20 jaar dichter (9)

LICHAAM VAN CHRISTUS

Alle hagelwitte navels en egocentrische peniscentra nog aan toe. 
De zoon van de Heiland, een vooroorlogse David Copperfield
zonder impresario, deed zijn hocus pocus en fix trix ook alleen
maar voor pussy. Vraag dat maar aan Maria, Magdalena,
Anna, Carla, Nora, Zora, Rosa, Rita, Ria, Mia en tante Fabiola.

Stelt dit het christendom in een ander daglicht, Monseigneur? 

Bijlange niet, antwoordde de hulpbisschop zonder op te kijken,
en onvermoeibaar, met een kracht sterker dan zijn geloof, ging hij 
verder met het pletsen van zijn kardinaalsrode roede tegen de roze 
wangetjes van de misdienaars, die op hun knieën gezeten met devoot 
gevouwen handen aan één stuk door Lichaam van Christus prevelden.

Ik nam dit gedicht op in Het is fijn om van pluche te zijn uit 2012. Maar het gedicht is veel ouder. Ik was kwaad op mezelf omdat ik het niet eerder durfde te publiceren. Nu lijkt het geïnspireerd te zijn door de zaak-Vangheluwe, terwijl ik het al schreef jaren daarvoor.

Een gedicht waarin Jezus wordt voorgesteld als een man die middels zijn succesvol gegoochel de vrouwtjes binnendoet en daarmee zijn vertegenwoordigers op aarde inspireert om eveneens hun roede te kletsen tegen alles wat ze maar raken kunnen, het is eens wat anders dan een dichie waarin de mist in de bomen hangt of de zon ter kimme stijgt.

Ik zal er vast de Merendree-poëzieprijs niet mee winnen, maar het is wel telkens weer een plezier om een streepje vuigheid te schilderen op de vacht van de poëzie, die in haar meest miserabele vorm nog wolliger is dan een kudde schapen in de Schotse hooglanden die zo omvangrijk is dat zelfs de meest uitsloverige herdershond bij zichzelf denkt: dit gaat te ver, woef, dit zijn geen normale werkomstandigheden meer, woef, ik denk dat ik mij maar beter eens tot mijn vakbond wend, woef woef.

‘Fix trix’ komt uit een animatieserie die op tv kwam toen ik nog een kleine jongen was. Vermoedelijk Tsjecho-Slovaaks, je weet wel, met op het einde het woord ‘konec’ in beeld. Een eenvoudig tekenfilmfiguurtje werkte zich in elke aflevering in nesten, bevrijdde zich middels een slimmigheidje uit die nesten en zei toen ‘fix trix’ ofte ‘ik heb het met een trucje gefikst’.

Ik heb altijd beweerd dat poëzie zich niet moet inlaten met maatschappelijk engagement, dat de poëzie daarboven moet staan. In Het is fijn om van pluche te zijn zitten wél een aantal geëngageerde gedichten. Het bovenstaande is daar een voorbeeld van.

Met de bundel Het is fijn om van pluche te zijn had ik mijn toppunt van absurdisme, onnozelheid en recalcitrantie bereikt. Drie jaar later, in 2015, kwam Kaas treft geen schuld tot het tegendeel bewezen is uit. Op de cover staat een man met zijn rug naar de kijker gekeerd. Kaas … zou mijn laatste bundel worden, daar was ik van overtuigd. Die man moest dat symboliseren. Maar zoals we nu weten, het werd niet mijn laatste. In de volgende twee afleveringen ga ik dieper in op die zesde bundel Kaas treft geen schuld tot het tegendeel bewezen is.

===================

Advertentie

20 jaar dichter (8)

In deze reeks, waarvan het opzet inmiddels duidelijk is, laat ik de compilatiebundel Grootste Hits! De Jaren Nul links liggen omdat die een ruime selectie bevat uit Niets met jou, Inbreng nihil en Het ei in mezelf, plus vier nieuwe gedichten.

Ik zat vanaf die compilatiebundel bij uitgeverij Van Gennep, bij de heel aardige Chris ten Kate, met wie ik na een jaar of tien heb gebroken omdat hij nooit op mails reageerde, waarin ik meestal vroeg om mij exemplaren van mijn eigen bundels toe te sturen. En als ik zeg nooit, dan bedoel ik ook nooit. Ik herinner met dat ook mede-Sandwich-auteur John Schoorl het op zijn heupen kreeg van die non-communicatie.

Dat mede-Sandwich moet ik misschien even verduidelijken. Het opzet van de Sandwich-reeks onder redactie van Gerrit Komrij was een reeks van 20 bundels – 10 debuten en 10 vergeten dichters – gespreid over 10 jaar. Toen Uitgeverij 521 ophield te bestaan, was de reeks niet voltooid en werd ze door Van Gennep overgenomen.

Mooie bundels heb ik uitgegeven bij Van Gennep, met mooie covers. Zolang het goed ging, ging het goed. Fijne medewerkers had Chris, maar na verloop van tijd werd de personeelsbezetting van de uitgeverij alsmaar dunner. En er was dus die afwezigheid van communicatie. Ik woon op 300 km van Amsterdam. Even binnen wippen om te kijken wat er aan de hand was, dat ging zomaar niet. Ik vermoed dat de uitgever kampte met problemen op velerlei vlakken.

Soit, mijn vijfde dichtbundel heette Het is fijn om van pluche te zijn (2012). Veel plaats voor gekte in deze bundel. Ik schakelde het absurditeitsgehalte nog een versnelling hoger dan in Het ei in mezelf. De cover toont een pluche beer die aan een vuilniswagen hangt. Ik mocht kiezen uit vier covers en die was veruit de beste.

Veel gekte, maar er was ook plaats voor ingetogenheid. Het gedicht ‘Lijmen’ bijvoorbeeld gaat over de zoen. Ik schreef het in opdracht van het magazine One.

En er is dit gedicht over mijn moeder.

DRACHT

In een naamloze stad, januari en donker, doolde ik 
rond op zoek naar de warmte van een kroeg 
toen in de opkomende mist het silhouet 
van mijn moeder in mijn richting groeide: 

grijs, flets en moe, de schoenpunten naar binnen gekromd, 
half verstopt onder haar oudmodische groene muts 
de gebeitelde kroeskop die ze al haar hele leven droeg.

Moeder, zo nam ik mij voor te vragen, wat doe jij hier 
zo ver van huis te voet op straat in deze koude stad 
en waar is vader? Maar zij die mijn jeugd van zo dichtbij 
beleefde als een schim bleek meer dan ooit vervreemd. 

Die grof gebreide muts had van haar kunnen zijn, 
maar de aangeschoten man wees nergens naartoe 
toen ik hem vroeg naar de meest nabijgelegen kroeg.

Ik heb meer dan eens over de moederfiguur geschreven en het was niet altijd hosanna. Het zou boeiend zijn om die moedergedichten eens naast elkaar te leggen om de teneur te proeven. En hoe vaak komt de vaderfiguur voor? Eigenlijk houd ik niet van de termen moedergedicht en vadergedicht. Mijn thema dienaangaande is altijd geweest: erfelijkheid.

Bovenstaand gedicht, ‘Dracht’, hoeft weinig duiding. De derde strofe is de kernstrofe. De aanspreking ‘moeder’ maakt het gedicht afstandelijker, want een dergelijke aanspreking gebruiken we in Vlaanderen eigenlijk niet. We zeggen ‘mama’ of ‘ma’ of ‘moeke’ of nog iets anders.

Door de woorden ‘moeder’ en ‘vader’ te gebruiken, krijgt de vraag iets theatraals, wat helemaal past bij de afstand die het kind voelt tot zijn moeder of tot zijn ouders, maar tegelijkertijd ook iets komisch.

Het zou een zin kunnen zijn uit een BRT-serie van de jaren zeventig, waarin toen nog vlekkeloos ABN werd gesproken. Moeder, wat doe jij hier zo ver van huis te voet op straat in deze koude stad en waar is vader? Ik zie die zin zo uit een jonge Jo De Meyere zijn strot komen.

===================

20 jaar dichter (7)

MIJN KLEINE HOLOCAUST 

Mijn afspraak met de vliegen behelst 
dat ik mezelf slechts twee kansen geef  
om ze te meppen.  

Probleempje:  
die beesten lijken sterk op elkaar,  
net Japanners. Mijn huis is dan ook  
zo goed als vliegenvrij. 

De muggen willen ook zo’n conventie  
maar daar moet ik niets van weten. Ze  
zoemen mij een nazi die streeft naar  
de totale uitroeiing van hun soort. 

Een zware beschuldiging die ik niet  
hoef te pikken. Mijn huis is dan ook  
zo goed als muggenvrij. 

Een doordenkgedicht. Ik lees het niet vaak voor, precies omwille daarvan. Eén keer heb ik het meegemaakt dat na de lezing ervan een man in de zaal in luid lachen uitbarstte. Gefeliciteerd, had ik moeten zeggen, uw luistervaardigheid en intelligentie zijn allebei dik in orde. Maar daarmee had ik de rest van het publiek misschien geschoffeerd. En schofferen, daar doe ik niet aan.

Het is een gedicht waar gemakkelijk een diepere betekenis aan kan toegekend worden, zeker in oorlogstijd. De titel is perfect en kan verwijzen naar de bijna gelijknamige roman van L.P. Boon.

Als je de sterkere bent, dan heb je altíjd de mogelijkheid om anderen de baas te zijn. Dat is een verontrustende gedachte. Ik haat onredelijkheid bij mensen en zeker bij machthebbers. Ik ben een gevoelsmens, maar de rede is mij eigenlijk nog dierbaarder. Ik walg van machtsmisbruik.

Mijn rechtvaardigheidsgevoel is immens en zeer betrokken op mijn eigen kleine leefwereld. Dat grote delen van Afrika en Azië arm zijn en het Westen rijk, dat kan ik moeiteloos aanvaarden. Dat is geopolitiek gekrakeel en daar kan ik, kleine mens, niets aan veranderen. Maar dat een moeder steevast aan haar ene kind een koekje meegeeft naar school en aan het andere niet zou mij opstandig maken. Misschien komt dat doordat ik zelf een half leven lang het zonderkoekjekind ben geweest.

In het gedicht hebben de vliegen pech. De mepper heeft een valse welwillendheid getoond. Vals omdat hij weet dat vliegen op elkaar gelijken en hij zijn afspraak nooit kan nakomen. Omdat de naïeve muggen ook een dergelijke conventie willen afsluiten, en de mepper beledigen omdat hij voor hen niet dezelfde geste wil doen als voor de vliegen, oordeelt de mepper dat hij zich niet door die muggen moet laten beschimpen en mept hij er flink op los.

Kunt u nog volgen? Ja? Dan is uw leesvaardigheid en uw intelligentie dik in orde. Doe zo voort.

===================

20 jaar dichter (6)

Ik debuteerde in de late herfst van 2002 en in 2005 kwam mijn derde bundel al uit met als prikkelende titel Het ei in mezelf. Te veel, te snel? Ik denk het niet. Ik ben heel tevreden over Het ei in mezelf.

Ook qua opmaak is het een mooie bundel. Voor Inbreng nihil wilde ik geen flappen aan de kaft. Het mocht best eenvoudig zijn, vond ik. Eenvoud siert. De uitgever drong voor Het ei in mezelf aan op flappen. Het heeft een bundel een extra cachet, zo werd gezegd. Ik liet mij overtuigen, maar het moesten brede flappen zijn, niet van die smalle dingetjes die beginnen te fladderen (flapperen) als je de bundel openslaat. Zo is het ook geworden. Toch is er een detailke aan de kaft dat mij stoort. Niemand anders zou erover vallen, een enkeling zelfs die het opmerkt, maar ik dus wel. Wie het weet, mag mij het antwoord bezorgen per gele briefkaart.

Kort na deze publicatie hield mijn uitgeverij, 521, op te bestaan, waardoor deze bundel en ook de vorige veel te snel uit roulatie werd genomen. Het nobele initiatief van twee jongens die het grote Prometheus de rug toekeerden om hun eigen ding te doen, bleek een houdbaarheidsdatum te hebben. Harold en Arjan van 521 gingen aan de slag bij boekenconcerns waarvan ik mij de exotische namen niet meer herinner. Mijn dank voor de drie bundels, die ik bij hen mocht uitbrengen, is immens.

‘Schemertijd’ gaat over een jongen die voor het slapengaan, van in zijn bed, enkele rituelen moet voltrekken. Onder zijn bed kijken, verifiëren of het laken onder zijn voeten strak gespannen is en de muren scannen van vloer tot plafond. Vandaag hebben we daar een woord voor: dwangstoornissen.

SCHEMERTIJD 

Elke avond voor het slapengaan keek ik onder  
mijn bed naar niets anders dan stof en leegte,  
wachtend op een magere maniak met een aks  
die mijn kindertijd voortijdig zou beëindigen.  

Later wilde ik een strak laken onder mijn voeten  
en nog later trokken mijn ogen op de drie muren  
die mij omringden loodrecht ingebeelde lijnen  
van het balatum naar het plafond en terug.  

Een rookmachine spoot de lichtheid onherkenbaar, 
maar ik zag ze wel, de op en neer dansende spoken.  
Ik kneep mijn ogen en mijn lichaam dicht. Nu nog  
pleegt men mij te noemen: zonderling, gesloten. 

Toen ik enkele jaren geleden het gedicht herlas, merkte ik ineens tot mijn ontsteltenis op dat elementen in de laatste strofe zouden kunnen refereren aan incest of kindermisbruik tout court. Die betekenis had ik er niet moedwillig in gestopt, jezusmina neen.

Ik mag dan wel somtijds een beetje assertief worden als ik mijn handen op het klavier zet, enigszins bruuskeren of de querulant uithangen, maar als er iets is waar ik liever niets over wil zien, horen of lezen, dan is dat geweld tegen kinderen, vrouwen of dieren.

De film Casualties of War, om die maar te noemen, heb ik al een paar keer opgenomen, maar nooit bekeken en telkens weer gewist, omdat ik in de beschrijving lees dat er een scène in zit waarin soldaten een Vietnamese vrouw verkrachten. Dat kan ik echt niet aanzien. Die film met Amy Adams, Nocturnal Animals, heb ik wél gezien, maar ik ben daar na afloop toch even niet goed van. Brimstone van Martin Koolhoven staat hier al maanden te blinken op de harde schijf, maar ik lees op IMDB dat die gitzwarte prent niet voor gevoelige zieltjes is. Schitterende film blijkbaar, en daarom zal ik er vroeg of laat willen naar kijken, maar ik houd de boot nog even af. Horror is vanzelfsprekend al helemaal niet mijn ding, dat zult u wel begrijpen.

We dwalen af. ‘Schemertijd’ gaat gewoon over een jongen die aan het begin van zijn leven moeite heeft om zich in dat leven in te passen. Die zich het liefst zou afsluiten van wat zich buiten zijn eigen lichaam en geest afspeelt. Die de wereld niet begrijpt en de wereld hem niet. Onaangepastheid waar je aan went, maar die je een leven lang meedraagt. Onaangepastheid waar je je tegen wapent. Waar je af en toe een halfslachtig geërecteerd middelvingertje naar opsteekt. Door te schrijven bijvoorbeeld.

===================

20 jaar dichter (5)

SLOTPLEIDOOI

Ik groeide op in een huis en wereld 
waar welzijn met welvaart werd verward.
Mijn ouders waren kinderen van hun tijd 
die meenden dat je met eten, kleren en 
te weinig zakgeld een kind kon kweken. 
De dingen die er echt toe deden zoals teder- 
en genegenheid waren niet aan hen besteed.

Doe ik het beter? 
Ik denk van wel, vrees van niet, overspeel 
mijn hand, want twee koppen meerder 
dan mijn vader en schijnbaar gezegend met zoveel
meer verstand, is ook mijn inbreng nihil 
en weiger ik alle verantwoordelijkheid
voor wat ik doe en deed.

Edelachtbare, er is geen goed, er is geen kwaad, 
dat zou u toch moeten weten, het spijt me zeer. 
Geef mij het voordeel van de twijfel,
ik ben een exponent van de erfelijkheidsleer.

Ik lees ‘Slotpleidooi’ zo goed als bij elk poëzieoptreden voor. De eerste strofe hakt er serieus in bij het publiek. Na de tweede regel is de zaal stil. Die vijf w’s werken bezwerend. Ik groeide op in een huis en wereld waar welzijn met welvaart werd verward. Ik heb de aandacht meteen vast. En strak.

Na de vijfde versregel wordt de stilte onbehaaglijk. Zo herkenbaar, hoor ik de mensen denken. Na de eerste strofe is de stilte ronduit pijnlijk. Alsof ik er iets aan kan doen, aan al die ongelukkige jeugden. Aan al die drinkende, gewelddadige vaders en die hysterische, zwakzinnige moeders.

De tweede strofe laat zich gemeenzaam samenvatten met het gezegde ‘een aartje naar zijn vaartje’. Vrees niet, lieve lezer van dit weblog. Is de eerste strofe van dit gedicht autobiografisch, de tweede is dat amper. Maar in het gedicht moet ik helemaal op het einde tegenover de rechter mijn vel zien te redden. Ik moet de slechterik in mij naar boven halen, willens nillens.

De eerste twee regels van de laatste strofe lees ik heel luid, ik roep ze bijna. De verontwaardiging van de slechterik die geen fan is van moraliteit, maar beseft dat hij het deksel op de neus zal krijgen.

Met de slotregel sla ik de overeind krabbelende zaal een zoveelste keer K.O. Ik ben een exponent van de erfelijkheidsleer. Bij de eerste voorleesbeurten destijds kreeg ik bij het brengen van de slotregel een niet gespeelde snik in mijn stem.

Ik weet dat ik na dit gedicht altijd iets langer moet pauzeren vooraleer een ander in te zetten. Het publiek mag even naar adem happen, en ik ook. Maar ik heb het gedicht ondertussen zo vaak gebracht op een podium dat de snik weg is. Het is zo langzamerhand theater geworden. Ik wil die diepe stilte horen die na het slotwoord valt, net zoals een voetballer het gejoel van het stadion nadat hij heeft gescoord.

Nochtans vind ik niet dat poëzie vooral emotie moet zijn. Dat heb ik in mijn beginjaren wel eens gedacht, maar dat is niet zo. Een gedicht is een voorwerp van taal. Wat die taal oproept, speelt geen rol, als die taal maar goed zit. Dat kan emotie zijn, maar ook iets anders.

Ik durf na ‘Slotpleidooi’ wel eens vervolgen met een billenkletsgedicht, kwestie van de sfeer terug wat op te krikken. Om het publiek diets te maken: ach, u heeft misschien trauma’s en ik wie weet ook, maar onthoud wat de clown-filosoof Bassie zei. Die zei niet alleen ‘Allememachies’ en in die aflevering met de pannenkoeken ‘Dos calvados’, maar ook zei hij: ‘Altijd blijven lachen’. Blijven lachen, lieve mensen, want we gaan allemaal dood en eenmaal zover heeft het echt geen enkel belang meer of uw leven een hemel was of een hel of iets tussenin.

Nog iets over het woord ‘meerder’ in de betekenis van ‘groter’. Dat zeggen wij zo in ons West-Vlaams dialect. Een Nederlander of een Vlaming uit een andere streek kan dit een fout vinden, maar naar mijn gevoel kon hier alleen maar ‘meerder’ staan en niet ‘groter’.

===================

20 jaar dichter (4)

Bladerend in Inbreng nihil, mijn tweede bundel die volgde anderhalf jaar na Niets met jou, lees ik gedichten die ik me onmogelijk nog herinner. Andere zijn dan weer erg vertrouwd. De ene heb ik nooit voorgelezen tijdens lezingen of festivals, de andere heel vaak.

Een gedicht niet brengen op een podium heeft niets te maken met de kwaliteit ervan. Een dichter moet het de luisteraars niet al te moeilijk maken. Luisteren is lastig. Je moet vermijden dat de toehoorders wegdromen omdat ze niet kunnen volgen. De keuze van voorleesgedichten is daaraan ondergeschikt.

Het valt met de goorheid, waar ik het in deel 3 van deze rubriek over had nog aardig mee in Inbreng nihil. Maar om te tonen dat ik mondjesmaat een gewaagder register opentrok, kies ik uit die bundel voor ‘Er is leven op spuug’.

Er stromen menselijke sappen in dit gedicht. Niet voor de eerste keer en niet voor de laatste keer. Het is een thema dat geen enkele recensent of inleider ooit heeft te berde gebracht. Het gaat altijd over hilariteit en absurde wereld en vervreemding en de bizarre kijk op het gewriemel van de mens.

Dat is allemaal waar. Maar de mens is in de eerste plaats een vochtige zak slachtafval in wording. Misschien is die visie mijn manier om me niet te moeten verzoenen met de dood die vroeg of laat onvermijdelijk zal langskomen. Ik ben vooralsnog geen fan van doodgaan. Meer zelfs, ik ben doodsbang – what’s in a name?

ER IS LEVEN OP SPUUG

De op een na laatste man mijmerde over het gemak waarmee 
hij alles en iedereen had overleefd. Pas jaren later stelde hij 
vast dat de souplesse in wervelkolom hem toeliet om
moeiteloos met de mond zijn genitaliën te beroeren. 

Aanvankelijk hield hij niet zo van de smaak, maar het wende, 
en in de herfst van zijn bestaan spoog hij zich een zoon die 
evenmin de laatste zou zijn geweest, ware het niet dat de jongen 
qua spinale mogelijkheden minder bedeeld was dan zijn vader. 

De werkelijk laatste man rochelde zich de pleuris en herschiep 
de aarde in één grote klodder spuug. In het schuimende speeksel 
ontwikkelde zich de primaire vorm van iets wat eerder niet bestond. 
Jakkes was de gedachte. Evolutie het woord. 

                                                 ===================

20 jaar dichter (3)

20 jaar geleden verscheen mijn debuutbundel Niets met jou. Als het eerste nummer in de prestigieuze Sandwich-reeks onder redactie van Gerrit Komrij, werd daar dan altijd aan toegevoegd, zeker in de tijd dat Komrij nog leefde.

Ik heb eerder op dit weblog al eens gedichten uit Het dikke meisje en de ziener van commentaar voorzien. Het is not done, maar het werd gesmaakt. Ik wil nu hetzelfde doen met een aantal gedichten die ik de voorbije 20 jaar publiceerde, gespreid over 7 bundels.

OEVERS 

Ik probeer het mij soms voor te stellen: 
thuiskomen bij jou,  
je hangt het natte goed te drogen,  
groet me zacht zonder zoen 
met roodomrande ogen.  

Je zoon roept pang pang en om zijn vader  
terwijl hij met zijn vinger naar me schiet.  
Je zegt het wordt wel beter later,  
ik knik van ja maar vrees van niet

want hoezeer ik jij en jij mij graag ziet  
bestaat evenveel als een mens uit water  
de liefde uit verdriet. 

Een gedicht wordt sterker als je het in de ik-vorm schrijft, heb ik altijd beweerd. In nieuw werk, dat mijn werkkamer nog niet verlaten heeft, probeer ik af en toe wat komaf te maken met dat Everyman-gedoe. Je kunt ook een Pol, Barbara of Abdullah opvoeren. Of de hond Fifi, of de kat Fluffie.

In ‘Oevers’, in mijn beginjaren een van mijn lievelingsgedichten, kruip ik in de huid van een man die in een nieuw samengesteld gezin met stiefkind is beland. Dat stiefkind lust hem niet en de relatie tussen de partners lijdt daaronder. Relationele sores heeft mij altijd geboeid. Dat hoeft niet te verwonderen. Zowat alle boeken, films, popsongs … gaan over relationeel gedoe.

‘Oevers’ was een van mijn lievelingsgedichten omwille van de tweede strofe die ik nog altijd fantastisch vind. Maar in strofe drie maak ik het gedicht beduidend minder sterk. Stel dat de wijsheid die erin voorkomt waar zou zijn, dan nog heeft de dichter, ik dus, er zich al te gemakkelijk van af gemaakt. Het gedicht verdiende na die beeldende tweede strofe een betere uitwerking.

Ik had misschien ook de omwille van de klank bewuste taalfout ‘ik jij’ niet moeten maken. Er zijn poëziewatchers die begrippen als ‘graag zien’, ‘liefde’ en ‘verdriet’ onduldbaar vinden in poëzie. Ik ga niet zo ver. Als het past in een gedicht kun je dergelijke ‘grote woorden’ gebruiken.

Ideaal is dat je de ongeschreven wetten van de poëzie een neus zet door met die verboden woorden iets groots uit de mouw te schudden. Dat had ik in gedachten, maar hoewel de slotstrofe niet superslecht is, had ik dit beter moeten doen. Ik had het beeldende van de tweede strofe moeten voortzetten. Show, don’t tell, weet je wel.

‘Oevers’ werd niet opgenomen in mijn verzamelbundel Grootste Hits! De Jaren Nul, die een nochtans ruime selectie bevatte uit mijn eerste drie publicaties. Dat had te maken met die mindere strofe, maar ook met mijn ontwikkeling als dichter.

Tegen de tijd dat Grootste Hits! De Jaren Nul verscheen, eind 2009, had ik mijn poëtische invloeden al lang de rug toegekeerd. In de loop van het eerste decennium van deze eeuw ontdekte ik dat poëzie ook onnozel en goor mag zijn in plaats van lieflijk en sereen. Liefst zelfs.

Mijn statuut veranderde gaandeweg van ‘Ontdekking van de Dichter Des Vaderlands’, voor wie een journalist van De Morgen in het holst van de nacht – nou nou, het was laat, winter en donker, maar toch niet het holst van de nacht, overdrijf je nu niet een beetje, Hoorne? – allerijl het Vlaamse land doorkruiste om mij toch maar als eerste te kunnen interviewen, naar poëtische outcast. Daarover meer in de volgende afleveringen.

===================

20 jaar dichter (2)

20 jaar geleden verscheen mijn debuutbundel Niets met jou. Als het eerste nummer in de prestigieuze Sandwich-reeks onder redactie van Gerrit Komrij, werd daar dan altijd aan toegevoegd, zeker toen Komrij nog leefde.

Ik heb eerder op dit weblog al eens gedichten uit Het dikke meisje en de ziener van commentaar voorzien. Het is not done, maar het werd gesmaakt, zo leerde ik uit de vele reacties. Ik wil nu hetzelfde doen met een aantal gedichten die ik de voorbije 20 jaar publiceerde, gespreid over 7 bundels.

WINTERAVOND

Hoe dit huis bij zichzelf naar binnen kijkt 
en wij amper meer zijn dan spiegeling 
onwetend van wat beweegt buiten 
het schijnsel van de straatlantaarn,

hoe wij naar buiten naar binnen zien 
al die donkere uren onszelf aanschouwen 
als vreemden die steeds weer passeren,

hoe wij in ogen kijken en ons afvragen wie 
wij zijn en waarom precies wij,

en of het ooit weer lente wordt. 

Er schuurt iets tussen de protagonisten die de 'wij' vormen. Ze zijn veroordeeld om hun tijd in dezelfde ruimte door te brengen. Als ze naar buiten kijken, zien ze wat zich onder de straatlantaarn bevindt, en in de reflectie van de ramen zien ze zichzelf en de ander. 

De confrontatie met zowel zichzelf als met die ander is niet prettig. Degene die je vertrouwd is, lijkt in de vorm van een weerspiegeling ineens een vreemde. En ook de eigen spiegeling voelt onprettig aan.

In de derde strofe wordt er door het raam in ogen gekeken. De eigen ogen en die van de ander. Er rijzen vragen als daar zijn: wie zijn wij, wat doen wij hier? Waarom precies wij? Het is de kern van het gedicht. Waarom precies wij hier en nu samen?

Strofen van eerst 4, dan 3, dan 2 regels en tenslotte nog één eenzame regel. Een gedicht als een leeglopende ballon, die mogelijk symbool staat voor de relatie tussen de twee in het gedicht figurerende personen.

De eerste strofen beginnen met hetzelfde woord, een trucje dat soms werkt, soms niet. In dit geval een vragende ‘hoe’ die geen vraagteken behoeft.

Wordt het ooit weer lente? In het gedicht komt geen ‘ik’ en geen ‘jij’ voor, alleen een ‘wij’.

Een klassiek gedicht, zowel qua vorm als qua inhoud, dat mij nog altijd zeer bevalt. Braaf en zonder weerhaken en geheel gespeend van absurdisme. Toen nog wel.

===================

Inleiding bij de dichtbundel ‘Waagzin’ van Geert Viaene

Op zaterdag 1 oktober werd in O666 te Oostende de nieuwe dichtbundel van Geert Viaene voorgesteld. Ik mocht de inleiding verzorgen.

Beste Geert, Samira, geacht publiek

Ik leerde Geert Viaene kennen in het voorjaar van 2012. Hij was ingeschreven voor een poëziecursus die ik gaf in de lokalen van Avansa Brugge, toen nog VormingPlus. Geert is op dat moment tamelijk nieuw in het dichterswereldje. Op 16 maart 2012, dat moet na de derde van vier cursusavonden zijn, vraagt hij me in een e-mail wat de Dikke Komrij is. De Dikke Komrij is de troetelnaam voor de lijvige poëziebloemlezing samengesteld door Gerrit Komrij zaliger. Een week later vraagt hij me, alweer in een mail, wanneer ik de stap heb gezet om gedichten te publiceren en hoe het was om kritiek te krijgen. Hij vraagt hoe het voor mij voelt om recensent te zijn. Nog in dezelfde mail zegt hij dat hij mijn feedback en die van de andere cursisten heel leerrijk vond, en dat de cursus wat hem betreft veel langer had mogen duren. Het is duidelijk dat ik hier te maken heb met iemand die honger heeft. Grote honger, poëziehonger.

Geert zit tijdens de cursusavonden steevast dicht bij mij, aan mijn linkerzijde. De streber van de groep. Ik houd van strebers. Ze illustreren perfect mijn levensmotto: ‘Als je iets wil doen, doe het dan goed, of doe het niet’. Wat meteen verklaart waarom ik heel veel dingen niet doe, maar dit terzijde. De cursisten krijgen tussen de sessies door opdrachten te verwerken. Geert doet meer dan wat hem verwacht wordt. Hij is een schrijfbeest. Er is een website, waar dichters ongefilterd hun werk mogen publiceren. Als ik Storees bezoek, zo heet die site, en hij bestaat nog steeds, dan is daarop één naam prominent aanwezig: Geert Viaene.

Ooit stond op de voorpagina van een Vlaams poëzieblad de hovaardige uitspraak van een dichter, nog niet eens half zo goed als Geert Viaene, die van zichzelf zegt dat hij de Lionel Messi van de poëzie is. Wel, laat Geert Viaene dan de Cristiano Ronaldo van de poëzie zijn. Ik verklaar me nader. Cristiano Ronaldo komt ondanks zijn staat van dienst nog altijd als eerste aan op de club en vertrekt als laatste. Bekend is het verhaal van een Zuid-Amerikaanse voetballer, ploegmaat van Ronaldo, die op zijn eerste werkdag bij zijn nieuwe club indruk wilde maken op de trainer door heel vroeg de fitnesszaal op te zoeken. Toen hij die betrad werd hij begroet door Cristiano Ronaldo, die er net een flinke work-out had op zitten.

Ik wil maar zeggen: ik hou van mensen met een gezonde arbeidsethos, die hun vak bijzonder ernstig nemen, er volledig voor gaan en niet beschaamd zijn om dat toe te geven. ‘Poëzie is als een drug, ik kan niet meer zonder,’ zegt Geert op een Nederlandse website. Zijn werklust legt hem geen windeieren. Geert neemt vaak deel aan poëziewedstrijden en gaat geen schrijfopdracht uit de weg. Zo scherpt hij zijn metier almaar aan. Gooi hem een onderwerp voor de voeten en hij maakt er poëzie van. De gedichten van Geert Viaene werden veelvuldig bekroond en vandaag vieren we de geboorte van zijn derde bundel sinds 2016. Dat is een fraaie frequentie.

Ik sta hier niet op mijn gemak. Net als ik is Geert een perfectionist. Hij verwacht ongetwijfeld dat ik de thema’s uit Waagzin hier een voor een omstandig uit de doeken doe. Om mij alvast een beetje in te dekken voor het geval ik er een potje van maak, zeg ik u dit, geacht publiek: thema’s, moeten wij ons druk maken om zoiets als thema’s? Stel dat ik u twee romans zou aanbieden. De eerste roman handelt over iemand die een wereldreis maakt, op die reis tal van leuke en spannende dingen beleeft et cetera et cetera. Klinkt aantrekkelijk, maar elke zin is gruwelijk mismeesterd en doet pijn aan de ogen. Het boek lijkt wel geschreven door een kind van het derde leerjaar. De tweede roman die ik u voorleg handelt over een man die een schilderijtje ophangt aan een muur. Er gebeurt niets anders dan dit: een man hangt een schilderijtje op aan een muur. Deze roman is briljant geschreven. Bij elke zin gutsen de tranen uit uw ogen, van het lachen, van het huilen, maar vooral omdat u zichzelf vervloekt omdat u nog niet over één procent van het talent beschikt van de auteur van het boek met als titel De man die een schilderij ophangt.

Geert Viaene combineert het beste van beide werelden. Zijn taal is krachtig, zijn stijl verzorgd en zijn thema’s veelzijdig. Geert had het mij gemakkelijk kunnen maken door een eendimensionale bundel te schrijven. Dan had ik kunnen zeggen: dames en heren, Geert Viaene heeft een bundel geschreven over de teloorgang van de koekoeksklok, over de penibele arbeidsomstandigheden van de mijnwerkers in Chili of over de invloed van The Spice Girls op de genderproblematiek van de 21ste eeuw. Niets van dat alles.

Ik besloot mijn queeste te beginnen bij de titel en de cover, want reken maar dat Geert voor beide niet over één nacht ijs is gegaan. De titel. Waagzin. ‘Waagzin’ is een neologisme dat refereert aan ‘waanzin’. ‘Waagzin’ is zin om iets te wagen. ‘Wagen’ betekent volgens Van Dale ‘op het spel zetten’. Je niet door angst of onzekerheid laten tegenhouden. ‘Waagzin’ is goesting hebben om iets te doen waarvan je niet weet of het goed zal aflopen.

De coverfoto is gemaakt door Koen Demuynck, een bevriend fotograaf. Een man staat in de duinen, hoog op een ladder. In de verte is de zee te zien. De ladder wordt op de grond vastgehouden door een andere man. De man op de ladder maakt een foto van een vogel. De ladder is uit balans. Het zal maar even duren vooraleer de man op de ladder ter aarde stort, terwijl de vogel onverstoorbaar in de lucht blijft hangen.

Er wordt in deze bundel enkele keren gevallen, maar zonder veel erg. In het gedicht ‘Stoom jezelf klaar’ is het vallen, ik citeer, ‘het begin van je show’. Eén gedicht verder is het vallen geruisloos. In het gedicht ‘Hoe massief is waagzin’ staat dan weer dat iedereen kan leren vallen. Om dan langzaam weer recht te krabben. ‘Krabben’ staat er, niet ‘krabbelen’. Krabben is met poten of nagels krassen. Het is ook het meervoud van krab. Geen toeval allicht dat Geert hier koos voor krabben in plaats van het meer voor de hand liggende krabbelen. De liefde voor de zee, voor de natuur is door heel de bundel verweven.

In sommige uitgeverijen worden de flapteksten geschreven door een redacteur. Meestal is de dichter daar niet helemaal tevreden over. Ik voel aan mijn water dat Geert zijn flappen zelf schrijft. Flappen zijn belangrijk. Het is de flaptekst die potentiële kopers moet bekoren. Ik lees de zijflap vooraan: We zetten alles in op de twijfel. Jij bent het experiment. Je durft het aan je onder te dompelen in een ander soort zin. Dit is je bestemming: Anarchipel, een utopisch oord waar iedereen welkom is, waar je het gevoel krijgt er bij te horen. Er is plaats voor het menselijk tekort. Is die jij de vallende mens, vraag ik me af. Moet de mens gereset worden? Is het daarom dat vallen quasi pijnloos is, omdat er na het recht krabben een land, Anarchipel genaamd, op ons wacht? ‘Welkom in Anarchipel’, lezen we op pagina 16. Is Anarchipel een Atlantis 2.0? In elk geval zit er een verwijzing in naar Archipel, de dichtbundel van Paul Snoek. Het motto van de bundel komt van Snoek: ik ben een ruïne van de zee / omringd door alle namen van het water / waar elke droom een eiland wordt. De tweede afdeling van Waagzin heet ‘Zeeruïnes’. Daarover straks meer. Het is sowieso een plek waar iedereen welkom is. Hier spreekt Geert Viaene, de wereldburger, de globalist.

Het eerste deel van de bundel heeft als titel ‘Een waagzinnige reis’. Het is geen rechtlijnige reis van punt A naar punt B. Er worden nogal wat lussen getrokken en loopings gemaakt. Welkom in Anarchipel. Mag ik de plaatsnaam lezen als de samentrekking van anarchie en archipel? Heeft de dichter het zo bedoeld? Een geromantiseerde anarchie misschien. Nogmaals: wat voor een wereld is Anarchipel? De flaptekst zegt: een oord waar iedereen welkom is, waar je het gevoel krijgt er bij te horen en ook nog er is plaats voor het menselijk tekort.

Dat laatste houdt mij bezig. Het menselijk tekort is de Nederlandse vertaling van La condition humaine van André Malraux, een boek over revolutie. De Engelse titel luidt overigens Man’s fate, het lot van de mens. Moet de mens vallen om zich nadien onder te dompelen in een ander soort zin? Zin, zo staat het in de flaptekst. Drie letters, een woordje dat we allemaal kennen, maar ik weet, dit is een bundel van Geert Viaene, ik mag nergens zomaar overheen lezen. Zin betekent volgens Van Dale zowel verstand, gevoel, begeerte als nut. Ziehier het genie van Geert Viaene. Je denkt als lezer: een ander soort zin, wat is dat nu voor een zin, maar ontcijfer ze en je schiet een heel eind op. Het gedicht ‘Iedereen kent iedereen’ over de begrafenis van een moeder eindigt met de regels ‘mama, ik moet het toegeven / je doet je best aanwezig te zijn / je bent een vogel die migreert // je kent geen grenzen, je vindt zin / buiten de straat het dorp de stad / je vliegt over grijze blokkendozen.’

O, hoor ik u denken, is dat het? Heeft Geert Viaene een bundel gemaakt over het leven in een nieuwe, geïdealiseerde wereld? Een wereld waar we heen gaan als we van een ladder vallen omdat we te hoog hebben geklommen en onze nek breken? Neen, zo eenvoudig is het niet. De bundel start met een aantal gedichten die kunnen gelezen worden als gedichten over ziekte. Maar die ziekte kan ook staan voor het zich klaarmaken voor het vertrek naar Anarchipel. Ik stel mij te veel vragen, merkte ik, terwijl ik de bundel voor de zoveelste keer las.

Het is heerlijk rondstruinen in Waagzin. Sommige gedichten hebben een science-fiction-uitstraling, andere zijn dan weer zo aards en volks als maar zijn kan. Pinball Wizard van The Who passeert de revue, alsook L’Origine du Monde, het vaginaschilderij van Gustave Courbet, maar het kan ook de film zijn. De film L’Origine du Monde gaat over een man die ineens merkt dat zijn hart niet meer klopt. Hij is echter bij bewustzijn, hij spreekt, hij beweegt. Leeft hij nog? Is hij al dood? Het onderwerp van de film sluit aan bij Waagzin. Verder botsen we in de bundel op een aantal figuren zoals Mehmet die nog altijd wacht op zijn universiteitsdiploma uit Damascus, Ganjargal en Mumtaaz uit Mongolië en niet te vergeten Tania, die een cabardouche uitbaat en in meerdere gedichten haar opwachting maakt.

Over naar het tweede deel van Waagzin met als titel ‘Zeeruïnes’. De zijflap achteraan maakt melding van de film Making a splash van de Britse regisseur Peter Greenaway. Greenaway maakte veel films waarin water centraal staat. Hij woont in Amsterdam, onder zeeniveau. Hij zegt het volgende over water: Water is een nuttige vriend, een verschrikkelijke meester. De Bijbelse zondvloed vernietigde de schepping. Het zou zo weer kunnen. En hij zegt ook nog dit: Het eerste waar we naar zoeken in ons verlangen om contact te maken met buitenaardse wezens is de aanwezigheid van water. We kunnen anticiperen op de komende wateroorlogen. De zeeën stijgen, delen van de wereld staan ​​al onder water. Einde citaat. Kortom, beste mensen, water is alles. U en ik zijn vooral water, we zijn het en we kunnen niet zonder.

Badparels komen in zee terecht / oesters verslikken zich in hun eigen / luchtbellen, al in de eerste regel van de afdeling ‘Zeeruïnes’ uit Geert Viaene zijn bekommernis om de zee en alles wat zich onder het wateroppervlak bevindt. Met het gedicht ‘Akkoord voor de Noodzee 2030’ was Geert Viaene een van de drie winnaars van de schrijfactie ‘Zo spreekt de zee’. De dichter trekt in een aanklacht tegen het mismeesteren van de zee een nieuw register open, met neologismen en een speelse taal die eigenlijk dwars op de inhoud staat en precies daardoor opvalt en bekoort. Ik citeer: we zijn akkoord // om met je te lunchen, je te lynchen / je gezamenlijk te vermoorden, zee // met je vissige vissen in die wijde / weide, je meent, je meent het, je // meent het toch niet, de kinderen / spelen, beminnen, aanbidden je // opgedroogd zout, wie blijft er aan / boord terwijl de hele vloot vergaat // vraag het aan het water, vraag ‘t / vervaag het, waag het allemaal. En zo komen we terug uit bij Waagzin.

‘Laat de zee de zee’ luidt de titel van het navolgende gedicht. Het gaat om meer dan de zee. De bekommernis gaat uit naar de gehele planeet en de universele mens. Noem Waagzin alstublieft geen klimaatbundel, noem dit geen natuur- of landschapspoëzie. Dat zou een belediging zijn voor dit formidabele en gevarieerde werkstuk waarin gedichten staan die effenaf perfect zijn. Centraal in de bundel staat de mens. Mensen van hier, mensen van elders. Geert Viaene is een uomo universale. Een definitie die ik vond van uomo universale luidt: iemand met een goed ontwikkeld atletisch lichaam, een scherp verstand en bekwaamheden op veel gebieden, met name in de kunsten. Klopt helemaal, want Geert is behalve dichter ook straatmuzikant, langeafstandsloper en opvoeder.

Ik wil graag, alvorens nog iets te zeggen over de vorm, een van die perfecte gedichten voorlezen. De titel is ‘Door de aders van bloesemwitte lakens’.

DOOR DE ADERS VAN BLOESEMWITTE LAKENS

het matras is nog lauw en lichtjes ingezakt waar zij lag
zij houdt eraan na het vrijen op te staan om te plassen
en zich daarna in te zepen, wat kan er mooier zijn dan

haar arm die op en neer glijdt, het washandje dat drupt,
dat zich tussen haar benen wringt of het zweet uit haar
oksels spoelt, dat rond haar borsten walst en haar buik

besprenkelt, waarna zij terug naast jou komt liggen, zij
dampt nog een beetje, zoals paarden ‘s morgensvroeg
in de weide briest zij, zij schudt haar lange zwarte haar

heen en weer voor zij haar hoofd op het kussen schikt
traagjes herneemt het opzwepen zich van voor af aan
het matras beweegt en is opgeschrikt, heel even maar

Mocht u het gedicht dat ik net las op papier kunnen zien, dan zou u merken dat het zich tussen twee quasi volmaakt verticale denkbeeldige lijnen bevindt. U denkt misschien, o dat is gemakkelijk, daar bestaat in Word de functie ‘Uitvullen’ voor, Ctrl-J. Maar die gebruikt Geert helemaal niet. Probeer maar eens een gedicht te schrijven zoals ‘Wij jubelen het schuim op onze mond’ dat bestaat uit 22 regels die, op een luttele millimeter na, allemaal even breed zijn. Met enjambementen alleen red je het niet. Hier is over nagedacht. De strofen bestaan bijna overal uit twee of drie versregels. Zelden wordt hiervan afgeweken. Geert gebruikt geen hoofdletters en punten, wel komma’s en dubbelepunten.

Dit is geen ik-bundel. Het woord ‘ik’ komt nauwelijks voor. Het woord ‘je’ des te meer. 166 keer, dat is het totaal van de ‘je’ als persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord. Als ‘je’ zo vaak gebruikt wordt, dan wordt dat een soort synoniem van ‘ik’, maar minder ikkerig dan dat er ‘ik’ zou staan. ‘Je’ is bescheidener. ‘Je’ vraagt betrokkenheid van de lezer. Maar die lezer is ook maar een mens. Hij mag getutoyeerd worden. Het persoonlijk voornaamwoord ‘u’ komt geen enkele keer voor. ‘We’ en ‘wij’ komen samen 38 keer voor en dan nog voornamelijk geconcentreerd in een luttel aantal gedichten.

Ik moet het nog even hebben over de titels van de gedichten. De titels nodigen uit om het gedicht te lezen. Ze vatten het gedicht niet samen waardoor je de inhoud van het gedicht al op voorhand kent. Evenmin zijn ze nietszeggend en er bij de haren bijgesleurd als een soort klus die moet volbracht worden. Titels zijn belangrijk en ze zijn net goed. Ze zijn pittig en geven iets prijs. Ze maken nieuwsgierig alsof je binnenkomt in een huis waar het heerlijk geurt naar lekker eten. Je wil zien wat er bereid wordt en meer nog, je wil zo snel mogelijk aan tafel aanschuiven. Enkele voorbeelden van titels: ‘De strikte richtlijnen om te genezen van muziek’, ‘Het uitzicht van iemand die valt’, ‘Tania’s papegaai houdt absoluut niet van willekeur’ of ‘De verf zit nog onder de nagels’.

Geert Viaene, mijn pupil van tien jaar geleden, heeft met Waagzin een dichtbundel afgeleverd die de komende weken in de gespecialiseerde en hopelijk ook andere media alom zal bejubeld worden. Ik schroom me om hem ‘mijn pupil’ te noemen. Heb ik, omdat Geert destijds één of twee kortlopende poëziecursussen bij mij volgde, een verdienste aan zijn ontwikkeling? Jazeker. Een half procentje misschien. Maximum. De andere 99,5 procent is de verdienste van mogelijk anderen en vooral van Geert zelf. De taalvaardigheid die Geert Viaene in zijn poëzie etaleert, die was er al, die is er altijd geweest en die zal er altijd zijn. Taalgevoel is zoals balgevoel of een rekenknobbel. Je krijgt het mee met de geboorte. Je kunt het talent ontwikkelen of in de grond stoppen. Geert Viaene stortte zich resoluut op het eerste. Ik wil eindigen met een cliché dat vandaag allerminst een cliché is: deze poëzie verdient veel lezers. Ik zou zeggen: aanschuiven straks bij Leo om de bundel op te halen. Ik dank u voor uw aandacht.

Philip Hoorne
1 oktober 2022

===================

Kleuter uit Izegem redt de planeet

Ik zag een man uit Izegem, die ik al jaren ken. Vaag ken. Opeens zegt hij: ‘De manier waarop jij dat daar aanpakte met die kleuters, fantastisch was dat. Ik zal dat nooit vergeten. Mijn dochter zat toen in dat klasje van juffrouw Bernadette.’

Kleuters? Ik heb maar één keer iets gedaan voor kleuters, dus ik weet waar hij op doelt, maar de herinneringen aan die dag, een voormiddag geloof ik, lijken verzwolgen door de tijd. Het enige wat ik mij nog meen te herinneren is dat ik, toen ik van mijn auto naar het schooltje liep, bij mezelf dacht: waar ben ik aan begonnen? Maar juffrouw Bernadette had het zo mooi gevraagd. En dat de kleuters op de grond zaten (op kussentjes?) en ik op een stoel (stoeltje? waarschijnlijk te klein voor mijn postuur). En dat de ouders er het laatste uurtje of zoiets bij mochten komen.

Na enig zoeken vind ik de foto, die op het einde van de voormiddag genomen werd. Bellevue heette het schooltje. Nooit van gehoord, zou ik antwoorden als iemand mij die naam voor de voeten zou gooien, maar dat klopt dus niet. Verder staat onder de foto vermeld dat er een dansversje werd aangeleerd. Was ik daarbij? Ik heb zeker niet gedanst, dat zullen de juffen wel geweest zijn.

En dat mijn bundel, mijn enige bundel die ik op dat moment had gepubliceerd – de foto moet dateren van het jaar 2004 of daaromtrent – niet Niets met jou heet maar Niet met jouw. En dat het een kinderboek is. Ha, die journalisten toch. Als je het niet allemaal voor ze opschrijft, maken die er gegarandeerd een potje van.

Ik kan niet stoppen met te kijken naar deze foto. Wat was er met mijn haar aan de hand? Ik lijk wel de dikke broer van Xavier Roelens. Ik draag mijn blauw dichtershemd met witte knopen en mijn zwarte trui die ik tot en met de col kan dichtritsen, en die ik na bijna 20 jaar nog altijd draag om te fietsen of te wandelen, als de temperatuur dat vereist. Of is dat mijn blauwe jasje, ook nog altijd niet versleten?

Maar het zijn vooral de kleuters die mijn aandacht vasthouden. Wat een leuke bende. Jazeker, ik ben van mening dat koppels met een kinderwens niet één, twee, drie, maar wel tien keer moeten nadenken voor ze aan kinderen beginnen. In de hoop dat ze van al dat nadenken al geen goesting meer hebben. Eenmaal geboren kun je ze echter niet meer terug naar af duwen.

Maar op jonge leeftijd, laat ons zeggen tot en met juffrouw Bernadette’s klasje, zijn kinderen best leuk. Daarna heel vaak niet meer. Wat de natuur met vruchtbare vrouwen doet is dit: overal om hen heen baby’s, peuters en kleuters laten opduiken, zodat die vrouwen denken: ik lust ook wel zo’n schattig wezentje.

De bengels en bengelinnetjes op de foto zijn inmiddels vooraan in de twintig. Je trof ze de voorbij dagen misschien met een beate glimlach en met van die idiote glinsters op hun kop aan op Tomorrowland. Of ze maken over enkele weken lallend en zwalpend Kamping Kitsch onveilig. Hoeveel nemen er regelmatig drugs? Welk jongetje slaat zijn vrouw? Welk meisje steelt in de supermarkt? Wie is de witteboordencrimineel?

Neen, sorry, ik mag zo niet denken. Opnieuw. Welke jongen slooft zich als vrijwilliger uit in de overstroomde gebieden? Wel meisje is een heldin in de zorg. Wie helpt al eens een oud vrouwtje de straat oversteken? Wie doneert elk jaar aan Kom Op Tegen Kanker? Wie staat op het punt een uitvinding te doen die de planeet zal redden?

Het dikke Wikipedia-meisje en de literaire ziener uit Nederland

Af en toe moet je jezelf eens googelen. Het wordt beschouwd als een daad van ijdelheid, maar ik doe het vooral om te achterhalen of er op het net iets rondwaart over mij dat ik zelf nog niet wist.

Zo ontdek ik vandaag een recensie van Het dikke meisje en de ziener op Literair Nederland, van de hand van docent Nederlands Hettie Marzak. Ik ben er verguld mee. De nagel wordt hier door mevrouw Marzak meer dan eens op zijn kop geslagen.

Eveneens vandaag ontdek ik dat er van mij een Wikipedia-pagina bestaat. Het is op die pagina trouwens dat ik de in voorgaande alinea genoemde recensie terugvond.

Vogeltje

Mijn gedicht ‘Vogeltje’ uit mijn debuutbundel Niets met jou en mijn compilatiebundel Grootste Hits! De Jaren Nul is opgenomen in de bloemlezing Van vogels krijg je nooit genoeg, samengesteld door Jan de Bas en Arie Bijl.

Bij de hyperlinks hierboven bevindt er zich een naar een interview dat ik gaf aan Knack. Ik wist dat Grootste Hits! De Jaren Nul door Bart Van der Straeten gerecenseerd werd, maar ik wist niet meer dat daar een kort interview aan gekoppeld was. Ik stel vast dat ik dertien jaar later nog altijd achter de uitspraken sta die ik toen deed.

20 jaar Het Liegend Konijn

Het Liegend Konijn bestaat 20 jaar. Dat wordt op zaterdag 4 juni gevierd in CC De Steiger in Menen. Iedereen kan zomaar gratis ende voor niks naar het verjaardagsfeestje van het beste en meest prestigieuze poëzietijdschrift van de Lage Landen, het geesteskind van Jozef Deleu, die 20 jaar geleden het simpele en net daarom lumineuze idee had om een lijvig tijdschrift uit te brengen met alleen maar gedichten.

Het konijn is lief geweest voor mij. Werd mijn eerste spontane inzending begin deze eeuw nog vriendelijk afgewezen, later werd mij herhaaldelijk om werk verzocht door konijnenbaas Deleu.

U denkt dat dit weblog dient om u te vermaken met af en toe enige flauwekul, een muziekvideootje, een cassante mening of een onvoltooid verhaal. Dan heeft u dat goed. Maar het is ook een archief, een inventaris. Als ergens werk van mij verschijnt, dan meld ik dat hier en kan ik dat later hier terugvinden. Het is als het ware een deel van mijn geheugen.

Ik som op welke gedichten van mij in Het Liegend Konijn werden gepubliceerd:

Nummer 2007-1

  • Mijn kruis! Mijn kruis! Een kingdom voor mijn kruis!
  • Kippig gedicht over haan inclusief moraal
  • Lucky
  • Ooit ergens tussen A’pen en A’dam
  • Voor het verscheiden
  • TV zee

Nummer 2008-2

  • Ik zal je
  • Moordgriet
  • Pluche & plastic
  • Was bevuild
  • Wensbeeld
  • Zone 30

Nummer 2010-2

  • er zijn mensen die er lacherig over doen
  • iemand belde me op kantoor iemand die geen
  • lopers langs de leie
  • minder dan twee jaar geleden was hij gestopt
  • toen ik van het station
  • niets zo randdebiel als twee mannen
  • een vrouw met een hoofddoek
  • wat ben je mooi
  • waarom de hand van een man
  • het allerbelangrijkste vinden jullie

Nummer 2012-2

  • Textielhuis
  • Top 30
  • Bij het afrekenen
  • Hygiëne
  • Poes
  • Nobelprijs
  • Dansen is niet oneerbaar
  • Beulengekeuvel
  • Vlinder
  • Kikker

Nummer 2014-1

  • Mister Mortuarium 1.2.3.4.5.

Nummer 2016-1

  • Das Leben der Anderen
  • Gaan met die banaan
  • In dubio
  • Kalfjes
  • Kliphanger
  • KNT
  • Schuldig

Nummer 2018-2

  • Darwin
  • De preker in de woestijn
  • Gewicht zal het je beletten
  • Het dikke meisje en de ziener
  • Lik mij mama
  • Praeter
  • Vlinders
  • Waarom
  • Would-be

Nummer 2019-2

  • De parabel van de oude man met de grote oren
  • En dan is er taart
  • Kruidenkaas treft geen schuld
  • Laika
  • Mens is de naam

Een aantal van die gedichten is nooit in een van mijn bundels verschenen. Sommige heb ik gladweg vergeten, ‘Top 30’ bijvoorbeeld. En zo zijn er nog wel een paar.

Als medewerker aan Knack wijdde ik twee artikels aan Het Liegend Konijn:

– 22 april 2009, ‘In hun blote verzen’;
– 13 april 2010, ‘Al een hok vol’.

Ik was ook een paar keer te gast tijdens presentaties van een nummer, o.a. in 2010 in Bibliotheek Permeke in Antwerpen.

Ik tipte wel eens een naam van een (nieuwe) dichter. De eerste keer gebeurde dat natuurlijk niet uit mezelf, maar op vraag van. Prompt werden die dichters dan door Jozef Deleu aangeschreven. Al die dichters verschenen ook effectief in Het Liegend Konijn. Wie die dichters zijn doet niet ter zake. Ik klap hier al te veel uit de biecht zeker?

Het Liegend Konijn is niet alleen het beste, maar ook het keurigste blad dat ik ken. Als liefhebber van orde, netheid, structuur en duidelijke afspraken kon het mij zeer bekoren dat altijd een drukproef werd toegestuurd, de eerste jaren nog op papier, later digitaal.

1 + 1 + 1 + 3 gedichten

Op De schaal van Digther verscheen mijn gedicht Story nadat daar eerder ook al Het beest in de beek en Gebaseerd op fictieve feiten werden gepubliceerd.

Het nagelnieuw en heel fraai Literair Tijdschrift Landauer, waar mijn poëziegabber Twan Vet in de redactie zetelt, plaatste dan weer drie gedichten: Advies van de crisismanager, Scherven geen geluk en Schlagerfestival.

Misschien moet ik toch stilaan eens die achtste bundel, met als werktitel Mens is de naam op de mensheid loslaten. Waarom en waarop wacht ik eigenlijk?

Philip Hoorne Schrijft… nu ook beroepshalve (5)

Philip Hoorne Schrijft… nu ook beroepshalve. Sinds 1 april 2021 ben ik redacteur bij CM-Vlaanderen. Dit betekent dat ik onder andere artikels schrijf voor Leef, het gezondheidsmagazine van CM en de Leef website.

Recente stukken staan hier, hier en hier.

Leef magazine van januari is gemaakt, maar wordt niet gedrukt omwille van een papiertekort in de drukkerij. Het digitale nummer kan hier doorbladerd worden.

Op de backcover, pagina 28, staat uw dienaar met een foto en een gedicht, dat ik speciaal schreef voor de Poëzieweek, rekening houdend met het thema van het nummer, #bezield.

De backcover staat ook op de Leef website.

In de media: Poëzieweek 2022

Weldra is het weer Poëzieweek, de week waarin de poëzie bijzondere aandacht krijgt. Ik selecteerde alvast enkele nieuwsberichten voor u.

De lezing van de Klimaatdichters is afgelast omwille van het slechte weder.

Onderzoekers van de KU Leuven hebben ontdekt dat er behalve Maud Vanhauwaert, Delphine Lecompte en Peter Verhelst nog andere dichters zijn in Vlaanderen.

De recalcitrante dichtersbende Middelvinger Poets vond voor hun naam inspiratie bij de Antwerpse literaire groepering Pink Poets.

Archeologen van de UGent hebben hun zoektocht naar de poëzieafdeling in de vestigingen van de Standaard Boekhandel gestaakt.

Omdat alle andere inwoners die een pen kunnen vasthouden het ambt al hebben bekleed, wordt aap Bambo de volgende stadsdichter van Antwerpen. Zijn eerste stadsgedicht wordt een readymade met eigen uitwerpselen. Bambo is te bereiken op het adres Koningin Astridplein 20-26, 2018 Antwerpen.

Breaking: In Brugge vond een poëzieavond plaats waarbij de geluidsinstallatie de hele avond vlekkeloos heeft gewerkt.

De verkoop van dichtbundels is tijdens corona met meer dan 300 procent gestegen. Niet minder dan 19 bundels vonden hun weg naar het publiek.

Dichters van bij ons – 27 januari 2022

Aan onderstaande affiche kan ik weinig toevoegen. In de Poëzieweek zal het weer bulken van de poëzieactiviteiten overal te lande, maar in Wevelgem moet je wezen.

Alle publicerende dichters van de gemeente – ja, alle drie – staan op de affiche. Drie dichters, evenveel stemmen.

Kenner Alain Delmotte zal vragen stellen en de dichters zullen ze beantwoorden. Er zal gelachen worden, er zal allicht niet gehuild worden. Maar je weet het nooit.

Ik zal oud werk lezen, ik zal nieuw werk lezen. Vuurspuwen en tapdansen zal ik niet doen. Collegae Deraedt en Messely ook niet, vermoed ik. Maar zoals ik al zei, je weet het nooit.

Een publiek, liefst zo groot mogelijk, een goede geluidsinstallatie en voor elke dichter een glaasje water op de onderste plank van de katheder om tussen de enjambementen even te gorgelen, en vooruit met de geit.

Mijn superfan, de geachte Manu S., zal er zijn. Superfan? Jawel, superfan. Niet superman, superfan. Misschien lees ik wel zijn lievelingsgedicht (Het dikke meisje en de ziener, pagina 10), maar misschien ook niet. Zei ik al dat je het nooit weet?

Alle vragen zullen beantwoord worden op 27 januari in de Bib in het Park. Pal in het centrum van de gemeente staat een kerk, negentig meter naar het westen toe staat een kasteel, naast dat kasteel ligt een park, in dat park staat de bib.

Don’t be square, be there. Schrijf in, u zult het zich niet beklagen.

Post uit Haarlem

Dit zijn nu echt wel de allerlaatste exemplaren van mijn zevende en voorlopig laatste dichtbundel Het dikke meisje en de ziener. Wie er nog één wil kan die bij mij bestellen via de contactpagina in het menu bovenaan. Wie liever bestelt bij de uitgeverij, kan dat doen bij de uitermate aardige heer Franc Knipscheer, gerenommeerd boekenmaker van In de Knipscheer. Of u loopt met uw mondmasker op even langs bij uw lokale boekhandelaar.

Dan toch niet de laatste als ze nog kunnen besteld worden bij uitgever en boekhandel? Ja, bijna toch wel. Zo gaat dat met boeken, je denkt dat die voor de eeuwigheid zijn en plots is er niet een nog te krijgen. Daarom heb ik snel nog mijn poot gelegd op deze 15 exemplaren.

Ik wou dat ik een vogel was (the saga continues)

Het succes van het boek Ik wou dat ik een vogel was, waarin mijn gedicht ‘Antigazon’ is opgenomen, blijft maar duren. Naast de bekroning met een Vlag en Wimpel door het CPNB is een vijfde en zesde druk van telkens 5.000 exemplaren van de persen gerold. Dit is dan ook het mooiste poëzieboek dat ik ooit heb gezien. Ik weet zeker dat de Sint of de Kerstman dit aan huis wil brengen, wink wink.

Uit de losse pols enkele tips en aandachtspunten bij het schrijven van een gedicht

Hoe schrijf je een goed gedicht? Er bestaat geen handleiding dat het zus of zo moet. Gelukkig maar dat er geen handleiding bestaat voor het schrijven van poëzie. Zo’n handleiding zou volgens mij garant staan voor een beroerd dichterschap. Wie de handleiding volgt, zou een deeltje worden van een hele lange eenheidsworst. Daarin onderscheid poëzie zich van het ontstoppen van een wc of het in elkaar zetten van een opbergkast. Dat doe je best wél planmatig. Allemaal goed en helder, maar hoe doe ík het? Wel, het begint met één woord of met enkele woorden die elkanders gezelschap opzoeken, spontaan en ongedwongen, of net wel gedwongen. Daar bouw ik op voort tot er iets staat wat nog niet goed is. Vervolgens lees ik wat er staat opnieuw en opnieuw en opnieuw, en schaaf ik telkens wat bij tot ik tevreden ben. Ik ben streng voor mezelf. Van alle gedichten die ik schreef is slechts een minderheid gepubliceerd. Die gestrengheid heeft ervoor gezorgd dat ik bij het doorbladeren van mijn bundels, wat ik nooit doe, zelden het schaamrood op mijn wangen krijg. Zeg ik met blozende wangen.

Ik begeleid, daar had ik het hier onlangs nog over, sinds 2013 het Poëzieatelier Brugge. Dichters schrijven gedichten en krijgen feedback van mezelf en van elkaar, daar komt het in het kort op neer. De dichters van het atelier hebben elk een eigen stem. Dat mag, meer zelfs, dat moet. Wat zeker niet de bedoeling is van het Poëzieatelier is dat al die dichters, tien per werkjaar, allemaal eender gaan schrijven. Dat zou een totaal verkeerde aanpak zijn. Het doel bestaat erin dat ze binnen hun eigen stem en stijl een gunstige evolutie doormaken en zelfinzicht verwerven in hoe ze hun dichterschap verder ontwikkelen, wat ook effectief gebeurt.

Ik heb ooit eens uit de losse pols enkele tips en aandachtspunten bij het schrijven van een gedicht op een rijtje gezet voor de deelnemers van het Poëzieatelier (en voor mezelf). Impulsief, in een willekeurige volgorde, zonder ook maar enige waarheid in pacht te hebben:

Zorg ervoor dat elk woord een voltreffer is. Durf wat overtollig is te schrappen.

Zoek en overweeg synoniemen (www.synoniemen.net).

Overweeg inversie, d.i. woorden van plaats verwisselen.

Idem voor gehele regels of strofen. Schuif ermee tot ze op hun beste plaats staan.

Maak het gedicht sterker door het in de verleden of de tegenwoordige tijd te zetten. Test beide uit.

Klopt het perspectief, d.i. het vertelstandpunt? Test perspectieven uit.

Bekt het gedicht goed? Heb aandacht voor ritme, metrum en klankkleur.

De lezer beschikt enkel over de woorden die er staan. Tot informatie die nodig is voor een goede lezing van het gedicht, maar die je ongeschreven laat of niet insinueert, heeft de lezer geen toegang. Lees je gedicht vanuit het standpunt van de lezer. Maar maak het niet uitleggerig.

Het gedicht mag mysterieus en moeilijk te doorgronden zijn, maar dat is niet hetzelfde als verwarrend.

Vermijd taalfouten!

Wees consequent met hoofdletters en interpunctie.

Zorg voor een mooi ogende bladschikking. Heb aandacht voor enjambementen.

Een gedicht is niet in één keer af. Lees en herlees het met tussenpozen en schaaf tot het 100% naar jou zin is.

Laat je gedicht lezen door anderen, bij voorkeur mensen die voeling hebben met poëzie. Adviezen die je nuttig lijken, neem je mee, de andere negeer je = altijd winst.

Er zijn poëziekenners die beweren dat je, nadat het gedicht stilaan vorm krijgt, eens moet nagaan of de regel waar het allemaal mee begon niet beter verwijderd wordt. Ik heb dit altijd een gekke tip gevonden, maar proefondervindelijk weet ik dat het in bepaalde gevallen klopt. Je start met iets en dan gaat het gedicht plots een heel andere kant uit, waardoor dat oorspronkelijke iets niet meer past in het geheel.

Dit zijn tips voor wie al wat op zijn blad heeft staan. Een soort van checklist. Voor wie vertrekt van een blanco blad is de belangrijkste tip dan weer: schrijf, schrijf en schrijf. Verzamel materiaal, woorden dus. Waar je die haalt maakt niks uit, de mogelijkheden zijn oneindig want woorden zijn overal, zichtbaar in de werkelijkheid of onzichtbaar in je hoofd. Voor mensen die vaak de trein nemen, leg die krant of dat boek terzijde, houd een notitieboekje en pen bij de hand, observeer, laat je gedachten de vrije loop bij wat je ziet en noteer. Kan boeiend materiaal opleveren.

Wat is voor mij een sterk gedicht? Heel eenvoudig. Voor werk van anderen geldt deze regel: als ik het gedicht na het lezen meteen opnieuw wil lezen en nog eens en misschien een derde maal, dan is het voor mij een sterk gedicht. Voor mijn eigen gedichten hanteer ik deze regel: als ik popel om ze door anderen te laten lezen of ze ergens gepubliceerd te zien, dan zit het snor.

Corona gelast af

pexels-cdc-3992933Tijdens de coronacrisis die al bijna een half jaar duurt, hebben een aantal bevriende schrijvers en dichters een eerste of een nieuw literair werk uitgebracht. Bevriend is niet het juiste woord op de juiste plaats, maar omdat bekennist of becollegaad niet bestaan, moet ik mij van het te pas en te onpas gehanteerde woord ‘bevriend’ bedienen. Ik heb geen dichtersvrienden, simpelweg omdat mijn vriendenlat zo hoog ligt dat je al een serieuze Fosburyflop onder de leden moet hebben om eroverheen te wippen. Een vriend is iemand die mij een long zou schenken, zelfs als de mijne nog alle twee in goede staat verkeren. Een reservelong kan altijd van pas komen, maar vind maar eens iemand, een vriend, een echte, die ze wil leveren. Of ik zelf iemand een long cadeau zou doen? Ben je gek? Gaan we zo beginnen, met dat verwerpelijke ‘voor wat hoort wat’, ‘if you scratch my back, I’ll scratch yours’ uit de kast te halen? Waar zijn de onbaatzuchtigen der aarde gebleven? Bestaan die überhaupt nog? Die bevriende – laten we het woord maar verder aanhouden, het bekt zo lekker en verschaft een mens een zeker aanzien, vandaar dat de meeste mensen beweren veel vrienden te hebben, hoed u voor dat slag volk – schrijvers nodigden mij uit voor de presentatie van hun boek of bundel om die uitnodiging achteraf in te trekken, want corona nietwaar en spijtig heel spijtig en later zal het wel eens want uitstel is geen afstel  het is wachten op betere tijden maar dat het boek wel al kan aangeschaft worden en zo voort en zo verder.

Vind ik het jammer dat die boekvoorstellingen niet doorgingen? Ja, toch wel. Het blozende feestvarken in een nieuwe outfit gehesen, de net iets te veel superlatieven uit zijn enthousiaste bebbel balkende inleider, de schuchtere uitgever die graag doet alsof hij liever niet op het podium wil om ook een woordje te placeren en de eerste exemplaren te overhandigen, de veel te lang uitgesponnen muzikale intermezzi – die mannen hebben hun instrumenten naar hier gesleept, uitgeladen en opgesteld en ze gaan ze bespelen en nog niet zo’n klein beetje -, de naaste familie van de dichter op de eerste rijen en hoe verder de tak zich van de stamboom bevindt, hoe dieper je ze in de zaal moet zoeken… kijk daar, dat moet de broer van de dichter zijn, heeft dezelfde rattenoogjes en alcoholneus… de harde stoelen, de muffe warmte, het raam dat niet open kan, de dame met de kriebelhoest, de schichtige laatkomers met een sorry-maar-we-vonden-geen-parkeerplaats-uitdrukking op hun gezicht, fezelende kwezels op de rij voor je, de slecht afgestelde micro, de mond te dicht tegen de micro, de mond te ver van de micro, het snerpen, ploffen en galmen van de micro, zweetstraaltjes die over je ruggengraat recht je onderbroek in gutsen, je eigen oksels ruiken, andermans oksels ruiken, het gelach om een niet zo grappig voorvalletje op het podium maar desalniettemin gelach, de vragende blikken van zij die het niet zo grappig voorvalletje op het podium gemist hebben, omdat de dame met de kriebelhoest net aan het kriebelhoesten was, en hun buurman of buurvrouw aanstoten om te vragen waarom er gelachen werd, waarop de buurman of buurvrouw reageert met een laat-mij-gerust-gebaar, waardoor ze allebei het volgende niet zo grappig maar desalniettemin gelach opwekkende voorvalletje op het podium missen… Maar leuk, waarlijk altijd heel aangenaam en gezellig om de collega-schrijvers terug te zien. O wat heb jij een poëtisch mondmasker zeg, haha, wat zeg je, je hebt er enkele verzen uit je eigen oeuvre op gezeefdrukt? Enkele verzen maar en niet je hele bundel? Ach, jij bent veel te bescheiden! Op dat groot bakkes van jou is plaats genoeg voor het verzameld poëtisch werk van Hadewijch tot heden…

Ja, ik vind het oprecht jammer dat boekpresentaties niet zijn doorgegaan. Voor datgene waar het allemaal om draait, met name het boekwerk? Niet in de eerste plaats, want ook zonder zo’n avond komt dat ding vroeg of laat wel in mijn handen terecht. Ik moet toegeven, met enige gespeelde tegenstribbeling weliswaar, want ik kleef mezelf graag een imago van einzelgänger aan (John Lydon had ooit een website met de schitterende titel Army of One), dat ik het sociale aspect van zo’n voorstelling nog het meest van al mis. Ergens bij horen, bij een groepje vakbroeders met hun geklets en gezwets, gelul en gelal, eigenlijk is dat best wel fijn. Het leukst is het als ik zelf actief aan de avond mag bijdragen, want zoals zoveel kunstenaars heb ik een drang tot expressie, maar gewoon in het publiek zitten en meegenieten van de blijdschap van het glunderende feestvarken is een aardig tijdverdrijf. We moeten iets doen tussen wieg en graf, niet? Dus, corona bitch, je hebt je punt gemaakt, je bent een heel slim en gewiekst virus, mijn felicitaties, maar wordt het niet stilaan tijd om op te sodemieteren?

Kus of ik zoen

Poezie_Kus-of-ik-zoen_vp-scaled ‘Ballotage’ uit mijn eerste bundel Niets met jou staat in de thematische Rainbow Poëzie-bloemlezing Kus of ik zoen.

Ik merk bij het openslaan van het boek dat het leeslint de bladzijde aanduidt waar mijn gedicht staat. Iemand heeft hier aandacht voor gehad, zich beziggehouden met per verzonden auteursexemplaar het leeslint aan te brengen daar waar het werk staat van de geadresseerde. Dat vind ik aardig en attent.