Dichters van bij ons – 27 januari 2022

Aan onderstaande affiche kan ik weinig toevoegen. In de Poëzieweek zal het weer bulken van de poëzieactiviteiten overal te lande, maar in Wevelgem moet je wezen.

Alle publicerende dichters van de gemeente – ja, alle drie – staan op de affiche. Drie dichters, evenveel stemmen.

Kenner Alain Delmotte zal vragen stellen en de dichters zullen ze beantwoorden. Er zal gelachen worden, er zal allicht niet gehuild worden. Maar je weet het nooit.

Ik zal oud werk lezen, ik zal nieuw werk lezen. Vuurspuwen en tapdansen zal ik niet doen. Collegae Deraedt en Messely ook niet, vermoed ik. Maar zoals ik al zei, je weet het nooit.

Een publiek, liefst zo groot mogelijk, een goede geluidsinstallatie en voor elke dichter een glaasje water op de onderste plank van de katheder om tussen de enjambementen even te gorgelen, en vooruit met de geit.

Mijn superfan, de geachte Manu S., zal er zijn. Superfan? Jawel, superfan. Niet superman, superfan. Misschien lees ik wel zijn lievelingsgedicht (Het dikke meisje en de ziener, pagina 10), maar misschien ook niet. Zei ik al dat je het nooit weet?

Alle vragen zullen beantwoord worden op 27 januari in de Bib in het Park. Pal in het centrum van de gemeente staat een kerk, negentig meter naar het westen toe staat een kasteel, naast dat kasteel ligt een park, in dat park staat de bib.

Don’t be square, be there. Schrijf in, u zult het zich niet beklagen.

Post uit Haarlem

Dit zijn nu echt wel de allerlaatste exemplaren van mijn zevende en voorlopig laatste dichtbundel Het dikke meisje en de ziener. Wie er nog één wil kan die bij mij bestellen via de contactpagina in het menu bovenaan. Wie liever bestelt bij de uitgeverij, kan dat doen bij de uitermate aardige heer Franc Knipscheer, gerenommeerd boekenmaker van In de Knipscheer. Of u loopt met uw mondmasker op even langs bij uw lokale boekhandelaar.

Dan toch niet de laatste als ze nog kunnen besteld worden bij uitgever en boekhandel? Ja, bijna toch wel. Zo gaat dat met boeken, je denkt dat die voor de eeuwigheid zijn en plots is er niet een nog te krijgen. Daarom heb ik snel nog mijn poot gelegd op deze 15 exemplaren.

Ik wou dat ik een vogel was (the saga continues)

Het succes van het boek Ik wou dat ik een vogel was, waarin mijn gedicht ‘Antigazon’ is opgenomen, blijft maar duren. Naast de bekroning met een Vlag en Wimpel door het CPNB is een vijfde en zesde druk van telkens 5.000 exemplaren van de persen gerold. Dit is dan ook het mooiste poëzieboek dat ik ooit heb gezien. Ik weet zeker dat de Sint of de Kerstman dit aan huis wil brengen, wink wink.

Uit de losse pols enkele tips en aandachtspunten bij het schrijven van een gedicht

Hoe schrijf je een goed gedicht? Er bestaat geen handleiding dat het zus of zo moet. Gelukkig maar dat er geen handleiding bestaat voor het schrijven van poëzie. Zo’n handleiding zou volgens mij garant staan voor een beroerd dichterschap. Wie de handleiding volgt, zou een deeltje worden van een hele lange eenheidsworst. Daarin onderscheid poëzie zich van het ontstoppen van een wc of het in elkaar zetten van een opbergkast. Dat doe je best wél planmatig. Allemaal goed en helder, maar hoe doe ík het? Wel, het begint met één woord of met enkele woorden die elkanders gezelschap opzoeken, spontaan en ongedwongen, of net wel gedwongen. Daar bouw ik op voort tot er iets staat wat nog niet goed is. Vervolgens lees ik wat er staat opnieuw en opnieuw en opnieuw, en schaaf ik telkens wat bij tot ik tevreden ben. Ik ben streng voor mezelf. Van alle gedichten die ik schreef is slechts een minderheid gepubliceerd. Die gestrengheid heeft ervoor gezorgd dat ik bij het doorbladeren van mijn bundels, wat ik nooit doe, zelden het schaamrood op mijn wangen krijg. Zeg ik met blozende wangen.

Ik begeleid, daar had ik het hier onlangs nog over, sinds 2013 het Poëzieatelier Brugge. Dichters schrijven gedichten en krijgen feedback van mezelf en van elkaar, daar komt het in het kort op neer. De dichters van het atelier hebben elk een eigen stem. Dat mag, meer zelfs, dat moet. Wat zeker niet de bedoeling is van het Poëzieatelier is dat al die dichters, tien per werkjaar, allemaal eender gaan schrijven. Dat zou een totaal verkeerde aanpak zijn. Het doel bestaat erin dat ze binnen hun eigen stem en stijl een gunstige evolutie doormaken en zelfinzicht verwerven in hoe ze hun dichterschap verder ontwikkelen, wat ook effectief gebeurt.

Ik heb ooit eens uit de losse pols enkele tips en aandachtspunten bij het schrijven van een gedicht op een rijtje gezet voor de deelnemers van het Poëzieatelier (en voor mezelf). Impulsief, in een willekeurige volgorde, zonder ook maar enige waarheid in pacht te hebben:

Zorg ervoor dat elk woord een voltreffer is. Durf wat overtollig is te schrappen.

Zoek en overweeg synoniemen (www.synoniemen.net).

Overweeg inversie, d.i. woorden van plaats verwisselen.

Idem voor gehele regels of strofen. Schuif ermee tot ze op hun beste plaats staan.

Maak het gedicht sterker door het in de verleden of de tegenwoordige tijd te zetten. Test beide uit.

Klopt het perspectief, d.i. het vertelstandpunt? Test perspectieven uit.

Bekt het gedicht goed? Heb aandacht voor ritme, metrum en klankkleur.

De lezer beschikt enkel over de woorden die er staan. Tot informatie die nodig is voor een goede lezing van het gedicht, maar die je ongeschreven laat of niet insinueert, heeft de lezer geen toegang. Lees je gedicht vanuit het standpunt van de lezer. Maar maak het niet uitleggerig.

Het gedicht mag mysterieus en moeilijk te doorgronden zijn, maar dat is niet hetzelfde als verwarrend.

Vermijd taalfouten!

Wees consequent met hoofdletters en interpunctie.

Zorg voor een mooi ogende bladschikking. Heb aandacht voor enjambementen.

Een gedicht is niet in één keer af. Lees en herlees het met tussenpozen en schaaf tot het 100% naar jou zin is.

Laat je gedicht lezen door anderen, bij voorkeur mensen die voeling hebben met poëzie. Adviezen die je nuttig lijken, neem je mee, de andere negeer je = altijd winst.

Er zijn poëziekenners die beweren dat je, nadat het gedicht stilaan vorm krijgt, eens moet nagaan of de regel waar het allemaal mee begon niet beter verwijderd wordt. Ik heb dit altijd een gekke tip gevonden, maar proefondervindelijk weet ik dat het in bepaalde gevallen klopt. Je start met iets en dan gaat het gedicht plots een heel andere kant uit, waardoor dat oorspronkelijke iets niet meer past in het geheel.

Dit zijn tips voor wie al wat op zijn blad heeft staan. Een soort van checklist. Voor wie vertrekt van een blanco blad is de belangrijkste tip dan weer: schrijf, schrijf en schrijf. Verzamel materiaal, woorden dus. Waar je die haalt maakt niks uit, de mogelijkheden zijn oneindig want woorden zijn overal, zichtbaar in de werkelijkheid of onzichtbaar in je hoofd. Voor mensen die vaak de trein nemen, leg die krant of dat boek terzijde, houd een notitieboekje en pen bij de hand, observeer, laat je gedachten de vrije loop bij wat je ziet en noteer. Kan boeiend materiaal opleveren.

Wat is voor mij een sterk gedicht? Heel eenvoudig. Voor werk van anderen geldt deze regel: als ik het gedicht na het lezen meteen opnieuw wil lezen en nog eens en misschien een derde maal, dan is het voor mij een sterk gedicht. Voor mijn eigen gedichten hanteer ik deze regel: als ik popel om ze door anderen te laten lezen of ze ergens gepubliceerd te zien, dan zit het snor.

Corona gelast af

pexels-cdc-3992933Tijdens de coronacrisis die al bijna een half jaar duurt, hebben een aantal bevriende schrijvers en dichters een eerste of een nieuw literair werk uitgebracht. Bevriend is niet het juiste woord op de juiste plaats, maar omdat bekennist of becollegaad niet bestaan, moet ik mij van het te pas en te onpas gehanteerde woord ‘bevriend’ bedienen. Ik heb geen dichtersvrienden, simpelweg omdat mijn vriendenlat zo hoog ligt dat je al een serieuze Fosburyflop onder de leden moet hebben om eroverheen te wippen. Een vriend is iemand die mij een long zou schenken, zelfs als de mijne nog alle twee in goede staat verkeren. Een reservelong kan altijd van pas komen, maar vind maar eens iemand, een vriend, een echte, die ze wil leveren. Of ik zelf iemand een long cadeau zou doen? Ben je gek? Gaan we zo beginnen, met dat verwerpelijke ‘voor wat hoort wat’, ‘if you scratch my back, I’ll scratch yours’ uit de kast te halen? Waar zijn de onbaatzuchtigen der aarde gebleven? Bestaan die überhaupt nog? Die bevriende – laten we het woord maar verder aanhouden, het bekt zo lekker en verschaft een mens een zeker aanzien, vandaar dat de meeste mensen beweren veel vrienden te hebben, hoed u voor dat slag volk – schrijvers nodigden mij uit voor de presentatie van hun boek of bundel om die uitnodiging achteraf in te trekken, want corona nietwaar en spijtig heel spijtig en later zal het wel eens want uitstel is geen afstel  het is wachten op betere tijden maar dat het boek wel al kan aangeschaft worden en zo voort en zo verder.

Vind ik het jammer dat die boekvoorstellingen niet doorgingen? Ja, toch wel. Het blozende feestvarken in een nieuwe outfit gehesen, de net iets te veel superlatieven uit zijn enthousiaste bebbel balkende inleider, de schuchtere uitgever die graag doet alsof hij liever niet op het podium wil om ook een woordje te placeren en de eerste exemplaren te overhandigen, de veel te lang uitgesponnen muzikale intermezzi – die mannen hebben hun instrumenten naar hier gesleept, uitgeladen en opgesteld en ze gaan ze bespelen en nog niet zo’n klein beetje -, de naaste familie van de dichter op de eerste rijen en hoe verder de tak zich van de stamboom bevindt, hoe dieper je ze in de zaal moet zoeken… kijk daar, dat moet de broer van de dichter zijn, heeft dezelfde rattenoogjes en alcoholneus… de harde stoelen, de muffe warmte, het raam dat niet open kan, de dame met de kriebelhoest, de schichtige laatkomers met een sorry-maar-we-vonden-geen-parkeerplaats-uitdrukking op hun gezicht, fezelende kwezels op de rij voor je, de slecht afgestelde micro, de mond te dicht tegen de micro, de mond te ver van de micro, het snerpen, ploffen en galmen van de micro, zweetstraaltjes die over je ruggengraat recht je onderbroek in gutsen, je eigen oksels ruiken, andermans oksels ruiken, het gelach om een niet zo grappig voorvalletje op het podium maar desalniettemin gelach, de vragende blikken van zij die het niet zo grappig voorvalletje op het podium gemist hebben, omdat de dame met de kriebelhoest net aan het kriebelhoesten was, en hun buurman of buurvrouw aanstoten om te vragen waarom er gelachen werd, waarop de buurman of buurvrouw reageert met een laat-mij-gerust-gebaar, waardoor ze allebei het volgende niet zo grappig maar desalniettemin gelach opwekkende voorvalletje op het podium missen… Maar leuk, waarlijk altijd heel aangenaam en gezellig om de collega-schrijvers terug te zien. O wat heb jij een poëtisch mondmasker zeg, haha, wat zeg je, je hebt er enkele verzen uit je eigen oeuvre op gezeefdrukt? Enkele verzen maar en niet je hele bundel? Ach, jij bent veel te bescheiden! Op dat groot bakkes van jou is plaats genoeg voor het verzameld poëtisch werk van Hadewijch tot heden…

Ja, ik vind het oprecht jammer dat boekpresentaties niet zijn doorgegaan. Voor datgene waar het allemaal om draait, met name het boekwerk? Niet in de eerste plaats, want ook zonder zo’n avond komt dat ding vroeg of laat wel in mijn handen terecht. Ik moet toegeven, met enige gespeelde tegenstribbeling weliswaar, want ik kleef mezelf graag een imago van einzelgänger aan (John Lydon had ooit een website met de schitterende titel Army of One), dat ik het sociale aspect van zo’n voorstelling nog het meest van al mis. Ergens bij horen, bij een groepje vakbroeders met hun geklets en gezwets, gelul en gelal, eigenlijk is dat best wel fijn. Het leukst is het als ik zelf actief aan de avond mag bijdragen, want zoals zoveel kunstenaars heb ik een drang tot expressie, maar gewoon in het publiek zitten en meegenieten van de blijdschap van het glunderende feestvarken is een aardig tijdverdrijf. We moeten iets doen tussen wieg en graf, niet? Dus, corona bitch, je hebt je punt gemaakt, je bent een heel slim en gewiekst virus, mijn felicitaties, maar wordt het niet stilaan tijd om op te sodemieteren?

Kus of ik zoen

Poezie_Kus-of-ik-zoen_vp-scaled ‘Ballotage’ uit mijn eerste bundel Niets met jou staat in de thematische Rainbow Poëzie-bloemlezing Kus of ik zoen.

Ik merk bij het openslaan van het boek dat het leeslint de bladzijde aanduidt waar mijn gedicht staat. Iemand heeft hier aandacht voor gehad, zich beziggehouden met per verzonden auteursexemplaar het leeslint aan te brengen daar waar het werk staat van de geadresseerde. Dat vind ik aardig en attent.