Hoorne in Berkenboom

Kijk, daar doe je het voor, als dichter. Dat een van jouw gedichten wordt gebracht in de klas. Dat je daar dankzij toffe leerlingen en een begeesterende leerkracht bij betrokken wordt.

Bedankt, Berkenboom, en tot de volgende! En dank ook aan mijn collega Michiel, oud-leerling van Berkenboom, die mij wees op dit Facebook-bericht.

(20+) Berkenboom Humaniora – Posts | Facebook

Dode fietser, het had niet gehoeven

De ex-profwielrenner Chris Anker Sørensen is verongelukt op onderstaande oversteekplaats voor fietsers. Het mag niet verbazen dat de man dacht hier voorrang te hebben. De oversteekplaats is afgeboord met grote witte vierkanten aanduidingen op het wegdek, die uitnodigen om door te rijden. Het blauwe bord aan de overkant van de straat versterkt die uitnodiging.

Helaas zijn het de piepkleine, al ietwat afgesleten driehoekjes die de fietser die voorrang ontnemen. Waarom niet overal op dit soort plekken de fietsers voorrang geven? Dan nog zal het voor fietsers uitkijken geblazen zijn. Maar dan leefde Chris Anker Sørensen nu nog.

Thank God It’s (Black) Friday (7)

Nog zo’n icoon van de jaren ’80. Hij treedt nog altijd op en zijn stem heeft niks aan kracht ingeboet. Daar zijn elders op YouTube bewijzen van te vinden. Wat kan ik hier nog meer over zeggen? Strakke, degelijke songs. Als je de mensheid zou opdelen in twee groepen, zij die Billy Ocean kennen en zij die Billy Ocean niet kennen, dan zou ik het liefst tot de eerste groep behoren. Heb ik even geluk dat dit ook zo is, dat ik tot die groep mag behoren. Dat is waarschijnlijk de groep die gemiddeld het vroegst zal sterven, maar oké, dat is dan maar zo, een mens kan niet alles hebben.

Ook onderstaand nummer kan ik u echt niet onthouden. Het is te horen in de film The Jewel Of The Nile met in de hoofdrollen Michael Douglas, Kathleen Turner en Danny DeVito. En kijk eens wie er in smetteloze witte pakjes de backing vocals verzorgen. Dit is zo amusant. Kijk naar dat gezicht van Kathleen Turner. Die beleeft de dag van haar leven. En Danny DeVito met die saxofoon die haast even groot is als hemzelf. Overigens is The Jewel Of The Nile niet zo’n goeie film, minder goed dan Romancing The Stone waar het een vervolg op was.

Thank God It’s (Black) Friday (6)

De broeken (fout, een legging is geen broek, zegt Jani), de choreografie, het imago… dit zou grappig zijn indien het niet zo tragisch zou wezen. Wie kent niet het verhaal van Milli Vanilli? Of beter, wie kent het wel nog na al die jaren? Zoek het op. Of zoek het niet op als het u geen bal interesseert. Deze kerels waren heel even heel groot en dan stuikte alles ineen en ging er een van de twee dood. Voor wat eigenlijk? Voor iets wat vandaag schering en inslag is in de muziekbusiness.

Wat me ook opviel bij het na zoveel jaar opnieuw bekijken van deze clip is dat ik hier anno nu gendergerelateerde gedachten bij krijg. Ik vraag me zonder het te willen en zonder het te willen weten af of Fab en Rob hetero, homo of nog iets anders waren. Toen het nummer in 1988 uitkwam, stelde niemand zich die vraag. Of hoe we, murw gemept door genderpraat, niet meer kunnen kijken naar beelden zonder daar irrelevante gedachten bij te hebben.

Onderstaande is niet de grootste hit van Milli Vanilli, dat was het prachtige ‘Girl I’m Gonna Miss You’ of het al even prachtige ‘Blame It On The Rain’, maar ‘Baby Don’t Forget My Number’ heeft een lekkere schwung, vandaar is dit mijn lievelingsnummer. Een lied om welgemutst de dag mee in te stappen.

Milli Vanilli is een schitterende naam voor een band. De man achter Milli Vanilli was trouwens Frank Farian, de Duitse wonderknaap die ook tekende voor Boney M., ook een goede naam.

ABBA 2021 (2)

Vanaf mei volgend jaar kun je naar ABBA gaan kijken in Londen, in een speciaal daarvoor gebouwde arena. Wat je zal zien zijn digitale avatars van de vier ABBA-leden. Hologrammen. Illusies. Projecties van hoe ze er in de jaren ’70 uitzagen. Een technologische verjongingskuur. Je zal dus kijken naar Agnetha zoals ze eruitzag in de jaren ’70, terwijl de inmiddels om en bij de 70-jarige Agnetha op hetzelfde moment misschien haar strijk aan het doen is ergens in Stockholm. Hoe verfijnd de techniek ook is, het zag er op de beelden in het journaal een beetje creepy uit. Robotachtig. Volgens mij is het met hologrammen niet mogelijk om echt vloeiende bewegingen of gelaatsemoties te tonen. Wie een halve eeuw geleden verliefd was op de meisjes, zal allicht ontgoocheld zijn over de Scandinavische koelheid waarmee ze ‘op het podium staan’.

Het wordt een groot succes. Van over de hele wereld zal men op het event afkomen. Slecht voor het milieu. Australiërs bij de vleet, want ABBA was megagroot in Australië, zo groot dat daar, tijdens die beruchte Australische tournee, het begin van het einde destijds werd ingezet. Te druk en te claustrofobisch voor mensen die het kalme, lieflijke Zweden gewend waren. Dat ze zich bij deze comeback laten vertegenwoordigen door illusies mag eigenlijk niet verbazen.

Je moet bij een dergelijk spektakel voor even vergeten dat het niet echt is en jezelf wijsmaken dat daar de levende ABBA staat. Net zoals mensen dat doen die naar een ABBA-tribute band gaan kijken, ABBA Gold Europe bijvoorbeeld, waarop het gedicht dat ik in een vorig bericht plaatste gebaseerd is. ABBA Gold Europe was ooit te gast in het plaatselijke cultuurcentrum. Van op een van de laatste rijen in de zaal en met mijn niet meer zo jonge ogen wilde ik graag geloven dat daar de echte ABBA stond. Ze leken helemaal niet op de echte ABBA, zag ik later op hun website, maar ze waren wel van vlees en bloed, ze bewogen en spraken tussen de liedjes door het publiek toe, op het moment zelf.

De techniek om anno nu je muzikale helden terug te zien en te horen zoals ze een halve eeuw geleden klonken en oogden bestaat eigenlijk al. Het heet YouTube.

Philip Hoorne Schrijft… nu ook beroepshalve (1)

Philip Hoorne Schrijft… nu ook beroepshalve. Sinds 1 april van dit jaar ben ik redacteur bij CM-Vlaanderen. Dit betekent dat ik onder andere artikels schrijf voor Leef, het gezondheidsmagazine van CM, en voor Visie.

Misschien is het interessant om mijn artikels hier ook te delen. Het zou fijn zijn indien u die verder verspreidt naar belangstellenden.

Mijn eerste artikel verscheen in Visie van 20 mei 2021 en ging over de terugbetaling van brilglazen.

Dit technisch artikel sloot aan bij wat ik voordien deed. Ik werkte 35 jaar op de dienst Gezondheidszorg van CM-Kortrijk, later CM-Zuid-West-Vlaanderen, waarvan ongeveer 27 jaar als teamverantwoordelijke. Ik heb daar op dit weblog of in bio’s nooit iets over vermeld. Mijn werk en mijn schrijverij waren aparte werelden zonder raakvlakken.

Een reorganisatie binnen het bedrijf pakte voor mij goed uit. Ik kan doen wat ik graag doe en waar ik goed in ben.

In Visie van 1 juli 2021 verscheen een artikel over de Community Health Workers.

In Leef 6 van juni 2021 en op de Leef-website verscheen ‘Nietsdoen is niet niks’.

Op de Leef-website werd gisteren het artikel ‘Waarom we een zwak hebben voor de underdog … en soms niet’ geplaatst.

In Leef staan ook korte berichten die ik schreef, maar waarbij de auteursnaam niet wordt vermeld.

Ik werk nu aan stukken over de helende kracht van (huis)dieren, over de effecten van geluidsoverlast op de gezondheid en plan een artikel over het aanbod van de Goed Thuiszorgwinkels.

In Leef 8 (oktober) én op de website komt er een artikel over vrijwilligers.

Lezers van dit weblog mogen mij altijd onderwerpen tippen.

Thank God It’s (Black) Friday (5)

Even het begrip ‘zwarte muziek’ een beetje uitrekken, want onderstaand nummer valt er niet echt onder. Phats & Small oftewel de dikke en de dunne is eigenlijk een blank duo. De zwarte man in de clip is een gelegenheidszanger.

Aan de hogeschool kreeg ik les van priester-leraar-dichter Roger Verkarre. Op een dag had hij een plaatje mee, een singletje, en daar zal ook wel een draagbare platenspeler bij geweest zijn, want hij legde dat plaatje op aan het begin van de les. Het was ‘Love Of The Common People’ van Paul Young. Hij liet het aan de klas horen. Een ode aan de gewone man was het en die ode wilde hij beamen, dat er niks gaat boven de gewone man en vrouw in de straat. De meesten in de klas kenden het lied wel, maar niemand die dat opwierp, niemand wilde ’s mans pret bederven.

De gewone man, wie is dat eigenlijk? Ga met een groot vangnet naar een stadscentrum, een schoolfeest of een treinstation, vat honderd willekeurige lieden bij de lurven, gooi er de twintig vreemdste vogels, de extremen, uit en met wat je overhoudt kun je de gemiddelde gewone man of vrouw in elkaar puzzelen. Zoiets.

Waar wil ik naartoe? In de tweede helft van de clip van ‘Turn Around’ zie je een aantal mensen dansen in een platenwinkel, tussen de rekken met LP’s. Gewone mensen, niet opgetut, niet uitgedost, geen Fred Astaire’s of Ginger Rogers’, gewoon maar doodgewone mensen die zich op een kleine, fijne manier uitleven op het nummer. Geen excentrieke aandachtstrekkers, geen Tomorrowland-toestanden, geen opgefokt gedoe, geen gegil of gejuich of gespring, alleen maar mensen zoals u en ik die voor de tijd dat het duurt de tijd van hun leven hebben. Natuurlijk is dit geregisseerd, maar dat beeld van die mensen die toevallig op hetzelfde moment op dezelfde plaats lijken te zijn en beginnen te dansen op ‘Turn Around’ staat op mijn netvlies gebrand. Het verpersoonlijkt voor mij een soort van naturelle onbekommerdheid die in de loop van het nieuwe millennium is zoekgeraakt.

Bewondering

Geef het maar toe, het interesseert u geen hol. U weet dat de nationale zenders nu ook omkaderingsprogramma’s geven, dat moet, in het kader van het gelijkheidsbeginsel of zo, maar ook die interesseren u geen hol. U hoort in het journaal dat we de voorbij nacht alweer elvendertig medailles hebben behaald, maar ook dat, ja, zegt u het maar, interesseert u geen hol. Korte samenvattingen flitsen voorbij en het eerste wat u doet is turen waar de handicap zit. Mogen we dat nog zeggen, handicap, of is dat voortaan alleen nog een term uit de golfsport? Het stoort u als u niet meteen de handicap ziet. Die landgenoot die goud behaalde in het tafeltennis, wat mankeert die? En die amazone die goud na goud pakt, waarom doet zij niet mee aan de gewone Spelen? Men zou dat wel even kunnen meegeven in zo’n kort nieuwsverslag, maar allicht zijn de redacties daar te beschroomd voor. Het zijn paralympiërs, aanvaard dat gewoon, punt.

Ik heb een immense, buitenmaatse, hemelhoge bewondering voor paralympische atleten.

Hoorne in Zomergasten (2) – De commentaren

Na mijn gefingeerd optreden in Zomergasten regende het commentaren op de sociale media als daar zijn Faecesboek, Twittercafé en Instegrèèèèm. Zei ik ‘na’? ‘Tijdens’ moet dat zijn natuurlijk. Mensen kijken niet meer aandachtig tv, maar zitten met de smartphone in de aanslag commentaar te geven op wat ze maar half gezien of gehoord hebben. Zelf heb ik de aflevering niet bekeken. Ik houd nu eenmaal niet van mijn beeltenis op film of op foto en evenmin van mijn stemgeluid. Ik zou ook te veel tobben over had ik sommige dingen beter niet gezegd en andere dan weer wel. Een greep uit de commentaren:

“Move over, Janine, je zit op mijn stoel! Hoorne is van mij, takkewijf.”

“Komt dat zien: vette Vlaamse potvis aangespoeld bij de VPRO!”

“Philip wie?”

“Pet Shop Boys, really?”

“Eindelijk iemand die de dingen durft te zeggen zoals ze zijn.”

“Waar kan ik zo’n knuffelbeer bestellen?”

“Hoorne nam het woord ‘woke’ bij het nekvel en veegde er zijn reet mee af. Love you, man!”

“Beste zomergast van dit seizoen!”

“Na een kwartier weggezapt… ik krijg dit kwartier van mijn leven nooit meer terug.”

“Gewoon ziekelijk, die grap over Disneyland Middle East.”

“Arrogante zak! Boerenlul! Varken! Sodemieter op!”

“Zat Kanye nog maniok te stampen in Ouagadougou in plaats van met zijn blingbling te rammelen in LA. Vergeef mij, Heer, ik heb gelachen om een heel foute grap over het kolonialisme.”

“Heerlijk om dankzij de gast de Belgische comedian Gunther Lamoot te leren kennen.”

“Hoorne, de sleutelbewaarder van Fort Europa?”

“Het is gemakkelijk om tegen bedrijfswagens te zijn als je zelf per jaar amper 1.000 kilometer rijdt.”

“Baby’s die vandaag geboren worden, zullen opgroeien in de hel op aarde? Ik houd een slag om de arm.”

“‘Erkennen begint bij herkennen’, wat een mooie uitspraak was dat van Hoorne. Ik frees die in een metalen plaat en hang ze op boven mijn bureau.”

“Omdat Hoorne’s ego er niet in paste, werd er voor deze laatste aflevering uitgeweken naar een grotere studio.”

“Is dit nu een altruïst, een fascist, een conservatist, een ideologist, een nihilist, een communist, een ecologist, een anarchist, een humanist of een raren tist?”

“Geen speld tussen te krijgen.”

“Haalt zichzelf voortdurend onderuit. Teert op relativisme en zelfspot. Makkelijk zat.”

“Zopas mijn lidmaatschap bij de VPRO opgezegd.”

“De Berlijnse Muur en het IJzeren Gordijn worden iets oostelijker opnieuw opgetrokken. Hadden we meteen alles kunnen laten zoals het was. Wat een verkwisting van bouwmaterialen.”

“We moeten inderdaad allemaal een beetje meer grijs worden in plaats van zwart of wit.”

“Reactionaire groene jongen zingt De Internationale in lederhosen?”

“De hele avond als betoverd zitten toekijken naar deze laatste gast van het seizoen. Ik had al drie keer mijn slipje uitgewrongen en toen moest het eerste fragment nog worden aangekondigd.”

“Ik had het gevoel te kijken naar iemand die om de haverklap een ander masker op zet.”

“Het absolute dieptepunt van meer dan 60 jaar Nederlandse televisie.”

Thank God It’s (Black) Friday (5)

Vergeet de monsterhit ‘Pump Up The Jam’ van Technotronic. De opvolger was stukken beter – en de echte zangeres kwam nu wel in beeld -, rolt als een oververhitte stoomtrein, maar brak minder potten.

Hoeveel zou men betaald hebben voor de samples? Hoe gaat dat eigenlijk in zijn werk, samples kopen van iemand anders? “Allo, is ’t met mijnheer James Brown? ’t Is hier met Technotronic hé, ge weet wel, van ‘Pomp Op De Confituur’. Awel, ’t is om te vragen of wij gene sampel van u mogen gebruiken voor ons tweede lieke ‘Stoa Rechte (Veur Dat De Nacht Gedoan Is’? Hoevele moe da kostn? ’t Is nu nie omda wulder ne weireldhit geskoord în met ‘Pomp Op De Confituur’ da ge moet overdraaven hé, menier Brown? Wil je der ne kjir over peizen? Allez, menier Brown, tot binnenkort hé.” Zou dat gesprek zo gegaan zijn? Want Technotronic, daar zaten toch Belgen achter?

Hoorne in Zomergasten (1) – Het gemijmer

Ik heb deze zomer geen enkele Zomergasten, het befaamde praatprogramma op de Nederlandse tv, gezien. Als ik de gast niet ken, en dat was voor alle gasten het geval behalve voor Hans Klok, dan kan ik mij moeilijk motiveren om daar zo lang naar te kijken. Terwijl het natuurlijk net omgekeerd zou moeten zijn, dat ik iets of iemand wil leren kennen die ik voorheen niet kende. Dat is bizar en eigenlijk ook niet, dat mensen teruggrijpen naar wat ze kennen. Concertgangers willen dat de artiest of de band de hits speelt die ze al kennen. Op zich is dat een tikkeltje vreemd, wat je kent hoef je toch niet nog eens en nog eens te horen. Daartegenover staat dat de meeste mensen het niet kunnen opbrengen om een film twee of meerdere keren te zien, dat dan weer wel.

Welke fragmenten zou ik kiezen indien ik een Zomergasten-aflevering zou mogen vullen?

De gasten zijn meestal experts in een bepaald vakgebied. Ze kiezen fragmenten die dit benadrukken en ook de film die ze mogen kiezen, en die na het gesprek wordt getoond, sluit daar veelal bij aan.

Ik ben expert in niets, ken van alles een beetje. Misschien verwacht men dat ik iets kies wat met poëzie, fotografie of – beroepshalve dan – sociale zekerheid te maken heeft. Daar gaat mijn voorkeur niet naar uit. Heel waarschijnlijk zou ik kiezen voor minstens één fragment met humor, minstens één met muziek en minstens één filmfragment. Het zou een heel fijn tijdverdrijf zijn om van die drie onderwerpen lijstjes aan te leggen en dan na heel wat schrappen tot een keuze te komen.

Maar hoe link je dan die keuzes aan jezelf. In de Zomergasten met Hans Theeuwen enkele jaren geleden, werd een aantal fragmenten getoond die hij gekozen had, en toen de toenmalige moderator na het fragment even diep ademhaalde om lekker uitgebreid op een fragment in te gaan, zei Theeuwen iets in de trant van ‘mooi hé, leuk hé, wat moet ik daar nog meer over zeggen, je hebt het gezien, is dat niet voldoende?’

Neen, de moderator en bij uitbreiding de kijker thuis overtuigen leuk te vinden wat ik leuk vind, is niet voldoende. Er moet een breed maatschappelijke context zijn. Ik ben wel maatschappelijk betrokken, dat heb ik op dit weblog al vaak laten zien, maar moet ik daarmee per se op tv, daar heeft de NPO toch genoeg praatprogramma’s voor met echte experts.

Wis en zeker zou ik in mijn enthousiasme op een onbewaakt moment een foute grap vertellen. ‘Philip,’ zou Janine Abbring dan vragen, nadat we een dik kwartier over de vluchtelingenproblematiek hebben gepraat, ‘wat is dan voor jou de oplossing van het migratievraagstuk?’ En dan antwoord ik, weliswaar ongemeend, maar dat weet de kijker thuis niet: ‘Lekke bootjes?’ Zo gaat dat, met timide types als ik. Als die een grap maken, is het er dikwijls ver over, als een soort tegengewicht voor hun timiditeit. Een rel van formaat? Ik word geslacht op de sociale media? Neen, gelukkig, de eindredactie heeft de wansmakelijke grap, oef, weggeknipt.

In een volgende aflevering van Hoorne in Zomergasten trekken we naar het Twittercafé om eens te lezen wat de kijker zoal vond van mijn passage bij de VPRO. Maar eerst is er morgen terug een ‘Thank God It’s (Black) Friday’.

Snelheidsduivel verongelukt

Neen, zegt zijn familie, hij was geen snelheidsduivel. Hij had een afspraak en was gehaast. Hij was toch zo’n goed mens. Koekegoed. Werkte zeven dagen op zeven. Hij had die bolide gekocht om zichzelf te belonen voor zijn vele en harde werken. Als dat al niet meer mag.

Alsjeblieft, familie, bespaar mij uw gezwets. Ik kijk naar de foto van het hoopje schroot. Zeg het zoals het is: hij was een moordenaar op vier wielen. Jammer van dat meisje dat naast hem zat en nu voor haar leven vecht. Wat een geluk nog dat hij geen anderen heeft vermoord.

Ik kan hier zo kwaad om worden.

Er staat een groot dichter in Tirade

Ik sta in Tirade. Tirade nummer 436, jaargang 54, nr. 5 van december 2010. Jawel, 2010. Het gedicht heet ‘Cut’ en werd later opgenomen in, ik geloof, Het is fijn om van pluche te zijn uit 2012. Ik wist niets van deze publicatie af, merkte ze per toeval op, mailde naar de redactie met de vriendelijke vraag of ze mij het nummer wilden toesturen. Ik kreeg een heel aardige mail terug en hier zit ik nu met voor mijn neus Tirade, nummer 436, jaargang 54, nr. 5 van december 2010, een dik nummer met veel poëzie. Op pagina 101 staat ‘Cut’. Ik weet zelfs niet meer of ik dit gedicht heb ingestuurd. Ja, tuurlijk heb ik dit naar Tirade gestuurd, hoe komt het anders in nummer 436, jaargang 54, nr. 5 van december 2010? Wat ik wel weet is dat ik een aantal keer ben afgewezen door Tirade. Misschien hadden ze nog een paginaatje over en hebben ze ‘Cut’ opgevist. Onderaan de pagina staat een kort commentaar. Iemand heeft het dus niet alleen gelezen en geplaatst, maar er ook even over nagedacht. Hoeveel geluk kun je als dichter ervaren?

Ik werd enkele jaren geleden tijdens een literaire middag aan het publiek voorgesteld als een groot en belangrijk dichter. Het vervulde mij, toen ik van mijn stoel recht stond en me naar het podium begaf, met meer schaamte dan trots, temeer daar ik mij in mijn rug de banbliksems inbeeldde van dichters, die al hadden opgetreden of het nog moesten doen en die zich wel groot en belangrijk waanden. Ik stelde de microfoon af op mijn hoogte en zei dat de gastheer me te veel eer had toegezwaaid. Door te ontkennen wat de presentator had gezegd, maakte ik het alleen nog maar erger.

Er zijn dichters die jaren, decennia wachten om hun werk in een bundel onder te brengen. Iedereen vraagt altijd maar wanneer dat debuut er eindelijk komt. Een van die dichters was bijvoorbeeld Thomas M. Had al naam en faam, maar nog geen bundel. Iedereen zeurde aan zijn kop. Toen die eersteling er eindelijk lag, struinde iedereen door het hoopje papier en dacht bij zichzelf: is dat het dan, heb je daar een decennium op gekauwd? Wacht iemand jaren om een ei te leggen, werpt het publiek er snel een blik op om het dan nog sneller de rug toe te keren. Op naar het volgende ei van de dag.

Misschien zou ik mijn uitgever plezieren door een stevige, goede roman te schrijven. Ik heb er weinig zin in. Het zou iets moeten zijn dat niet eerder is gedaan, origineel, dat op zich vereist flink wat voorbereiding. Het schrijven en schrappen is veel werk. Om nog te zwijgen over het herschrijven. Ik ben immers verre van een natuurtalent. Er zijn veel romanschrijvers die ik bewonder. Lees ik Dimitri Verhulst, om maar meteen de grootste te noemen, dan kan ik alleen maar vaststellen dat zijn talent way out of my league is. En waarom zou ik iets gaan doen wat anderen zoveel beter doen? Aan de andere kant, als alle jongetjes die zich spiegelen aan Cristiano Ronaldo zo zouden denken, dan is er over enkele jaren geen voetbal meer.

Het gewroet vind ik nog niet eens zo erg. Ben ik immers geen harde werker? Maar dan belandt zo’n boekie in het beste geval in de boekhandel en op de boekenbeurs tussen allemaal andere boekies die alle om ter luidst roepen dat ze er zijn. Wat een zielig en blasé vertoon. Wilde je als schrijver eens een treurige namiddag beleven, maar dan echt heel treurig, dan moest je naar de Antwerpse Boekenbeurs. Die verhuist naar Kortrijk, las ik. Ik ga al jaren niet meer naar de Boekenbeurs, komt de Boekenbeurs nu wel naar mij toe zeker.

Thank God It’s (Black) Friday (4)

‘Tante Germaine, uw naamgenoot is op tv!’ zijn woorden die ik nooit in de mond heb genomen. Ik heb geen tante Germaine en mocht ik die al hebben gehad, dan zou ik haar er niet bij roepen om samen met mij naar muziekclips te kijken. Muziek beluisteren en bekijken is een persoonlijke ervaring, iets wat je individueel beleeft. Oprotten dus, tante Germaine, sorteer uw steunkousen per kleur, spoel uw vals gebit af onder de kraan of vul nog een kruiswoordraadsel in, maar laat mij met rust, want ik hoor dit liedje graag.

Je zult mij wel grapjes horen maken over mijn fictieve tante Germaine, maar niet over Jermaine Stewart, de man die zingt dat je je kleren niet hoeft uit te trekken om een fijne tijd te beleven… om vervolgens te sterven aan aids.

Dit is weer zo’n wereldhit waar de klasse vanaf druipt. Telkens is dit hoor, geraak ik gefascineerd door die stem. Klinkt die niet ietwat te hoog, te schel? Er zit iets androgyn in dit lied en dat is een pluspunt. Dit kon niet gezongen worden door een macho met een diepe basstem. Dit kon alleen gezongen worden door de man die het zong. ‘Die gast is al bijna een kwarteeuw dood, kun je dat geloven, tante Germaine?’ Ze antwoordt niet, of toch. ‘Lengtemaat met twee letters?’

De wijsheid van professor Holslag

Als Jonathan Holslag spreekt, kun je maar beter luisteren. De professor Internationale Politiek weet steeds weer een heldere analyse te maken van wat zich op het wereldtoneel afspeelt. Te gast in De Afspraak, als columnist voor Knack of in dit uitgebreid (helaas enkel voor abonnees) artikel op HLN, altijd is zijn commentaar raak, zonder dat hij zich daarvoor bedient van holle gemeenplaatsen of oneliners om te scoren.

Het verheugt me dat commentatoren heel vaak een goed zicht hebben op problematieken en daar ook een oplossing of een aanzet voor een oplossing voor in huis hebben. Steek zo’n mensen in een politieke partij en ze worden gemuilkorfd door de partijdiscipline. Moeten ze ineens gaan nadenken wat ze wel en niet mogen zeggen. Liggen ze onder het vergrootglas van de Wetstraat-journalisten, die niet vies zijn van een relletje tussen politici van verschillende partijen, of betere nog, ambras binnen een en dezelfde partij.

De beste stuurlui staan aan wal, wordt wel eens schamper gesteld. Misschien moeten de schippers toch af en toe eens aanmeren om aan de lieden op de kade te vragen welke richting het uit moet, zonder zich daar gekwetst bij te voelen. Zelfs wie nog nooit aan een roer heeft gestaan, kan weten wat de perfecte vaarroute is.

Nog maritieme beeldspraak? Neen. Professor Holslag dus. Onthoud die naam, mocht je hem nog niet kennen. Spits je oren en bol je ogen als je hem ergens ontwaart.

Beschavingen… ’t is overal iets

Heftig wat er in Kaboel gebeurt. Mensen die op de vleugel van een vliegtuig kruipen, niet een sportvliegerke maar een grote stalen vogel, om het land uit te geraken. Ik dacht dat het alleen in animatiefilmpjes en stripverhalen mogelijk was. En Buster Keaton, heeft die dat ook niet eens gedaan? Of was het Harold Lloyd? Neen, dit is niet grappig.

Wie op de romp van een vliegtuig kruipt dat zo meteen zal opstijgen, of op de vleugel, heeft ofwel nog nooit een vliegtuig van dichtbij of veraf gezien, of is heel erg wanhopig. Er zijn zeker twee mensen van hoog in de lucht naar beneden gevallen. Wat dachten die op het moment dat ze beseften dat ze zouden vallen?

9/11, mensen die uit de Twin Towers sprongen, omdat ze moesten kiezen tussen verzwolgen worden door het vuur of door het raam springen. Ik heb zo’n immens erge hoogtevrees dat elke keer ik daaraan denk mijn handen klam worden en ik een scheut krijg in mijn hartstreek.

Beschavingen, of het gebrek eraan, het is me wat.

Om dit bericht toch nog op een vrolijke noot te laten eindigen zal ik de Maya’s een beetje bashen.

Enkele maanden geleden zag ik een documentaire over de Maya’s. Wij prijzen de Maya’s, ze waren redelijk snugger, zo wordt gezegd, met hun kalender en zo. Maar als de maan een beetje flauwtjes scheen of er dreef een bepaald soort wolk voor de zon of het donderde in de verte, dan klommen ze zo’n immens grote LEGO-piramide op om wat kindertjes te offeren.

Ach, sodemieter toch op met die Maya’s en hun achterlijke gebruiken. Hoogwaardige beschaving, mijn gat. Een volk dat mensen offert noem ik geen hoogwaardige beschaving. En de mannen doorboorden bij wijze van ritueel hun penis met roggestekels. Don’t try this at home.

Måneskin… niets nieuws onder de zon

Måneskin, de Italiaanse band die het Eurovisiesongfestival won, is een groot succes. Ik zag in het journaal beelden van een festival in België, waar zowat alle aanwezigen alleen maar kwamen om Måneskin te zien.

Ik ben geen Måneskin-deskundige, zag ze aan het werk tijdens het Songfestival, meer niet. Ik was niet onder de indruk, niet van de muziek, niet van de looks. Blijkbaar is Måneskin vooral belangrijk omdat ze een stem vertolken in het LGBTQ-debat. (Ik moet altijd nadenken over de volgorde van de letters, en komt er niet ook nog iets achter de Q?)

Het winnende festivalnummer? Dat is ruige rock zoals die al decennialang bestaat. De looks? De gitariste probeert Suzi Quatro te imiteren en doet dat behoorlijk goed, maar het blijft wel een Suzi Quatro-imitatie. De andere bandleden doen me evenzeer denken aan rockers uit het verleden, maar ik kan er de vinger niet op leggen. Ik denk dat er verschillende imago’s door elkaar zijn geklutst.

Mannen met oogschaduw, lippenstift en nagellak. Ik heb de glamrock meegemaakt en de New Romantics, dat was andere fond de teint. (Over glamrock gesproken, misschien doet Måneskin mij nog het meest denken aan The Sweet. Hoewel, neen, eigenlijk niet.) Bowie, Robert Smith, Boy George, Adam Ant, Gary Numan, Andy Bell, Alice Cooper, Pete Burns, Marilyn Manson, Kiss, Divine, Sylvester… ontelbaar zijn de vaandeldragers en de few hit wonders van de popmuziek die een loodzware beautycase meezeulden.

Kortom, ik snap de Måneskin-hype niet, en een hype zal het zijn. Over twee jaar weet niemand nog wie deze Italianen ook weer waren. Wat de LGBTQ-rol betreft, ik vind het prima dat ze die vertolken, ook al ben ik van de oude stempel die weet dat als er bij de geboorte een pietje te zien is het een jongen betreft, en indien een spleetje een meisje. Vroeger bleef je dat een leven lang. Nu is na de geboorte van alles mogelijk.

Een rockband wekt minder frictie op bij de tegenstanders van het hele scala aan geaardheden dan een gay pride, een regenboogvlag, regenboogcornervlaggen, regenbooglichtprojecties of godbetert een regenboogzebrapad. (Een regenboogzebrapad is eigenlijk geen zebrapad, want er bestaan geen felgekleurde zebra’s.) Ik vind het allemaal best, het verlangen om te zijn wie je bent, wilt zijn of denkt te willen zijn, en dat verlangen ook proberen vorm te geven. Maar het blijft een individuele besogne, terwijl de mensheid op dit moment wel andere katten te geselen heeft.

Rally is a crime

Als er één sport is die ik hartgrondig haat, dan is het rally. Met auto’s racen op een daarvoor bestemd circuit, dat moet misschien nog kunnen, liever niet natuurlijk. Maar racen in het wonderschone landschap van de Westhoek is een regelrechte misdaad.

Mocht ik een slecht mens zijn, dan had ik gewild dat beide piloten voortaan levenslang in een ‘karreke’ mochten cruisen. Voor wie mij niet goed begrijpt, met karreke bedoel ik wel degelijk een rolstoel. Maar ik ben helaas geen slecht mens, of toch net niet slecht genoeg.

Maar kijk, die mensen waarvan het huis aan flarden is gereden, zijn zowaar blij dat ze ook bijna in een karreke belandden. Ze gaan een stukje van die raceauto in hun nieuwe gevel verwerken. Hoe bijzonder is dat. Ik moet bijna huilen… Om zoveel stupiditeit.

Thank God It’s (Black) Friday (3)

Aflevering 3 van deze vrijdagse reeks waarin ik muzikale juweeltjes van zwarte artiesten in de verf zet. En opnieuw ga ik de feelgood-toer op. Feelgood nog aan toe, Hoorne, jij bent toch een hard-boiled pseudo-misantropische cynicus pur sang? Hoe valt dat te rijmen met al die leuke muziekjes waar je zo dol op bent? Wel, ik zou daar een omstandig antwoord kunnen op geven, maar zoals we in de Franse les leerden: les extrèmes se touchent. De uitwerpselen raken elkaar. Of zoiets. De cynicus gaat hand in hand met het softe watje.

Wat valt er te zeggen over ‘We Got A Love Thang’? Zelfs als je geen woord Engels kent, snap je dat dit lied gaat over het leven en de liefde en hoe het hele zootje te celebreren. De optelsom van ‘Heb je even voor mij’ en ‘Laat de zon in je hart’, maar dan duizend keer beter. Meer good vibes dan dit zul je niet gauw vinden. Jammer dat het nummer iets te lang duurt waardoor het vanaf minuut 3 aan kracht inboet. Ze moeten nu ook weer niet overdrijven met al die feelgood.

De wereld is om zeep

Ik was bezig in de voortuin wat onkruid te wieden toen een groep kinderen, vergezeld van enkele monitoren, voorbij kwam. Ik rechtte mijn rug en keek naar de schier oneindige rij kinderen, jong nog, net de kleuterklas ontgroeid, schatte ik. Ze negeerden me. Logisch, want als ik in de tuin bezig ben zie ik er niet uit. Ik draag oude, gerafelde kleren van meer dan een kwarteeuw oud, kousen waarvan het me niet kan schelen of ik ze rechts of averechts aan heb en versleten sandalen waarvan het me wel kan schelen of ik ze rechts of averechts aan heb, en ik ben ongewassen, ongeschoren en ongekamd. Kort samengevat: mijn verschijning nodigt op die momenten niet uit tot toenadering.

De kinderen en hun begeleiders negeerden me, behalve een blond jongetje dat riep ‘Wat ben je aan het doen, mijnheer?’ Ik vond het fijn te worden toegeroepen door dit ene knulletje, een beleefd knulletje bovendien, want ook als ik er monsterlijk uitzie, mogen jochies van zes, zeven jaar me bij voorkeur met mijnheer aanspreken. ‘Ik ben de kindertjes die ik gisteren vermoord heb aan het begraven’, riep ik hem toe. Hij stak zijn klein duimpje op ter goedkeuring. Ziedaar, dacht ik bij mezelf, een knaapje met humor. Of de toekomstige Hitler is een landgenoot, dat kan ook. Maar tegen die tijd ben ik alweer een flink stuk ouder en misschien al de pijp uit. Mij ga je niet krijgen met je Gestapo 2.0, vlaskop.

Telkens ik jonge kinderen zie of op de hoogte wordt gebracht van de worp van een nieuw mensje, moet ik onwillekeurig denken aan de staat van onze samenleving en onze planeet. In wat voor wereld moeten die kinderen terechtkomen? Ik ben geen lachebekje als het op geloof in de toekomst aankomt.

Eerst de planeet. We hebben die veel pijn gedaan en die begint hoe langer hoe meer terug te slaan. Niet goed voor gezorgd. Hoe kan het ook anders met politici die niet verder denken dan de volgende verkiezingen en burgers wiens enige zorg het in coronatijd is om zo snel mogelijk terug met een pint voor hun neus op een terrasje te gaan zitten en daar dan een selfie van te nemen. De wereld is om zeep, dat zong Urbanus, wijs man par excellence, al in 1974.

Neen, we moeten niet rekenen op de politiek of op de meeste van onze medemensen om het zootje te redden. Een mogelijke mentaliteitswijziging zal zich minder snel voltrekken dan de teloorgang van onze aardbol. Het enige waar ik nog in geloof is in een technologisch wonder. Ik geloof in wetenschappers, ze hebben ons uit de coronacrisis gehaald. Ze hebben brains en doen er iets mee. Maar hoe slechter het zal gaan met onze bol, hoe meer lieden, die zich uit domheid of wanhoop hebben bekeerd tot een geestdodende hocus pocus religie, er zullen opstaan die de wetenschappers op de brandstapel willen gooien.

Onze samenleving dan. Door het stukgaan van de planeet worden grote delen ervan onbewoonbaar en dat terwijl de bevolking almaar aangroeit. Er zullen volksverhuizingen komen, er zal gevochten worden voor grond, voor voedsel, voor water en dat dus, zoals ik in de vorige alinea schreef, in apocalyptische omstandigheden.

Zei ik daarnet dat de bevolking almaar zal aangroeien? Ja, in normale omstandigheden wel, maar door ziektes, catastrofen en oorlogen zal er her en der ook flink in populaties gesnoeid worden. Dat is heel simpel uit te leggen. Wie kent niet de vroegere publieke telefooncel. Je kon daar met twee of maximum met drie in. Propte je – hypothetisch – in zo’n telefooncel almaar mensen bij, dan ging er uiteindelijk iemand dood, de kleinste of die met de slechtst werkende longen, door verstikking. Of een van de sterkere kreeg het zo op zijn heupen van het plaatsgebrek dat hij een paar andere de keel dichtkneep.

Misschien zullen de sterkste, slimste en fitste aardebewoners de hel overleven en ooit opnieuw beginnen, het boeltje terug op gang trekken. In welk jaar dat dan zal zijn weet ik niet. Ik zal het niet meer meemaken, het blonde ventje mogelijk wel.

Bedenkingen bij de Eddy Demarez-affaire

De Facebook- en Twittertooghangers hebben weer een vette kluif om aan te knagen: de uitspraken van sportjournalist Eddy Demarez over de Belgian Cats terwijl zonder dat hij het wist de microfoon nog open stond. Ik had me voorgenomen hier geen letter over te schrijven, maar in momenten van hysterie moet er iemand het hoofd koel houden.

Laten we kijken naar de inhoud van wat Demarez zei. Behalve dat hij lacht met het gewicht van een speelster en dat hij een andere speelster een ‘manneke’ noemt, terwijl dat natuurlijk ‘vrouwtje’ moet zijn, vertelt hij niet veel onwaarheden. Er zijn blijkbaar flink wat homoseksuele basketbalspeelsters bij de nationale ploeg en dat één van de Mestdaghs hetero is en de andere niet kan kloppen. Over de inhoud hadden de Cats Mitterand-gewijs kunnen zeggen ‘Et alors?’

Problematisch, heel problematisch zelfs, is de manier waarop Demarez het allemaal verkondigde, in zijn rol van VRT-commentator. Dat over geaardheid werd gesproken waar dat helemaal niet ter zake deed, is een geweldige uitschuiver. Als ik naar een wedstrijd van de Belgian Cats kijk, dan vraag ik me geen enkel moment af wat hun seksuele geaardheid is. Dat Demarez daar spontaan en lacherig over begon is totaal fout. Bijzonder ongelukkig waren zijn snelle excuses. Die kwamen te snel om oprecht te lijken.

Gisteren was het dan de beurt aan de basketbalbond en de Belgian Cats om de mist in te gaan. Die vroegen het ontslag van Eddy Demarez bij de VRT. Een schoolvoorbeeld van gesterkt door de omstandigheden in alle emotionaliteit je hand overspelen. Een werknemer ontslaan is een zaak tussen werkgever en werknemer, waarbij de tekst van het arbeidsreglement bepalend is. Derden hebben zich daar niet mee te moeien. Dat is zoals een voetbalspeler die een gele of rode kaart vraagt voor een tegenstander. Zoiets doe je niet. Er staat een scheidsrechter op het veld die de spelregels kent en toepast.

In deze gemediatiseerde samenleving kan het niet anders of de carrière van Demarez is waarschijnlijk om zeep. Tot het einde van zijn beroepsloopbaan zal hij hieraan herinnerd worden. Hoewel, mensen vergeten snel, denken we maar aan de affaire Stijn Stijnen, destijds bij Club Brugge. Maar dat was toen een interne zaak, dit ligt anders. Kan Demarez in een sportuitzending ooit nog iets aankondigen of meedelen over de Cats? Moeilijk, tenzij er een verzoening komt tussen beide partijen. Maar eerst zal Demarez nog wat door het stof moeten kruipen.

Overigens waren de grappen van Demarez niet bijster goed. Mocht hij ontslagen worden bij de VRT, dan raad ik hem af om het als stand-up comedian te proberen. Ik kan hier meteen vijf grappen bedenken die beter zijn. Dat is misschien nog het ergste van al, dat Demarez het onwetende deel van België heeft gewezen op iets dat totaal irrelevant is in de sport en dat dit kan leiden tot nieuwe grappen of erger.

In het Twittercafé distantieerden heel wat collega’s van Eddy Demarez zich van zijn uitspraken. Prompt reageerde Bart Schols, vroeger behorend tot de sportredactie, met de melding dat sommige collega’s, die nu het heilig boontje uithangen op de sociale media, in de beslotenheid van een redactieomgeving wél duchtig kunnen lachen om seksistische en homofobe moppen. Prompt kreeg Schols de wind van voren en werd hij al een medestander van Demarez genoemd, of wat had u gedacht?

Thank God It’s (Black) Friday (2)

Tweede aflevering van ‘Thank God It’s (Black) Friday’, een wekelijks op vrijdag terugkerende rubriek waarin ik recente maar vooral minder recente zwarte muziekparels onder uw neus duw. Beschouw het als mijn bescheiden bijdrage aan het diversiteitsdebat. We moeten niet allemaal op één knie gaan zitten alsof we een huwelijksaanzoek willen doen. Het kan ook anders: muzikaal, educatief, kunstzinnig, eigenzinnig, nutteloos, vrijblijvend… you name it.

Uit hetzelfde jaar als ‘Solid’ uit aflevering 1 – het jaar 1984 – komt ‘Let’s hear it for the boy’ uit de film Footloose . Ik ken de film, ken het titelnummer, maar zag de film niet. Dat zal er misschien ooit eens van komen, er zijn nog zoveel films die ik wil zien vooraleer mijn hart een laatste keer bloed door de kamers pompt.

Omdat ik de film niet zag, weet ik ook niet precies waarom we het voor de boy moeten laten hear-en, wat de context is waarin dit nummer in de film opduikt. Maar dat is niet belangrijk. Het gaat helemaal niet om die film, waarvan ik vermoed dat hij nu ook weer zo goed niet is. Waarschijnlijk zo’n film waarin het eerst goed gaat met het hoofdpersonage, vervolgens slecht door tegenslag of een misverstand om ten slotte alsnog goed en zonnig te eindigen.

Het gaat om dit lied. O man, wat is dit goed, ik kan hier een hele dag naar luisteren. Wie zei ook weer dat de jaren ’80 duistere, donkere, vermaledijde jaren waren. Toch niet op het vlak van de populaire muziek.

De Nina Derwael-gekte

Een nieuwe brug naar Nina Derwael vernoemen? Ach, schei toch uit met die onzin.

Wedden dat Filip Watteeuw, net zoals 99,9% van de rest van de Belgen, vóór de Spelen nooit langer dan vijf seconden naar een turncompetitie met of zonder Nina Derwael heeft gekeken. En ineens moet een brug, die al was toegewezen aan een vrouw die rond de wereld heeft gezeild, naar Derwael worden genoemd.

Gekte is het. Domme, kortzichtige gekte. De waan van de dag. Van een schepen mag je verwachten dat die daar niet in meegaat. Of dat die toch even de tijd neemt om zijn idee te overpeinzen voor het in de pers te gooien. En na overpeinzing kan hij niet anders dan inzien dat het een slecht idee is.

Het is niet dat Nina Derwael het klimaat heeft gered of de wereldvrede bewerkstelligd. Ze heeft gedurende twintig seconden rond twee horizontale stokken gedraaid en deed dat beter dan zeven anderen. Kunnen we effe normaal doen?

Jeuk

Wie zo’n uitspraak doet, verdient het niet te leven.

“Het is maar een kat”, ik heb het ook wel eens mogen horen over onze Mankie. Dan kookte mijn bloed, maar ik bleef kalm omdat ik weet dat domme mensen nu eenmaal, tja, dom zijn.

Ik hoop dat de man die de uitspraak “Katten zijn vervangbaar. Op een paar weken tijd wen je aan een andere kat of is men het dier al grotendeels vergeten.” gedaan heeft spoedig sterft. Eigenlijk is hij al gestorven, want hij heeft geen hart.

Neen, je mag niemand dood wensen, dat is niet proper. Levenslang ondraaglijke jeuk aan zijn scrotum, veel beter.

Thank God It’s (Black) Friday (1)

Ik heb het hier al vaak over pop, elektropop en new wave gehad, maar heel zelden over ‘zwarte muziek’. Mag je dat zo zeggen, zwarte muziek? Hoe dan ook, om het goed te maken, en omdat ik er gewoon zin in heb, elke vrijdag een zwarte parel. Zomaar. Zonder commentaar.

Of toch een beetje commentaar. Op YouTube wordt onder de clip de draak gestoken met de bende, in de betekenis van een massa volk, die het koppel vervoegt vanaf 2:04. De wereld is een dusdanig onveilige plek geworden dat het ongeloofwaardig lijkt dat het verliefde koppel niet wordt beroofd of erger. Deze videoclip zal geen prijs winnen, maar in 1984 keek ik er met andere ogen naar, vond ik dit gewoon geen sterke clip, maar maakte ik me totaal geen zorgen om de veiligheid van de protagonisten.

Los van de clip, ‘Solid’ is een ijzersterk nummer, werkelijk solid as a rock.

Stop met het opvoeren van supporters in het journaal

Als ik naar het journaal kijk, dan is dat zo goed als altijd op een, op de VRT. Als ik twee nieuwsuitzendingen op één dag bekijk, dan zal die tweede op VTM zijn, omdat je moeilijk twee keer naar dezelfde reportages kunt kijken.

Het valt mij de laatste tijd te vaak op dat het journaal op de VRT korter, beknopter en minder gestoffeerd is dan dat op VTM. Op zondagmiddag bijvoorbeeld is er veel kans dat men op een al de samenvattingen van het zaterdagavondvoetbal aansnijdt nog voor het kwart over één is.

Hoewel ik het een verontrustende evolutie vind, wilde ik het daar eigenlijk niet over hebben. Wel over het op tv opvoeren van de ‘gewone man’ die gevraagd wordt te reageren op een nieuwsfeit.

Gisterenmorgen, 28 juli, behaalde Wout van Aert een zesde plaats in de olympische tijdrit. De VRT had een ploeg gestuurd naar een supporterscafé. Daar zaten wat mensen op tuinstoelen en onder parasols te kijken naar Wout op het scherm.

Zo’n reportage verloopt steevast volgens een zelfde stramien. Eerst komen een vijftal shots van supporters die nagelbijtend naar de wedstrijd kijken. Vervolgens vermeldt de commentaarstem het resultaat van de sportprestatie, in dit geval dat Wout van Aert (pas) zesde werd. Het is jammer voor de televisieploeg dat de prestatie wat tegenvalt. De cameraman had maar wat graag deze tent uit de bol zien gaan.

Doch niet getreurd, wat volgt zijn een aantal korte reacties van supporters/cafégangers. Die komen altijd op hetzelfde neer. Ze zeggen dat ze ofwel een dergelijke prestatie niet verwacht hadden of wel verwacht hadden en dat ze apetrots zijn op hun lokale held (indien de prestatie meevalt), of dat ze op meer gehoopt hadden, een beetje ontgoocheld zijn, maar desondanks toch apetrots zijn op hun lokale held (indien de prestatie tegenvalt).

Ik pik nu toevallig de olympische tijdrit uit, maar een dergelijk café-item duikt om de haverklap op in de journaals op alle Vlaamse zenders. Ook de regionale omroep doet mee. Op WTV/Focus zag ik in de sporthal van Ieper zes mensen, waaronder mijn collega, tevens schepen van mijn gemeente, Geert B., kijken naar de Belgian Cats aan het werk tegen Australië.

Drie van de zes mochten hun zegje doen over de wedstrijd. Geert B. had voor de gelegenheid een tricolore vedertooi op zijn hoofd. Summum van dergelijke reportages is wanneer de supporters elkaar tijdens het interview een beetje porren of jennen, elkaar onderbreken of aanvullen. Dat wordt verondersteld leuk te zijn, maar is het niet. In het verslag legt Geert B. op een gegeven moment een sjaal in de nek van zijn buurman terwijl die in beeld wordt geïnterviewd.

Supporteren mag, supporteren moet, maar de nieuwswaarde van wat supporters na een wedstrijd zeggen is nihil. Aan alle zenders: stop daarmee. We weten dat half of heel België naar sportuitzendingen kijkt, ik doe het ook wel eens, maar wat ik daarover te zeggen heb, is totaal irrelevant. Ik heb gezegd.

Judo is een saai pyjamafeestje

Stel je een voetbalwedstrijd voor waarbij beide elftallen de bal op eigen helft rond tikken om dan één luttele keer naar voren te stormen om een doelpunt te maken. Flauw spektakel, maar misschien blijven we wel kijken, om toch die ene aanval niet te missen.

Zo is judo. Twee kampers houden elkanders pyjama minutenlang vast, kijken naar elkaars voeten, rukken voor de vorm eens aan de kraag van de pyjama van hun tegenstander, herschikken hun pyjamavest, nemen elkaar weer vast, zetten een primitief dansje in door met hun grote teen in de knieholte van hun partner te kietelen, omhelzen elkaar, duwen elkaar naar beneden, vallen elkaar in de armen ….

Wat volgt is voor een van de twee of voor allebei een bestraffing door de scheidsrechter, een gele kaart, voor passiviteit, want dit is immers geen cha cha cha of hucklebuck, dit wordt sport genoemd, meer zelfs, judoka’s kunnen over wat ze doen nogal hoog van de toren blazen.

Uiteindelijk, vooraleer ze in elkanders armen in slaap sukkelen – vandaar dus die pyjama’s – of in een diepe coma duiken, is er één van de twee ‘vechtersbazen’ die zich ineens herinnert waarom hij op die mat staat en zijn ingedommelde collega op de vloer gooit. Einde vertoon.

Je kunt met die ongein een olympische medaille winnen, geen drie, maar vier, want brons wordt tweemaal uitgereikt. Was en strijk uw pyjama! Allen daarheen!