Duizend foto’s nemen om in een lade te stoppen, net zoals ik heb gedaan met het leeggemaakte huis van mijn ouders, het huis waar ik opgroeide, toen ze al verhuisd waren, maar de sleutels nog aan de nieuwe eigenaar moesten overhandigen? Foto’s om te hebben maar hopelijk nooit naar te moeten kijken? Ik kan moeilijk geloven dat ik dat ben, op die go-cart. Hoe onscherp de foto ook is, ik herken in die ogen de ogen van mijn grootmoeder, van mijn tante, van mijn moeder, maar niet van mezelf. Als ik nu eens zou weigeren om te geloven dat ik dat ben, dan is dit gewoon een verkleurde foto van een uk die denkt dat hij een witte ridder of The Stig is. Wel schattig, dat wit, en was ik blond, is dat werkelijk blond? Verfde ik mijn haar in die tijd, ben ik ooit dat soort kerel geweest? Draag ik daar eigenlijk wel een broek? Of was ik toen al dat soort kerel? Grapje hoor. Enfin, voor het gemak en voor mijn zielsrust weiger ik te geloven dat ik dat ben. Die jongen bestaat niet. Straffe gast die het tegendeel kan bewijzen.

Buren bij Kunstenaars 2020

Ik nam met een beperkte selectie van negen foto’s deel aan Buren bij Kunstenaars op 17 en 18 oktober 2020 in het Ontmoetingscentrum van Marke. Slechts negen omdat de ruimte over heel wat exposanten verdeeld moest worden.

Eind dit jaar en begin volgend jaar komt er een grote tentoonstelling in K-Trolle te Roeselare. Meer info in de rechter kolom van dit weblog onder de titel ‘Tentoonstelling Welkom in mijn Wereld‘.

De muziek onder het filmpje is de pianoversie van ‘Down in the Park’ van Gary Numan.

Het leven en hoe het te overleven (19 – de Corona-editie)

In wat voor een wereld leven wij eigenlijk? Deze morgen fietste ik langs een lagere school en ik hoorde hoe een jongetje gepest werd door enkele andere jongens. Ik hoorde nog net roepen: ‘Haha, Timmy heeft geen corona, zijn ouders hebben geen geld om te gaan skiën, hahaha’.

We leven op een soort van Corona-tijdlijn en niemand die weet waar we ons op die lijn bevinden. Aan het begin, in het midden of is het over twee weken allemaal voorbij? Sommigen lachen het weg, anderen hebben hun uitvaart al geregeld. Zo moeten mensen zich ook gevoeld hebben aan het begin van een wereldoorlog. De ene zei: ‘Haha, diene Adolf met zijn gek snorretje, die gaat straks weer gewoon schilderen, haha, sauerkrautfrettende loser.’ Terwijl anderen zeiden: ‘We’re all gonna die!’ De mededeling dat we allemaal gaan sterven klinkt angstaanjagender in het Engels, je hoort er ook meteen een soort van griezelstem bij, vandaar dat ik even de taal van Shakespeare hanteer.

Alle gekheid op een wisser, wordt deze Corona-crisis nu goed of slecht aangepakt door de overheden? Wel, er bestaat niet zoiets als een sluitende aanpak volgens mij. Het is schade beperken en hopen dat het overwaait. Zwitserland verbiedt bijeenkomsten van meer dan 1000 mensen. Dat klinkt wijs, maar als elkeen van die duizend na de bijeenkomst een nieuw groepje van 1000 vervoegt, dan zitten we aan 1 miljoen. Corona is een sinister piramidespel.

Cynici zeggen dat we met te veel op deze aardkloot zijn, dat het niet meer dan normaal is dat de natuur een beetje wiedt links en rechts. Maar ik wil toch liever niet sterven door een virus dat ontstaan is op een onhygiënische Chinese beestenmarkt. Mag het iets eleganter ja?

De titel van deze terugkerende rubriek, die ik een jaar of zo geleden losjes uit mijn koker klutste, krijgt meteen ook een wat wrange bijsmaak, merk ik ineens. Blijven ademen, Philip, blijven ademen.

Fototentoonstelling REALITY AND BEYOND de hele maand maart te Brugge

opname zonder titel-018Vanaf maandag 2 maart kunt u terecht in het centrale gedeelte van het Vormingplus-huis te Sint-Pieters Brugge om mijn fotografisch werk te bezichtigen.

De voorbije maanden dacht ik na over hoe ik mezelf als fotograaf kan omschrijven. Op de evenementenwebsite Uit in Vlaanderen staat: ‘In overwegend kleurrijke tinten zet Philip Hoorne de realiteit naar zijn hand, maakt haar dromerig en smukt haar op. Hoorne is een fotograaf die schildert met zijn fototoestel en daarbij gretig gebruik maakt van de digitale hulpmiddelen die hij ter beschikking heeft.’

opname zonder titel-006Ik maak esthetische, artistieke beelden. Bij voorkeur redelijk groot van formaat. Ideaal om in uw woonkamer op te hangen. 

Vorig jaar, tijdens het verdedigen van mijn thesis en afstudeerproject zei ik tegen de jury: ‘Ik kijk niet zó naar fotografie, maar zó.‘ Bij de eerste  bewoog ik mijn armen voor me uit naar één punt toe. Bij de tweede  strekte ik mijn armen wijd open. Fotografie is voor mij een speeltuin die aan alle zijden onbegrensd is. Met de foto die uit mijn camera rolt, kan ik alle kanten uit vooraleer tot een eindresultaat te komen. Het is telkens weer een intensieve en boeiende zoektocht naar het beste eindbeeld. Ik start ergens en weet niet waar ik zal uitkomen. Eigenlijk is het helemaal hetzelfde als het schrijven van een gedicht.

Elke foto die ik maak is een pièce unique. De foto’s van de tentoonstelling zijn te koop. Wie een foto koopt, krijgt van mij de schriftelijke garantie dat het werk nimmer wordt gereproduceerd. Ik vind die uniciteit vanzelfsprekend. Eigenlijk is het de grootste eer die een beeldend kunstenaar te beurt kan vallen, dat iemand zegt: ik wil wat u gemaakt heeft dicht bij mij zodat ik het elke dag kan zien.

Vormingplus Brugge, Sint-Pieterskerklaan 5, is elke weekdag open van 9u. tot 17u. en van 18u. tot 22u.30, en op zaterdag van 9u. tot 12u. Er zijn brochures voor de bezoekers. Tevens is er een brievenbusje waarin u een boodschap voor mij kan achterlaten, want gezien de lange duur van de expositie en de gulle openingsuren kan ik er onmogelijk altijd zijn om iedere bezoeker persoonlijk welkom te heten, hoewel ik dat graag zou willen. Wie wenst te weten wanneer ik er wel ben, mag mij mailen middels de contactpagina op dit weblog.

Meer info vindt u hier en wie een Facebook-account heeft kan ook hier terecht.

Fototentoonstelling REALITY AND BEYOND – Vormingplus Brugge

Op maandag 2 maart opent mijn fototentoonstelling REALITY AND BEYOND in de lokalen van Vormingplus Brugge.

Bent u ook zo iemand die vooraleer zich op weg te begeven eerst Google Earth, Google Maps, Google Streetview en Google Naftepompen raadpleegt? Wel, het goede nieuws is dat Vormingplus Brugge zijn stek heeft in Sint-Pieters Brugge. U hoeft er het bijtijds drukke centrum van Brugge niet voor in, maar rijdt er via de expresweg lekker omheen. Geen gedoe met parkeermeters. No stress.

opname zonder titel-029-4Wat is mijn connectie met Vormingplus Brugge? Ik gaf of geef er heel sporadisch een schrijfcursus voor Wisper, waarvan Vormingplus Brugge een partnerorganisatie is, en ik begeleid er het destijds door mij opgerichte Poëzieatelier.

Ik betrad begin juli 2011 voor het eerst het toen nagelnieuwe gebouw van Vormingplus in Sint-Pieters, alwaar ik een dag stage liep bij een Wisper-collega. Ik weet nog dat ik de creatieve vibes die in het gebouw hangen duidelijk voelde. Het is een sobere maar nette locatie met warme houtstructuren, die doormidden wordt gespleten door een lange gang. Links en rechts van die gang liggen de leslokalen. Die hebben een glazen voorzijde zodat je de creatievelingen aan het werk kunt zien. Links vooraan is men aan het boetseren, wat verder rechts is het schilderlokaal, nog verder is er een lezing aan de gang, voorts kalligrafie, dans of zang misschien, kookles in de leskeuken niet te vergeten enzovoort enzovoort. Het is een open en bruisend huis en ik voelde me er meteen thuis.

Vormingplus Brugge, Sint-Pieterskerklaan 5, is elke weekdag open van 9u. tot 17u. en van 18u. tot 22u.30, en op zaterdag van 9u. tot 12u. Mijn foto’s hangen er de hele maand maart. Komt u na 18u., dan kunt u in de bar een drankje nuttigen dat de immer vriendelijke en aimabele barman Peter u zal inschenken.

Meer info vindt u hier en wie een Facebook-account heeft kan ook hier terecht.

 

Kus of ik zoen

Poezie_Kus-of-ik-zoen_vp-scaled ‘Ballotage’ uit mijn eerste bundel Niets met jou staat in de thematische Rainbow Poëzie-bloemlezing Kus of ik zoen.

Ik merk bij het openslaan van het boek dat het leeslint de bladzijde aanduidt waar mijn gedicht staat. Iemand heeft hier aandacht voor gehad, zich beziggehouden met per verzonden auteursexemplaar het leeslint aan te brengen daar waar het werk staat van de geadresseerde. Dat vind ik aardig en attent.

Poëzieweek: Aardenburg, Brugge, Harelbeke

Wie mij kent weet dat ik geen opschepper ben, integendeel, dat ik de neiging heb om wat ik doe neer te halen en te minimaliseren, dat ik de eerste ben om mezelf in te fluisteren dat ik me maar niet moet inbeelden dat ik wat voorstel, dat ik voortdurend leef met het besef dat ik nog een resem ademtochten heb uit te stoten vooraleer ik met mijn dikke kop onder de zoden wordt gestopt, maar desalniettemin was het heuglijk vast te stellen, zowel in Casa Portiera te Aardenburg als in Postbar te Brugge hoezeer het publiek van mijn gedichten houdt. Ik heb natuurlijk zeven bundels waaruit ik kan kiezen en nieuw werk, dat ik niet eens heb bovengehaald gisteren en eergisteren. Ik heb aardige mensen ontmoet: organisatoren, dichters, luisteraars, lezers. Ook fijn: nooit eerder heb ik na lezingen zoveel bundels verkocht als in Aardenburg en Brugge.

Een dissonant was dat een gewaardeerde dichter van het Poëzieatelier Brugge die gisteren ook moest aantreden in Postbar, met haar fiets is gevallen op de gladde steentjes van de Brugse binnenstad en naar de spoeddienst van het ziekenhuis is overgebracht. Maar het laatste nieuws dat mij gisterenavond bereikte is hoopgevend. Ik vind Brugge een fantastische stad, maar bij miezerig weer worden de klinkertjes inderdaad glibberig. Een mens zou zich al eens de vraag stellen: wat is er mis met hier en daar een streepje asfalt?

Morgen proclamatie poëziewedstrijd Harelbeke. Ik schreef en lees het juryverslag voor van de jongerencategorie en Herman Leenders dat van de volwassenen. We wisselen elk jaar om, volgend jaar doe ik dan weer de categorie +26 en Herman de -26. Derde jurylid Sylvie Marie kan er helaas nooit bij zijn wegens andere verplichtingen. Morgen is het ook precies 1 jaar geleden dat mijn dichtbundel Het dikke meisje en de ziener werd voorgesteld, eveneens in Harelbeke. Zo snel gaat de tijd dus. De kans is reëel dat er in 2020 een volgende bundel verschijnt. Wie dit weblog grondig leest, weet ook wat mogelijks de titel zal zijn. Mensen vragen me wel eens hoe ik het klaarspeel om naast een voltijdse baan die bundels en andere publicaties uit te brengen, en nu ook nog dat fotografiegedoe. Het antwoord daarop is heel eenvoudig: dingen die je graag doet kosten geen energie, maar geven net energie.