Bedenkingen bij de Eddy Demarez-affaire

De Facebook- en Twittertooghangers hebben weer een vette kluif om aan te knagen: de uitspraken van sportjournalist Eddy Demarez over de Belgian Cats terwijl zonder dat hij het wist de microfoon nog open stond. Ik had me voorgenomen hier geen letter over te schrijven, maar in momenten van hysterie moet er iemand het hoofd koel houden.

Laten we kijken naar de inhoud van wat Demarez zei. Behalve dat hij lacht met het gewicht van een speelster en dat hij een andere speelster een ‘manneke’ noemt, terwijl dat natuurlijk ‘vrouwtje’ moet zijn, vertelt hij niet veel onwaarheden. Er zijn blijkbaar flink wat homoseksuele basketbalspeelsters bij de nationale ploeg en dat één van de Mestdaghs hetero is en de andere niet kan kloppen. Over de inhoud hadden de Cats Mitterand-gewijs kunnen zeggen ‘Et alors?’

Problematisch, heel problematisch zelfs, is de manier waarop Demarez het allemaal verkondigde, in zijn rol van VRT-commentator. Dat over geaardheid werd gesproken waar dat helemaal niet ter zake deed, is een geweldige uitschuiver. Als ik naar een wedstrijd van de Belgian Cats kijk, dan vraag ik me geen enkel moment af wat hun seksuele geaardheid is. Dat Demarez daar spontaan en lacherig over begon is totaal fout. Bijzonder ongelukkig waren zijn snelle excuses. Die kwamen te snel om oprecht te lijken.

Gisteren was het dan de beurt aan de basketbalbond en de Belgian Cats om de mist in te gaan. Die vroegen het ontslag van Eddy Demarez bij de VRT. Een schoolvoorbeeld van gesterkt door de omstandigheden in alle emotionaliteit je hand overspelen. Een werknemer ontslaan is een zaak tussen werkgever en werknemer, waarbij de tekst van het arbeidsreglement bepalend is. Derden hebben zich daar niet mee te moeien. Dat is zoals een voetbalspeler die een gele of rode kaart vraagt voor een tegenstander. Zoiets doe je niet. Er staat een scheidsrechter op het veld die de spelregels kent en toepast.

In deze gemediatiseerde samenleving kan het niet anders of de carrière van Demarez is waarschijnlijk om zeep. Tot het einde van zijn beroepsloopbaan zal hij hieraan herinnerd worden. Hoewel, mensen vergeten snel, denken we maar aan de affaire Stijn Stijnen, destijds bij Club Brugge. Maar dat was toen een interne zaak, dit ligt anders. Kan Demarez in een sportuitzending ooit nog iets aankondigen of meedelen over de Cats? Moeilijk, tenzij er een verzoening komt tussen beide partijen. Maar eerst zal Demarez nog wat door het stof moeten kruipen.

Overigens waren de grappen van Demarez niet bijster goed. Mocht hij ontslagen worden bij de VRT, dan raad ik hem af om het als stand-up comedian te proberen. Ik kan hier meteen vijf grappen bedenken die beter zijn. Dat is misschien nog het ergste van al, dat Demarez het onwetende deel van België heeft gewezen op iets dat totaal irrelevant is in de sport en dat dit kan leiden tot nieuwe grappen of erger.

In het Twittercafé distantieerden heel wat collega’s van Eddy Demarez zich van zijn uitspraken. Prompt reageerde Bart Schols, vroeger behorend tot de sportredactie, met de melding dat sommige collega’s, die nu het heilig boontje uithangen op de sociale media, in de beslotenheid van een redactieomgeving wél duchtig kunnen lachen om seksistische en homofobe moppen. Prompt kreeg Schols de wind van voren en werd hij al een medestander van Demarez genoemd, of wat had u gedacht?

Stop met het opvoeren van supporters in het journaal

Als ik naar het journaal kijk, dan is dat zo goed als altijd op een, op de VRT. Als ik twee nieuwsuitzendingen op één dag bekijk, dan zal die tweede op VTM zijn, omdat je moeilijk twee keer naar dezelfde reportages kunt kijken.

Het valt mij de laatste tijd te vaak op dat het journaal op de VRT korter, beknopter en minder gestoffeerd is dan dat op VTM. Op zondagmiddag bijvoorbeeld is er veel kans dat men op een al de samenvattingen van het zaterdagavondvoetbal aansnijdt nog voor het kwart over één is.

Hoewel ik het een verontrustende evolutie vind, wilde ik het daar eigenlijk niet over hebben. Wel over het op tv opvoeren van de ‘gewone man’ die gevraagd wordt te reageren op een nieuwsfeit.

Gisterenmorgen, 28 juli, behaalde Wout van Aert een zesde plaats in de olympische tijdrit. De VRT had een ploeg gestuurd naar een supporterscafé. Daar zaten wat mensen op tuinstoelen en onder parasols te kijken naar Wout op het scherm.

Zo’n reportage verloopt steevast volgens een zelfde stramien. Eerst komen een vijftal shots van supporters die nagelbijtend naar de wedstrijd kijken. Vervolgens vermeldt de commentaarstem het resultaat van de sportprestatie, in dit geval dat Wout van Aert (pas) zesde werd. Het is jammer voor de televisieploeg dat de prestatie wat tegenvalt. De cameraman had maar wat graag deze tent uit de bol zien gaan.

Doch niet getreurd, wat volgt zijn een aantal korte reacties van supporters/cafégangers. Die komen altijd op hetzelfde neer. Ze zeggen dat ze ofwel een dergelijke prestatie niet verwacht hadden of wel verwacht hadden en dat ze apetrots zijn op hun lokale held (indien de prestatie meevalt), of dat ze op meer gehoopt hadden, een beetje ontgoocheld zijn, maar desondanks toch apetrots zijn op hun lokale held (indien de prestatie tegenvalt).

Ik pik nu toevallig de olympische tijdrit uit, maar een dergelijk café-item duikt om de haverklap op in de journaals op alle Vlaamse zenders. Ook de regionale omroep doet mee. Op WTV/Focus zag ik in de sporthal van Ieper zes mensen, waaronder mijn collega, tevens schepen van mijn gemeente, Geert B., kijken naar de Belgian Cats aan het werk tegen Australië.

Drie van de zes mochten hun zegje doen over de wedstrijd. Geert B. had voor de gelegenheid een tricolore vedertooi op zijn hoofd. Summum van dergelijke reportages is wanneer de supporters elkaar tijdens het interview een beetje porren of jennen, elkaar onderbreken of aanvullen. Dat wordt verondersteld leuk te zijn, maar is het niet. In het verslag legt Geert B. op een gegeven moment een sjaal in de nek van zijn buurman terwijl die in beeld wordt geïnterviewd.

Supporteren mag, supporteren moet, maar de nieuwswaarde van wat supporters na een wedstrijd zeggen is nihil. Aan alle zenders: stop daarmee. We weten dat half of heel België naar sportuitzendingen kijkt, ik doe het ook wel eens, maar wat ik daarover te zeggen heb, is totaal irrelevant. Ik heb gezegd.

Mark Rutte groet ’s morgens de dingen

Het gebeurt niet vaak dat ik moet lachen met een artikel dat handelt over de politiek, maar met dit artikel over de verkiezingsoverwinning van Mark Rutte in Nederland heb ik veel lol gehad.

Ik ken niks of quasi niks van het politieke landschap bij onze noorderburen, laat dat duidelijk zijn. Waar Mark Rutte precies voor staat, weet ik niet, maar luidens het artikel staat hij eigenlijk nergens en overal voor. Mark Rutte is blijkbaar alleen maar Mark Rutte, en Mark Rutte zijn, dat kan hij als de beste.

Enkele citaten uit het artikel: “Hij is altijd vrolijk, altijd monter. Alles ketst van hem af.” – “Rutte is een meester in het zo verkopen alsof hij er niets aan kan doen.” – “Je kunt niet meer Nederlander zijn dan Mark Rutte. Zijn optimisme, humor, eenvoudige stijl. Dat is op en top Nederland. Om maar een voorbeeld te geven: Rutte laat zich niet constant rondrijden, maar rijdt zelf met de fiets door Den Haag, de politieke hoofdstad van Nederland, en zwaait naar Jan en alleman.” – “Het is een politicus die alles gladstrijkt en overal de angel uithaalt.” – “Een probleem is nooit een probleem, maar een ‘probleempje’. Hij brengt alle ideeën, alle grote kloven in de politiek terug tot kleine, overzichtelijke managementproblemen. Het is ook iemand die geen talent voor het sombere heeft, zoals hij het zelf zegt. Hij is permanent monter, permanent vrolijk. Hij komt altijd lachend aan.” – “Hij heeft het heel bijzondere talent dat mensen problemen niet met hem associëren. En dan kom je toch weer bij dat vrolijke dat hij altijd uitstraalt. Het ketst gewoon van hem af.” – “Hij rolt nooit heel nadrukkelijk een visie voor de samenleving uit. Het is niet iemand die de problemen op een grootse manier wil oplossen, maar iemand die echt gewoon een beetje lekker zin heeft om te managen.” 

Misschien hebben al die citaten als doel Rutte te beschadigen, maar op mij hebben ze een averechts effect. Ik vind al die uitspraken bijzonder geinig. Ik word ook altijd een beetje blij als ik Rutte op tv zie, een blijdschap die alleen maar gebaseerd is op perceptie en niet op diepgang. Mag het even, voor één keer?

Vóór Rutte hadden ze in Nederland Jan Peter Balkenende, door de immer norse Karel De Gucht ooit “een mix van stijfburgerlijkheid en Harry Potter” genoemd. De gebuisde inteeltpolitica Freya Van den Bossche deed daar nog een schepje bovenop. “Hebben jullie in jullie kranten een personeelsadvertentie staan: als je niet stijf, truttig en kleinburgerlijk bent, kom je niet in aanmerking voor een ministerspost?” vroeg ze zich af in een interview met het Nederlandse blad Vrij Nederland, een uitspraak waarvoor ze zich later excuseerde. Natuurlijk diende ze zich te excuseren, want zowel De Gucht als Van den Bossche maakten zich oeverloos belachelijk. Mensen die vrolijk en onbekommerd door het leven stappen, en aan wie je ziet dat het echt is en niet gespeeld, zijn onaantastbaar. Daar norsheid en verbale agressie tegenover zetten, werkt contraproductief. Je krijgt al die bad vibes als een boemerang in je gezicht terug gekatapulteerd, want de vrolijke onbekommerden gaan gewoonweg verder met vrolijk en onbekommerd zijn.

Heerlijk volkje, die Nederlanders, en zolang vendelleider Mark met zonlicht blijft strooien, kan hen niks overkomen.

Maar oeps, de inkt van deze letters was nog niet droog of daar wordt ineens alsnog een kras getrokken in Teflon Mark, zoals een paar Belgische kranten hem vandaag noemen. Over iets wat hij zou gezegd hebben, weet ik veel. Een gelegenheid die de andere partijen te baat nemen om hem eens flink het vuur aan de schenen te leggen. Maar Teflon Mark – zalige naam toch? – zal dit keukenbrandje wel overleven. Met de glimlach.

Knack 50 jaar (slot)

Wat valt er nog te vertellen over mijn Knack-jaren? Weinig boeiends. Dat ik naast poëzie ook wel eens proza recenseerde. Veel Brusselmans, een lang artikel over Jan Cremer – Ik, Jan Cremer 1 en Ik, Jan Cremer 2 behoren nog altijd tot het allerbeste wat ik ooit las -, de biografie van J.C. Bloem en nog wel het een en ander.

Ik interviewde Herman Brusselmans tijdens de Knack-dag op de Boekenbeurs en in diezelfde jaargang van de beurs ook twee dichters, waarbij de ene dichter opeens iets onaardigs zei over de andere, waarna die andere verontwaardigd reageerde. Weg sfeer en ik diende al mijn diplomatisch talent aan te wenden om het interview terug op het serene pad te brengen. Wie die dichters waren is niet belangrijk. Een van hen is overleden en heeft daarmee zijn eerste pasjes richting vergetelheid al gezet. Want, laat ons eerlijk wezen, in de vorige bijdrage had ik het over Kopland. Wie spreekt nog over Kopland? Wie spreekt nog over Komrij, toch de paus van de Nederlandstalige poëzie geweest? Als ik tegen mensen zeg dat ik debuteerde in de Sandwich-reeks onder redactie van Gerrit Komrij, dan doet dat zelden nog bij iemand een belletje rinkelen. Evengoed kan ik beweren te zijn gedebuteerd onder redactie van Jos Vermeulen uit Zevekote.

Op een avond kreeg ik een mail van de hoofdredacteur van Knack Focus waarin werd medegedeeld dat ik niet langer kon meewerken aan Knack omdat de boekenrubriek werd geschrapt. Voortaan zou Focus die rol overnemen. Of alle freelancers verbonden aan de boekenrubriek zo’n mail kregen weet ik niet. Wat ik wel weet is dat sommigen zijn gaan blèten, tot bij Rik De Nolf, grote baas van Roularta toe, om te mogen aanblijven. Waar sommigen ook in geslaagd zijn.

Stellen dat het einde van de samenwerking mij koud liet is overdreven, maar het grote voordeel was dat ik terug wat meer tijd had voor mijn eigen literair werk. Er veranderde trouwens heel wat bij Knack in die tijd. Karl Van den Broeck vertrok. Rik Van Cauwelaert ook, naar De Tijd, samen met Koen Meulenaere.

Knack blijft een goed blad, maar door de literatuur eruit te gooien is het armer geworden. Het hoeft niet altijd over de grote economische, politieke en sociale issues te gaan. Ellenlange artikels over corona, over de regeringsvorming, over de Amerikaanse verkiezingen, over de vaccinatiestrategie… ik lees die graag, maar wie op tv de duiding volgt bij het nieuws heeft er geen boodschap aan. Die weet dat allemaal al. Ik houd van de speelse rubriek ‘Eindspel’ op de laatste bladzijde, die een korte vraag- en antwoordformule bevat. Ik houd meestal van de sportbijdrage van Jef Van Baelen, van het werk van Dirk Draulans, de aparte onderwerpen en stijl van Stijn Tormans. Een blad heeft lucht nodig en die zat ook in de boekenrubriek. Dat Focus in het boekengat is gesprongen is trouwens niet waar. Focus is er voor de filmfreaks, besteedt veel aandacht aan tv en muziek, is daarbij zeer vooringenomen, maar literatuur interesseert die redactie geen zier.

De beslissing om de boekenrubriek destijds uit Knack te halen was een verkeerde beslissing. Een van de grote misverstanden van deze tijd is dat bedrijven, organisaties, verenigingen et cetera menen dat ze zich voortdurend moeten vernieuwen. Vernieuwen, of ‘zichzelf opnieuw uitvinden’ zoals ze het graag noemen, klinkt hip, maar heel dikwijls wordt er veranderd om te veranderen. Nieuw tintje, nieuw kleurtje, nieuw geurtje. Ondernemingsnarcisme. Marketingterreur. Oude wijn in nieuwe zakken. Om bij de media te blijven, waarom is het nodig dat zenders regelmatig van naam en van logo veranderen? Waarom vliegt het decor van Het Journaal zowat elk jaar op straat om te worden ingeruild voor een ander? Inclusief andere generiek en andere tune. De kijker zit er niet op te wachten. Je wint er geen kijker mee en je verliest er geen kijker mee. Is het commercie? Wordt daar bij de VRT – andere zenders doen het ook, alle zenders doen het – iemand beter, rijker van? Het is weggesmeten geld. If it ain’t broken, don’t fix it.

Corona-mijmeringen, een vervolg op wat voorafging

Dit bericht op de nieuwssite van de VRT. Kort samengevat: mannen die in 1941 de gewelven van een kerk schilderden, hebben heel hoog, waar niemand bij kon tot aan een volgende schilderbeurt, een brief verstopt.

De werkmannen hadden geen goed leven. Ze maakten een tweede oorlog mee, leden honger en werden uitgebuit. Toch is dit geen klaagzang. Alleen al het feit dat vier mannen samen het initiatief namen om deze boodschap voor zij die na hen kwamen achter te laten, getuigt van een optimisme in het leven. De brief eindigt met goedbedoeld en hoopvol advies voor de schilders die over vele decennia hoog op een stelling hun geschrift moeten vinden.

Aandoenlijk is de zin. ‘Als deze zoldering nog eens geschilderd zal worden, zullen wij niet meer tot deze aarde behoren.‘ Er staat niet ‘zullen wij dood zijn’, maar wel iets veel poëtischer. Het is aannemelijk dat deze werklieden hun armzalig leven verdroegen en aanvaardden omwille van hun geloof in een hogere kracht, in God.

Ik heb in de loop van mijn leven het katholicisme in Vlaanderen zien wegkwijnen. Met het katholieke geloof zijn ook de waarden die het uitdroeg wat op de achtergrond geraakt. Toeristen bezoeken kerken over de hele wereld, maar niet meer om er te bidden, maar meer vanuit een soort architecturale nieuwsgierigheid en verwondering. Om op teensletsen en met de zonnebril hoog in het haar ‘o’ en ‘aaa’ en ‘wat mooi’ te zeggen en om thuis verslag uit te brengen van dat pittoreske – dat woord mag nooit ontbreken – kerkje ergens in een of andere Italiaanse glooiing. Ik vind kerken bijzondere gebouwen, maar ook de katholieke liturgie heb ik altijd kunnen smaken. De Kerk heeft haar public-relations echter slecht gevoerd, is niet meegegaan in een aantal emancipatiebewegingen. Niet dat priesters rappers moeten worden met blingbling rond hun nek, maar vrouwen toelaten tot het priesterambt, waarom niet eigenlijk? Ik kijk uit naar de eerste transgender met een roeping. Daar gaan de langrokken in Rome nog een kluif aan hebben.

Die mannen die ons schrijven vanuit het jaar 1941 hadden geen goed leven, beweren zij zelf. Geen goed leven hebben heeft vaak te maken met de inwerking van externe factoren die de kwaliteit van het leven grondig verminderen en waar je zelf geen vat op hebt. De naoorlogse generatie is een goed leven als een vanzelfsprekendheid gaan beschouwen. Wij dachten – en ja, hier moet ik de verleden tijd gebruiken – aan het roer te staan van ons eigen leven. Wij vonden maar één ding vervelend aan het leven en dat was dat het ooit eindigde, maar dat was iets voor later, veel later. Zolang het duurt moet het vooral leuk zijn en blijven. Leuk, het meest vreselijke woord van de moderne tijd. Een pandemie, dat was iets spannends voor in de weekendfilm op zaterdagavond, waarin de held efkens uit zijn lood wordt geslagen door ambetante, moedige, maar bij voorbaat verloren vijanden. Bij voorbaat verloren, inderdaad, want een weekendfilm waarin de held de wereld niet redt, vinden we maar niks, stemt niet overeen met ons wereldbeeld van de onfeilbare mens, die baas is op deze bol.

Ik sluit niet uit dat ik voor de rest van mijn leven op openbare plaatsen een mondmasker zal moeten dragen en dat ik nooit meer met een andere mens schouder aan schouder zal zitten in een café, een feestzaal, een kerk, een theaterzaal of waar dan ook. Niet dat dat laatste mij stoort, maar het eerste wel. Het voelt nu al vreemd aan om beelden te zien van op elkaar gepakte mensen. Het is iets uit een vervlogen tijd. Mensen leren heel traag oude gewoontes af, maar leren heel snel nieuwe gewoontes aan. Net als velen ben ik er in mijn hoofd nog niet klaar voor om te geloven dat we in een nieuwe wereld zijn aanbeland. Ik denk nog altijd dat we die corona onder de knoet krijgen, maar zelfs als dat gebeurt zal onze samenleving daar littekens aan overhouden. Zelfs als we pakweg tegen volgende zomer iedereen gevaccineerd krijgen, dan nog zal de angst voor een volgende pandemie sterk aanwezig blijven. Wetenschappers kondigen ze nu al aan. Ik las een artikel over een dodelijke schimmel die aan een opmars bezig is. En verder zijn er nog de muggen waar die Vlaamse dichter die in Japan woont of woonde of werkte, zijn naam ontsnapt mij nu, bijna vijftien jaar geleden al een dichtbundel aan wijdde.

Goede levensomstandigheden zijn geen recht, of beter, we kunnen geen recht claimen op iets wat we niet in onze macht hebben. Veel hebben we als individu niet onder controle. Dan komt het belang van gemeenschapszin om de hoek kijken. De berichtgeving over corona is alarmerend. Ik zag in het journaal de paniek in de ogen van de mensen uit de zorg. En toch zijn er nog altijd kwasten die denken dat het allemaal nog zo erg niet is. Ik stel voor dat we iedereen die anderen in gevaar brengt voor een weekje of twee drie in de gevangenis of een gesloten instelling gooien, een gedwongen quarantaine. Tijdelijk Chinese omgangsvormen invoeren tegen de hardleersen. De digitale schandpaal. Of een echte schandpaal, rotte eieren en tomaten gooien naar de onverlaten, op afspraak welteverstaan. We hebben altijd lacherig gedaan over die Chinezen met hun big brother-manieren, en niemand wil big brother, jezus help neen vreselijk, maar het zijn precies zij die vrijheid blijheid prediken en leven alsof de zon nooit ondergaat die zo’n maatschappij dichterbij brengen.

Over racisme – tweede naschrift

Het blijft een heikel ding, dat racismedebat. Twee afleveringen van F.C. De Kampioenen worden door de VRT geschrapt omdat er als racistisch geïnterpreteerde uitspraken of handelingen in voorkomen. De zwarte acteurs hebben destijds met veel enthousiasme een rolletje in de meest succesvolle Vlaamse serie ooit aanvaard, maar gaan nu wel akkoord met de ingreep van de VRT. Marijn Devalck, Boma in de reeks, hekelt het gedrag van die collega’s. Wat destijds door de beugel kon, kan dat nu niet meer, is het standpunt van de zwarte acteurs. Ik vind het bizar dat iemand in een tv-serie een zwarte wil spelen die het mikpunt is van domme uitspraken en veronderstellingen, om daar jaren later het etiket racisme op te kleven. Ik heb de indruk dat sommige zwarten niet meer durven zeggen dat het hen niet raakt, dat ze zodanig in de ban zijn van hun mentale kwelduivel die politieke correctheid heet, dat ze het verraad zouden vinden tegenover het eigen ras indien ze hun schouders zouden ophalen voor de heisa, of erger nog, zouden durven zeggen dat die bewuste afleveringen wat hen betreft gerust online mogen blijven staan. Wat die acteurs doen heet met een mooi Nederlands woord hineininterpretieren.

F.C. De Kampioenen staat bol van de typetjes en karikaturen. Beroepsmilitairen zijn lui, hebben een belabberde fysieke conditie en doen er alles aan om hun verplichtingen te ontlopen. Kuisvrouwen zijn domme chichi-madammen met meer aanleg voor roddelen en luistervinken dan voor poetsen. Secretaressen zijn seuten. En vooral deze karikatuur komt in de serie uitgebreid aan bod: alle zelfstandigen zijn corrupt. Boma, DDT, BTW, Fernand, allemaal oefenen ze een zelfstandig beroep uit en er is er niet een bij met een deugdelijk normen- en waardenpakket. Stel je voor dat Unizo morgen oproept om alle afleveringen waarin zelfstandigen als bedriegers worden voorgesteld uit het archief te bannen. Dat Defensie oproept om alle afleveringen waarin Xavier als een lompe, domme, dikke, pintendrinkende boefer wordt neergezet te supprimeren. Hoeveel afleveringen blijven dan nog over?

VTM zendt momenteel de serie Patrouille Linkeroever opnieuw uit. Centraal in de reeks staat ‘het meest incompetente politiekorps van Vlaanderen’ dixit de VTM-website, dat bestaat uit alleen maar typetjes van de meest groteske soort. Er is een vrouwelijke agente, een onbeschofte heks, die de hele dag door snoept en snackt en al in het zweet baadt van zodra ze nog maar aan werken denkt. De andere vijf agenten moet ik al niet meer voorstellen. Die ene vadsige is al voldoende opdat de politievakbond zou kunnen eisen dat de serie voorgoed naar de tv-kerkers wordt verbannen. Het is een gek idee, de politievakbond zal zoiets nooit vragen, maar de vraag zou perfect passen in een wereld waarin vooral zwarten (of de blanken die het voor hen op nemen en die vaak nog fanatieker zijn), met een vergrootglas op zoek gaan naar alles wat ook maar van dichtbij of veraf zou kunnen wijzen op het onrecht dat hen, lees: hun soort, werd en wordt aangedaan.

De politiek supercorrecten moeten goed weten wat ze willen. Willen ze alle beelden, kunstvormen, noem maar op, die mogelijks racistisch kunnen worden uitgelegd verwijderen? Of ze behouden? In het eerste geval verliezen de racismeridders een deel van hun bestaansreden, want dan rest er niks meer uit het verleden om tegen te protesteren. Zullen we dan voortaan elke dag alle media scannen op zoek naar beelden, tekeningen, liedjes… die per direct moeten vernietigd worden en doen alsof het probleem daarmee is opgelost? In het tweede geval blijven we af van F.C. De Kampioenen, Little Britain, Fawly Towers, Kuifje enzovoort. Bij geen van de twee keuzes voelen de supercorrecten volledige bevrediging, ook niet bij de eerste, want daar sta je dan maar mooi een beeldenstormer te wezen in een wereld waar er geen beelden meer te bestormen zijn. Ik ga voor keuze twee, niks weggooien. Waarom? Omdat ik racisme en discriminatie verwerpelijk vind en van mening ben dat we het alleen uit de wereld kunnen helpen als we blijven zien en blijven horen dat het bestaan heeft en nog altijd bestaat.

Rest het probleem dat veel van wat de supercorrecten als racistisch beschouwen eigenlijk een vorm van ironie is, zie de aflevering van Fawlty Towers met de racistische praat van de majoor en zie ook de afleveringen van F.C. De Kampioenen. In beide gevallen wordt net de domheid van blanken in de verf gezet. Maar ironie en consorten, ik had het er in mijn eerste naschrift al over, is iets wat veel mensen niet meer begrijpen. Of willen begrijpen, want als je ironie herkent en erkent als ironie, dan kun je niet meer boos en verontwaardigd zijn. En dat zijn we met zijn allen toch zo graag. Ik ook, anders had ik dit stukje niet getikt. Hoewel, ik ben niet boos of verontwaardigd, ik tik alleen graag stukjes, vind het een moeilijke kwestie en pleit altijd en overal voor het gebruiken van het gezond verstand. Maar in onze gepolariseerde wereld is dat een zeer rekbaar begrip geworden en willen sommigen vanuit strategisch oogpunt vooral hun ongezond verstand etaleren. Straks komt de pietendiscussie weer op gang, krijgen we dat gemekker weer. Tenzij ze met hun ouwe blanke kameraad Spanje niet mogen verlaten, dat zou ook kunnen, zijn we voor een jaartje van dat gezeur af. Geen snoep voor de brave zwarte kindjes en geen snoep voor de brave blanke kindjes, wat een prachtig voorbeeld van ‘iedereen is gelijk’ zou dat wel niet zijn.

Over racisme

In zijn ijver of onder felle druk om wat scheef is recht te trekken, moet men ook altijd overdrijven.

En er zal nog een tijdje overdreven worden.

Dat vind ik niet alleen.

Dat Lucas en Walliams zich verontschuldigen voor de humor van Little Britain is heel flauw.

Oké, niks aan te doen, we moeten alle comedyshows verbieden en van het net halen, hoe erg dat ook is, want er is niet één komiek die nooit eens heeft gelachen met een mongool, sorry, persoon met kenmerken van het Syndroom van Down, of met een dikzak – mag ik voor die rol solliciteren of ben ik net niet dik genoeg? – of met een dom blondje of met een pastoor. Laten we alles dan maar verbieden wat ooit cultureel en geestig en goed gemaakt en grappig was, en laten we elke dag een fles azijn leegdrinken. Daar kun je dan lekker veel azijn van pissen, en die kun je er dan vanboven weer in gieten.

Kunnen we lekker de straat opkomen als we uitgepist zijn, niet zonder eerst via het Faecesbook onze medestanders op te trommelen, want alleen zijn we toch een beetje schijterig op straat, maar met velen kunnen we onze verontwaardiging laten blijken door veel te roepen en brullen en al eens iets stouts doen zoals een nadarhek vastnemen en het dan ineens weggooien, richting een winkelraam bijvoorbeeld, want niet alleen de racisten zijn slechte mensen, zij die geheel en al frustatieloos hun strontvervelend leventje op orde hebben zijn nog veel en veel slechter.

Het hele oeuvre van Hergé, bijna alle Suske en Wiskes en Jommekes, allemaal de vuurstapel op, want wat daar aan racistische en vernederende praat en prentjes in staat… lachen met mensen met een spraakgebrek (Kwak en Boemel), lachen met personen van – weliswaar dubieuze – adel (de Koningin van Onderland), lachen met kleurlingen die in de brousse de bagage van de blanken moet dragen en toegesproken worden met ‘boele boele boele’ of iets in die trant (Kuifje in Afrika).

Hoe zit het nu met Zwarte Piet? Is dat nu een blanke die zwart is van door de schoorstenen te kruipen of is dat een kleurling? Het interesseert mij geen reet, zolang men maar met zijn hysterische pollen van dat kinderfeest afblijft.

En dat men niet vergeet om alle tapes van The Black and White Minstrel Show in de fik te steken, want ik was als kind doodsbang van die blackfaces. En natuurlijk moeten de nog levende acteurs worden opgespoord en meteen standrechtelijk geëxecuteerd.

In mijn eerste dichtbundel Niets met jou staat een gedicht dat geïnspireerd is door The Black and White Minstrel Show. Hoe heet het ook weer, iets met Siamees of zo. Ik zoek het even op en plak het gedicht onderaan dit bericht. O ja, ‘Mij, mezelf en ik’ is de titel. En die ‘enge komische act’ is dus geïnspireerd door de Black and White Minstrel Show.

In 2013 al verscheen dit artikel met de veelzeggende kop Was The Black & White Minstrel Show the most racist TV programme ever?

We moeten helaas de VRT opdoeken, die hebben die show ooit uitgezonden. Dat de zender toen nog BRT heette mag niet baten, we hebben jullie te grazen, klootzakken. We halen die lelijke toren neer, nondedju, morgen om 16u. Allen daarheen, hop, op naar de VRT-toren! Neen, ogenblik, ik kan niet, ik moet morgen naar mijn Thaise massage. Overmorgen dan?

MIJ, MEZELF EN IK

De Siamese tweeling liefde en haat
onlosmakelijk met elkaar verbonden,
hoe ze eerst wat dwaalden over straat
voor ze de weg uiteindelijk vonden,

me om beurten bekoorden
leerden hoe te minnen hoe te moorden.

Ik zag als kind
die enge komische act
– halve tutu half pak
de zaal die angstig lacht
om kant na kant –
en dacht niet na
over wie ik was:

een jongen met gouden lokken witte vleugels
rode horens en een sik,
frontaal zichzelf
zijn eigen,

ik

Kaaiman gaat met pensioen

30 mei wordt een zwarte dag voor de liefhebbers van de fijnschrijverij. Kaaiman gaat met pensioen. Onder de noemer ‘Kies uw favoriete Kaaiman’ knoopt De Tijd daar een soort van polletje aan vast, maar eigenlijk zou alles wat Koen Meulenaere heeft geschreven in één dik boek moeten gebundeld worden. Hierbij reserveer ik alvast mijn exemplaar.

Voor hij Kaaiman werd schreef Koen Meulenaere voor Knack. Ik heb hier ooit verteld dat ik in mijn hoedanigheid van freelancer één keer in de gebouwen van Knack ben geweest, ter gelegenheid van een nieuwjaarsdrink. Een van de redenen dat ik zo tuk was om daarheen te gaan, was dat ik hoopte om Koen Meulenaere eens in levende lijve te treffen. Hij was er, op de drink. Ik heb hem gegroet maar niet aangesproken. Wat moest ik zeggen: ‘Goe bezig, Koen!’ Neen, helden moet je met rust laten.

Geen columnist was scherper dan Meulenaere. In menige column flirtte hij als het ware met een rechtszaak tegen hem. Wat mij  betreft hing er een mysterieus aura om hem heen. Waar haalde hij zijn informatie, wat waren zijn bronnen? Hij pakte publieke figuren, vooral politici, niet één keer maar meerdere keren aan. Hard aan. Bij mijn weten is hij zelden aangeklaagd en nooit veroordeeld, noch de bladen waarvoor hij schreef. Meulenaere zag je nooit in andere media opduiken. Op het internet zijn er amper foto’s van hem te vinden en die lijken dan nog allemaal geschoten op hetzelfde moment. Er waren zijn stukjes en dat was het. Misschien dat sommige van zijn doelwitten daardoor deden alsof hij niet bestond.

Hij bundelde enkele van zijn columns in een boekje dat werd uitgegeven met de steun van de miljardair Fernand Huts. Ook dat was Meulenaere, hij had ook zijn vrienden. Rik Van Cauwelaert bijvoorbeeld, die Meulenaere volgde van Knack naar De Tijd.

Koen Meulenaere becommentarieerde in een ver verleden voetbalverslagen voor de VRT en ik geloof later ook voor VTM. In die verslagen zat altijd een leuke twist. Hij mocht als los-vaste kracht de kleinere wedstrijden doen, die helemaal aan het eind van Sportweekend zaten, maar je wist, het is Meulenaere, spits je oren, er komt iets wat je van andere commentatoren niet kreeg, namelijk een relativerende kwinkslag: het is maar voetbal verdomme en over twee weken weet niemand nog wie hier tegen wie speelt, laat staan wat de uitslag is.

Meulenaere gaat dan wel met pensioen, maar het is niet dat de man daarom niet meer mag schrijven. Ik hoop dat hij verder gaat, op de een of andere manier. En nogmaals, bundelen alstublieft, al die heerlijke stukjes. Doen, Koen!

Het leven en hoe het te overleven (22)

Mensen die zeggen dat ze van Queen houden, bedoelen die dan Queen, de bandleden, de muziek van Queen of die ouwe taaie Britse taart? Dat laatste zal het wel niet zijn. Wat Queen de popgroep betreft: je kunt niet zomaar zeggen dat je van de muziek van Queen houdt zonder enige nadere specificatie. Now I’m here? Crazy little thing called love? Las palabras de amor of – wie kent deze stinker nog? –  Body language? Dat zijn vier verschillende stijlen. Je kan wel van Queen de band, de kameleon, houden, van de evolutie die ze doormaakte, maar wat mij altijd alleen maar interesseert is de muziek. Als iemand al van Queen houdt, de band, dan hoop ik dat het de vroegere Queen is, want met die Adam, het kleurboek dat de plaats van Freddy innam, raakten ze echt wel het noorden kwijt. Het is zielig hoe Taylor en May de groep hebben uitgemolken. Ter ere van Freddy? Ter ere van de geldbuidel? Of zijn ze er nu toch definitief mee gestopt? Kan het iemand een reet schelen?

Idem voor David Bowie. Je kan van het genie, de creativiteit en de theatraliteit van de artiest David Jones houden. Heel veel zelfs, en terecht. Maar de muziek, welke muziek? Ziggy? De Berlijn-Bowie? Tin Machine? Let’s dance? Ik herinner mij de release van Let’s dance. Ik verbleef de hele week in het internaat van de hogeschool. Filip L. was een grote Bowie-fan en had in de tv-zaal de clip van Let’s dance gezien. Met een rood aangelopen gezicht en met veel gedruis sommeerde hij ons, zijn klasmakkers, naar zijn kamer. Bowie was gek geworden, stamelde hij. Bowie had zijn ziel verkocht aan disco. Dieper kon je in die tijd als serieus artiest niet vallen. Dit was de ergste dag van zijn leven. Bowie met een geblondeerde kop en een wijde beige flikkerbroek, dat kon toch niet waar zijn? Filip L. wilde door het raam springen, maar ik was degene die hem bij zijn blauwwitte horizontaal gestreepte sweater terug van de vensterbank in zijn kamer trok, terwijl – en ik hoop dat Filip L. geen lezer van dit weblog is, maar de waarheid heeft zijn rechten – de anderen hem een extra duwtje wilden geven, want Filip L. was een betweter, een geniepigaard en een kwal. Maar kwallen zijn ook mensen, en vice versa. Vond ik toen al.

Die dag heb ik voor de eerste keer in mijn leven een mens van de dood gered. U voelt het aankomen. Dat ik ‘eerste keer’ zegt betekent dat er nog andere keren volgden. U heeft het helemaal juist. Tweeëneenhalf jaar later ongeveer zag ik in het station van de provinciestad K. hoe een kleine jongen, jaar of zeven schat ik, met een plastic voetbal onder de arm, aan de hand van zijn moeder te wachten stond op de trein richting P. Plots glipte die bal uit zijn handen, stuiterde enkele keren op de grond en voortgedreven door de wind rolde hij de sporen op. De trein kwam in de verte al aan gedenderd. De jongen liep zijn bal achterna en liet zich onhandig, maar toch met een snelheid die eigen is aan kleine mensjes, langs de wand van het perron op de sporen zakken om zijn bal te halen. Ik zat op een houten bank en zag hoe het tafereel zich voor mijn ogen ontrolde. De moeder slaakte een gil, een kreet, een krijs, ik weet niet hoe ik het geluid dat ze voortbracht moet omschrijven, maar nooit meer heb ik zo’n door merg, been en vlees snijdend geluid gehoord. Terwijl ze dat geluid uitstootte, beeldde ze op perfecte wijze het gezegde ‘aan de grond genageld staan’ uit. Behalve haar mond waaruit dat ijselijk gehuil opsteeg, was er niks aan haar dat bewoog. Ik weet niet meer hoe druk het op dat perron was, het was spitsuur, veel volk ongetwijfeld, maar in mijn herinnering was ik daar alleen met die jongen, zijn moeder en die bal, die van op de plaats waar ik zat al niet meer zichtbaar in de treinbedding lag, waar hij zich voor de wind schuilhield. De bal was, zo zag ik een fractie van een seconde later, achter een rail  blijven haken. In die fractie van die seconde zag ik dus hoe die jongen zich naar omlaag hees, de sporen op, maakte ik twee reuzensprongen tot aan de rand van de bedding, boog ver voorover over de sporen en trok hem bij de kraag van zijn jasje – een blauw jasje was het, marineblauw – het perron op. Ik kon er nog net aan, aan de kraag van dat jasje, die in een andere, een iets donkerder, stof gemaakt was dan het jasje, zonder zelf de sporen op te springen, wat ik waarschijnlijk niet gedaan had. Dat is achteraf, en nu nog altijd heel af en toe, mijn aan het voorval verbonden nachtmerrie geworden, dat ik, terwijl de machinist van de trein toeterde, zo werd mij verteld, want dat heb ik zelf niet gehoord, enkele centimeters te kort kwam om dat jongetje te grijpen, en dat ik te laf (te berekend? te helder?) was om hem achterna te springen in een gedoemde poging zijn leven te redden, maar er ons beider bij in te schieten. En dat men mij dat zou verwijten – ik ben heel vatbaar voor verwijten – dat ik hem niet achterna was gesprongen, meer zelfs, dat ik met mijn brede rug de weg had versperd voor tientallen andere, moediger redders die klaar stonden om hem wel met succes achterna te springen. Wat niet zo was, voor alle duidelijkheid, er was niemand op dat perron, in mijn herinnering althans, en niemand behalve ik stak een poot uit. Het rare is dat er achteraf, op het moment dat ik de jongen aan zijn moeder overleverde, zo’n sfeertje hing van niet-meer-doen-hoor-stoute-jongen. Alsof hij een koekje uit de koekjestrommel had gestolen, terwijl ik heel zeker weet dat hij het niet had overleefd, want de trein kon onmogelijk nog meer afremmen dan hij al deed. Als ik occasioneel eens de trein neem, dan ga ik op het perron altijd ver weg van de sporen staan, waardoor ik meestal als laatste of een van de laatsten opstap en geen zitplaats heb, maar ik kan niet anders. Ik heb later ook nooit iets meer van die mensen gehoord, kon ook niet, we hebben geen adressen uitgewisseld, zoiets deed je niet, vroeger. Ik spreek over de tweede helft van de jaren tachtig, dat was geen tijd waarin burgerzin en verantwoordelijkheidsbesef gezien werden als een heldendaad.

Dat was een serieuze uitweiding. Terug naar de muziek. Over de derde persoon die ik heb gered, zal ik later vertellen, anders wordt dit een wel heel lang bericht. Als ik ooit van een artiest meer dan de helft van het werk goed vind, zal ik zijn naam op mijn voorhoofd tatoeëren en geloof me, er is geen mens op deze wereld die tatoeages afzichtelijker vind dan ik. Jezus, wat vind ik tatoeages, of tattoos zoals je ze tegenwoordig hoort te noemen, lelijk. Wie van zichzelf al een draak is moet dat niet extra onderstrepen door er een op zijn schouderblad te zetten. Er is maar één ding dat ik geinig vind aan tattoos en dat is wanneer er spel- of schrijffouten worden gemaakt. Jonathan Legear met zijn ‘vini vidi vici’. Kent u de aflevering van Married With Children waarin Jefferson een tattoo laat zetten van Marcy, maar in plaats van ‘Marcy’ staat er ‘Mary’? Zij wil dat hij haar die tattoo toont en hij wringt zich in bochten om dat zo lang mogelijk uit te stellen. Een neger met een tattoo, dat al gezien? Dat donkerblauw op dat koffiezwart of chocoladebruin, dat contrasteert gewoonweg niet. Witte inkt, bestaat dat niet misschien? Of willen ze dat niet op hun lijf omdat het wit is? Het wit van de white ass motherfucker. Het wit van de onderdrukker. Het wit van de bange blanke man. Ach, dat gezeur over dat rassengedoe altijd, hoe lang gaat dat al niet mee? Of zoals mijn buurman, Tsoko Malinga, altijd zegt, hey mista Philip, am I a racist because my dingaling is twice as long as yours and my bollocks twice as big? Maar neen, Tsoko, zucht ik dan, dat heeft niks met racisme te maken, maar je hoeft het er niet om de haverklap in te wrijven dat je me ooit per ongeluk naakt hebt gezien en onze muziekwinkels met elkaar hebt kunnen vergelijken. En trek die pijp van je broek wat naar beneden, ik zie zijn kopje.

Ik heb ooit eens geschreven dat ik van de Pet Shop Boys houd. De muziek bedoel ik. Wel, toevallig ligt hier naast mij hun cd Bilingual. Daar staat één fantastisch nummer op: A red letter day, vier ronduit sterke nummers: Metamorphosis, Up against it, To step aside en Saturday night forever en twee gewoon goede: Single en Se a vida é (That’s the way life is). De andere vijf zijn crap. Meer mag een mens niet verwachten. De laagten dienen om de hoogten beter tot hun recht te laten komen, denk ik maar. Er zijn geen bergen zonder dalen, zei de laaglander. En geen dalen zonder bergen, zei de alpinist. Daarom ook dat ik in een vorig bericht schreef dat Rutger Kopland een van mijn lievelingsdichters is, omdat maar de helft van zijn oeuvre, en dan ben ik mild, vuilnisemmerfähig is. Zo werkt het, voor mij althans. Se a vida é.

Dat ik hier nog over cd’s en over Kopland spreekt, bewijst eens te meer dat ik een oude zak ben. Een dusty nut, zou Tsoko zeggen. Hoewel, Kopland wordt misschien terug hip nu een gedicht van hem wordt gebruikt in de begingeneriek van de serie GR5. Een matige serie met als toppunt van matigheid een scène waarin enkele islamfundamentalisten een afvallige fundamentalist gaan zoeken in de Vogezen en hem nog vinden ook. En terwijl die afvallige met zijn hoofd in de strop hangt te bungelen, worden hij en zijn reisgezellen gered door een boswachter, die werd gealarmeerd door een meisje dat eveneens tot het gezelschap behoort en haar hoorapparaat verloor bij het struikelen over een boomwortel. Enkele afleveringen later stort die afvallige fundamentalist in een ravijn terwijl hij de man die hij eerst niet kon uitstaan, en vice versa, probeert te redden. En die van dat hoorapparaat wordt plots zo ziek dat ze er bijna het bijltje bij neerlegt. Tussendoor is er ook nog een confessie over kindermisbruik op school, wordt het gezelschap in hun zoektocht naar het vermiste meisje, want had ik dat al verteld? al die gasten zoeken dus naar een meisje dat drie jaar eerder dezelfde route wandelde en nooit meer terugkeerde. Enfin, een Vlaamse serie die geen potten zal breken in de top-100 van beste Vlaamse series ooit, en die op zondag 10 mei zijn beloop kent. En zo gaat een mensenleven voorbij, door naar dat soort ongein te staren. Hebben jullie thuis geen Netflix dan, Hoorne? Neen, wij hebben geen Netflix. Better Call Saul, de spin-off van Breaking Bad en alom bejubeld als haast zo goed of zelfs beter dan de serie waarop het geënt is, zal voor later zijn. Binnen hier en het jaar tonen ze Better Call Saul op Canvas, let op mijn woorden. Leve Canvas! Leve het tweede net van de VRT! Of kort samengevat: leve Canvas! Wat ik zei dus.

Dave Greenfield, toetsenist van The Stranglers, is overleden aan corona. The Stranglers werden ooit omschreven als een keigoede toetsenist en nog drie andere gasten. Zoek op YouTube maar eens naar het stomende Get a grip on yourself of de lange versie van Let me down easy.

Willy

Willy Sommers heeft ongeveer 150 fans die elk optreden van hem bijwonen, zo vertelde hij in een televisieprogramma op de VRT. Een programma dat ik niet bij naam wil noemen, omdat ik de presentator een beetje een klier vind en omdat alleen maar mensen worden opgevoerd die iets sensationeels hebben meegemaakt, aan dat criterium moeten ze absoluut voldoen – in het geval van Willy ging het over zijn gezondheidsproblemen en zijn liefdesleven -, emo-tv dus en daar houd ik niet van, en waarvan ik alleen de aflevering met Willy heb gezien. Want Willy Sommers is een begrip, ook voor mij.

150 mensen die élk optreden bijwonen, ik vind dat hoogst bizar. Ik vermoed dat de optredens van Willy weinig van elkaar verschillen. Enige variaties zullen er wel zijn: het pak dat Willy draagt, andere bisnummers misschien, de samenstelling van de rest van het publiek natuurlijk, maar het blijft iets redelijk merkwaardig, op het randje van het obsessieve. Misschien beelden die fans zich in dat ze binnen de maand zullen sterven als ze eens een optreden van Willy missen. Het is een religie als een ander en nog niet eens zo’n slechte, want Willy predikt alleen maar liefde en geluk.

Ik meen dat ik die mensen, zonder dat ik ooit een balzaal heb bezocht, redelijk scherp voor de geest kan halen. Ze frequenteren wel eens een schlagerfestival (zeker als Willy ook van de partij is), hebben een hond en het afgesleten nummertje 1 op hun tv-afstandsbediening is VTM. In hun voortuintje staat een kabouter of liggen enkele amforen, die ze kruiken noemen omdat het woord ‘amfoor’ hen onbekend is. Simpele, goeiige mensen die het wel eens over de vroegen en de laten hebben, die hun baas en hun man of vrouw allebei mijne baas noemen, wiens favoriete koosnaampje voor politici zakkenvullers is en die niet zelden een kruis dragen à la een dochter die in het bijzonder onderwijs of in de psychiatrie is beland, of een zoon die zich met zijn patserbak heeft doodgereden, maar dat kruis als volleerde Vlaamse binnenvetters diep in zichzelf hebben opgeborgen. Brave lieden die op een receptie al na tien minuten vragen of er ook bier te krijgen is en die potentieel kanonnenvoer zijn als Luc Haekens (die ze een enge man vinden, louter op basis van zijn gezicht, want al zappend blijven ze nooit hangen bij De Ideale Wereld)  weer eens op zoek is naar nieuwe slachtoffers voor zijn fratsen. 

Niettegenstaande dat alles beschikken ze in hun betere momenten – onder andere bij Willy dus – over een grenzeloos enthousiasme dat een nuchtere ziel als ik geheel vreemd is. Mocht ik een optreden van Willy Sommers bijwonen, dan zou ik na enkele wijntjes misschien wel kunnen meegaan in een ambiance die ik niet ken. Of ik zou me een gedragswetenschapper wanen die zich uitleeft op een boeiend experiment. In elk geval zou ik hopen dat mijn favoriete Willy-nummer, Met mijn ogen dicht, op de playlist staat. Ik zou die die-hard-fans vragen waarom ze zo’n royaal aantal porties Willy Sommers tot zich nemen, maar dan in een voor hen begrijpelijk patois. Ze zouden mij antwoorden dat ze dat graag doen, dat ze de Willy graag horen zingen. Oké, zou ik nog opwerpen, maar waarom tweehonderd keer in een jaar? Wel, menier, we eten wa toch uuk baijna elken dag boterhemmen en petatjes, umda wa da graog eten, menier. Daar valt absoluut niks tegen in te brengen. Ik rust mijn kaas.

Corona dwingt hen nu thuis te blijven, die 150, maar dat de Willy ook thuis zit zal troost bieden. Ze missen niet één optreden en bidden elke dag tot onze lieve heer dat Willy na zijn recentelijk hartprobleem nu ook niet door die Corona wordt lastiggevallen. Misschien slaat Willy wel met elk van hen een babbeltje via Skype. Het zou mij niets verbazen, want toen Willy in dat eerder genoemd programma, dat ik dus niet bij naam heb genoemd, door die presentator die ik een beetje een klier vind, de gemene vraag kreeg toegeworpen of hij, als hij moest kiezen, zou kiezen voor zijn familieleven of voor zijn fans, veinsde hij een lichte aarzeling en koos toen voor zijn fans. Onbegrijpelijk eigenlijk dat die harde kern maar 150 leden telt.

Het leven en hoe het te overleven (12)

Wij noemen deze techniek in onze familie het Tante Mona Reddingsplan. Je kunt het dus ook toepassen op schapen.

Heb je dat ook, dat je ’s ochtends wakker schiet en voor de duur van een milliseconde even niet weet of het nu november is of mei of maart en of het vrijdag is of dinsdag of donderdag?

Het verbaast mij altijd weer dat iemand in zijn dromen net dezelfde redeneringen maakt en dezelfde drijfveren, angsten en twijfels heeft als in het echte leven. Waarom kunnen we in onze dromen niet voor even een acteur zijn die een rolletje speelt?detwaalf_jossedepauw-1024x684

Wat mij er doet aan denken: Josse De Pauw is weergaloos als Meester Spaak in De Twaalf.  

Voor de psychoanalytici onder de bezoekers van dit weblog, hierbij de vaak terugkerende elementen in mijn dromen: ik heb mijn spullen vergeten of heb de verkeerde bij en er is net geen tijd genoeg om de juiste dingen nog te gaan ophalen, ik moet naar het toilet maar de toiletten zijn ofwel smerig ofwel hebben ze geen deuren of tussenschotten ofwel zijn ze allemaal bezet ofwel zijn ze in geen velden en wegen te bekennen, mijn ouders, te veel volk om me heen en ten slotte lekkere hapjes voor iedereen behalve voor mij (ik krijg de restjes, een te kleine portie of helemaal niks omdat op het moment dat ik aanschuif alles op is).

Op op alles is op.

Ik heb een collega die beweert te kunnen vliegen in haar dromen. Als je je maar genoeg concentreert, zegt ze. Ja ja, zal wel zijn, zucht ik. Ik rol even met mijn ogen, open het raam, strek mijn armen uit en fladder heen.