Knoeien met Photoshop

In Knack van 6 januari 2021 staat op pagina 94 en 95 een foto van Laurens Sweeck in zijn trui van Belgisch kampioen veldrijden, een trui die hij enkele dagen later moest afstaan aan Wout van Aert. De foto trekt mijn aandacht. Er is iets met die foto.

Sweeck zit op zijn fiets en bevindt zich in een donker, winters bos. Hij kijkt quasi frontaal in de camera. Een donker bos, maar toch baadt de renner in overvloedig licht. Ha, tuurlijk, hoog tegen de linker rand van de foto, achter de rug van de renner, schijnt een felle winterzon.

Wacht eens even. Sweeck wordt van schuin vooraan belicht, zijdelings bijna. Ook de boomstammen rondom Sweeck worden vanuit die hoek belicht. Dat is behalve aan het licht ook goed te merken aan de schaduwen. Maar de zon zit achter de renner en achter de bomen. Dit klopt niet.

Wat heeft de fotograaf hier uitgespookt? Hij hanteert een externe flitser die links van hem staat, los van de camera. Met dat flitslicht wordt Laurens Sweeck uitstekend belicht. Meer dan uitstekend, bijna te ruim, want het licht valt tot heel hoog tegen de boomstammen. Ik moet aan de kijker tonen waar dat licht vandaan komt, moet de fotograaf gedacht hebben. En waar komt het licht in een bos vandaan? Van de zon.

Maar Sweeck wordt van opzij belicht en de zon schijnt van achter Sweeck. Dus eigenlijk, als de fotograaf ons wil laten geloven dat het licht op de renner van de zon afkomstig is, schijnt die zon van buiten de foto, van achter de fotograaf. Dat is een probleem, want om die zon aan de kijker te tonen, moet je die ergens in de foto kunnen plaatsen. Waarom zeg ik ‘kunnen plaatsen’? Omdat ik meen dat de zon die we zien niet de echte zon is, maar een lichtbol die met een fotobewerkingsprogramma in de foto is aangebracht. De zon werpt immers geen schaduwen, alleen de flitser van de fotograaf doet dat.

Licht dat invalt van aan de zijkant, de zon die schijnt vanuit de achtergrond. Dit is zo over the top dat ik moeilijk kan geloven dat een professioneel fotograaf dergelijke ‘fouten’ per abuis begaat. Compositorisch is de foto ronduit sterk. Sweeck, in die prachtige trui, fraai belicht, duikt op tussen twee schuine boomstammen die hem als een ereboog overkoepelen. Ineens valt mijn oog op de dikke boomstam rechts. Ai, wat is daarmee aan de hand? Had ik eerst niet gezien. Ofwel is dit een hele rare boom ofwel is dit Photoshop-knoeiwerk van hoog niveau.

Hoe dan ook, Sweeck zal content geweest zijn met de foto. En op deze foto gaat het alleen om Laurens Sweeck, de rest is decor. Dat er aan dat decor niet heel erg succesvol geprutst is, zal door minder dan 1 lezer op 100 worden opgemerkt.

P.S. De foto staat op de website van Knack, maar in landschapsformaat in plaats van portretformaat. De artificiële zon is weggeknipt. Er zijn alleen nog maar een paar stralen te zien en omdat het in dit formaat niet duidelijk is waar die stralen vandaan komen, komt de onzichtbare zon hier wel geloofwaardig over. De boom met de gekke knik rechts is wel nog zichtbaar.

Sponsored Post Learn from the experts: Create a successful blog with our brand new courseThe WordPress.com Blog

WordPress.com is excited to announce our newest offering: a course just for beginning bloggers where you’ll learn everything you need to know about blogging from the most trusted experts in the industry. We have helped millions of blogs get up and running, we know what works, and we want you to to know everything we know. This course provides all the fundamental skills and inspiration you need to get your blog started, an interactive community forum, and content updated annually.

De inleverschuif en andere boekgedachten

Na een boekpresentatie kocht ik het werk van de gefêteerde auteur, die het voor mij wilde signeren. Hij sloeg het voorplat helemaal om en streek met de muis van zijn hand veel te hard en veel te lang over de kneep zodat ik het boek nooit meer helemaal dicht zou kunnen klappen. Ik gruwde van zoveel zinloos geweld.

Ik ben lid van meerdere bibliotheken. Aantekeningen in potlood in bibliotheekboeken vind ik nog niet van het ergste, ik probeer zelfs te achterhalen wat degene die ze aanbracht precies bedoelde. Maar een afdruk van etensresten tussen pagina’s, hoe miniem ook, daar word ik onpasselijk van. Snel verder lezen en de pagina omdraaien. Waren dat eigenlijk wel etensresten of…? Neen, niet aan denken.

Na een boekpresentatie wordt het gepresenteerde boek verkocht. Meestal wordt daar een lokale boekhandelaar voor ingeschakeld. Ik verwacht het gekochte boek te ontvangen in een papieren zakje, vooral omdat een presentatie doorgaans gepaard gaat met een receptie, wat zoveel betekent als kans op vlekken op een splinternieuw boek, o horreur. Geen papieren zakje beschikbaar? Dan tracht ik het boek vetvrij te vervoeren, na eerst de boekhandelaar een kwade blik te hebben toegeworpen. Amateur!

Ik heb mijn liefde voor de openbare bibliotheek beschreven in het verhaal ‘De pijnlijke warmte van een Cor Ria Leeman’. Het verhaal staat in mijn verhalenbundel Het vlees is haar, nog altijd gratis ende voor niks te downloaden op dit weblog, ergens in het rechter menu.

Ik had een jeugdvriend wiens ouders zeer welstellend waren. Op een keer was ik bij hem thuis. Wat meteen opviel in de woonkamer waren enkele rijen encyclopedie-achtige boekwerken. Dat zijn geen boeken hoor, zei hij. En effectief, het waren geen boeken, maar stukken karton die ruggen van tegen elkaar gezette boeken moesten voorstellen. Heel fraai imitatiewerk, niet van echt te onderscheiden. In de jaren zeventig wilden mensen die heel rijk waren nog de schijn ophouden dat ze wel eens een boek opensloegen. Tegenwoordig zijn rijkaards er fier op dat ze nooit een boek openslaan.

Het bestond al voordat ik wist dat het bestond, omdat ik me niet kon voorstellen dat zoiets ooit kon bestaan. Ik heb het over de inleverschuif of -bus. Buiten de openingsuren van de bib kun je boeken in een grote brievenbus droppen. Die boeken glijden dan in een vergaarbak. De inleverschuif is boekonterend, wat een raar woord is, wacht ik schrijf het even met een koppelteken, boek-onterend, nu duidelijk? Niemand kan mij doen geloven dat boeken door een dergelijk inleversysteem niet beschadigd geraken, hoe minimaal ook. Boeken mogen niet beschadigd geraken, zeker niet in de boekenkerk.

Want bibliotheken zijn kerken, die moeten altijd open zijn, de hele week, op zaterdag de hele dag en liefst ook een deel van de zondag. En moeten ermee ophouden om te pas en te onpas de brug te maken, alsook het inkrimpen van de openingsuren tijdens de grote vakantie, want er zijn nu eenmaal kinderen die niet op reis gaan, die niet van de jeugdbeweging houden, die een hekel hebben aan de speelpleinwerking, die niet van de zon houden, die niet gamen, die willens nillens eenzaam zijn en alleen maar willen lezen, en daar tijdens de grote vakantie zeeën van tijd voor hebben. Als zo’n kind dan op bijkomende sluitingsdagen of op de brugdag voor of na 11 juli, 21 juli of 15 augustus voor een gesloten bibliotheekdeur staat, dan is dat een onrecht dat stante pede bij het kinderrechtencommissariaat dient te worden aangeklaagd. Met natuurlijk een blaam voor de bibliotheek in kwestie tot gevolg.

Zou dat nog bestaan, mensen die een ezelsoor aan een pagina aanbrengen? Of zijn die met recht en reden al allemaal standrechtelijk geëxecuteerd? Je kunt je toch niet voorstellen dat iemand zoiets doet, terwijl je zo ongeveer alles, van een gebruikte enveloppe over een hoekje van een papieren verpakking tot een velletje wc-papier kunt gebruiken als bladwijzer, indien er geen echte bladwijzer voorhanden is.

Mijd mensen die een opengeklapt boek neerleggen met de pagina’s naar onderen. Ze zijn lui, onbetrouwbaar en ongedisciplineerd.

Niets is zo lomp als een boek op de grond laten vallen. Als het een boek is met een harde kaft, dan direct kijken of de hoekjes niet ingedeukt zijn. Dolgelukkig zijn als dat niet het geval is.

Wie een boek leest in bad neemt onverantwoorde risico’s. Wie een boek leest onder de douche moet stante pede geïnterneerd worden.

Kennen jullie deze nog? (8) THE PRIMITIVES

‘Crash’ van The Primitives kwam uit in 1988. Ik was geen tiener meer in 1988, ik werd in dat jaar voor de eerste keer vader. Ik volgde dat hele popmuziekgedoe niet meer van zo nabij. Toppop hield er mee op in ’88. MTV Europe bestond één jaar. Ray Cokes, Marcel Vanthilt en Kristina Backer zijn de MTV-vj’s die ik mij het best herinner. En Paul King, de King van ‘Love and Pride’. Ik moet ‘Crash’ van The Primitives dus wel eens zien passeren hebben tussen twee fruitpapjes door, maar het was pas later, bij het zien van de film Dumb and Dumber, dat het nummer als een raket uit mijn herinnering omhoog schoot en mij, terwijl ik ergens in het ijle zweefde, midscheeps raakte. ‘Crash’ duurt 2:32. Dat is lekker strak. Popsongs die korter duren dan drie minuten zijn van alle franjes ontdaan. ‘Crash’ is een ongecompliceerde popsong die zich in je hoofd nestelt en er blijft wonen. ‘Crash’ mag in het grote Pop-leerboek als een schoolvoorbeeld van hoe een perfecte popsong hoort te zijn.

De Japanse band Plasticzooms featuring Alina Rin (wie? volgens het internet een Russische ‘YouTube Star’) voegden in hun cover uit 2014 weinig toe, maakten het nummer alleen wat eigentijdser en een tikkeltje sneller en nog wat strakker. Dit is een fantastisch eerbetoon aan het origineel.

En 30 jaar later vind je jezelf terug – je hebt je stijlvolle zwart-witte kleren afgelegd en ziet er in die iets te krap zittende glitterjurk uit als een jonge Britse bomma, klaar voor een bezoek aan de pub om enkele pints of lager door je keelgat te sluizen – in een Londense club vol jolige, licht aangeschoten, overjaarse new wavers met een wijkende haarlijn en een buikje, die zo luid meebrullen dat je jezelf niet meer hoort.

Bondscoach Hoorne roept Eden Hazard niet langer op voor de nationale ploeg

Slaakt u ook een zucht telkens u de naam hoort van de Rode Duivel met de forse derrière Eden Hazard? Ik heb het opgezocht: tussen 1 december 2020 en 7 januari 2021 zijn op de website van Het Laatste Nieuws 52 berichten verschenen waarin de naam van de hamburger op noppen wordt genoemd. Die zullen ook wel allemaal in de papieren krant hebben gestaan. En wis en zeker werden haast al die ‘nieuwtjes’ ook gebracht in de nieuwsuitzendingen van VTM, de televisiezender gelieerd aan Het Laatste Nieuws.

‘Eden Hazard traint weer’, ‘Hazard scoort geweldig doelpunt op training’, ‘Hazard wordt 30 jaar’, ‘Eden Hazard heeft deze ochtend zijn voorhuid te hard geschrobd en die is beginnen bloeden’, ‘Eden Hazard in quarantaine’, ‘Eden Hazard uit quarantaine’, ‘De nieuwjaarswensen van Eden Hazard’, ‘De voorhuid van Hazard is bijna genezen’, ‘Zidane ziet Hazard groeien’, ‘Zidane: “Hazard zal minuten krijgen tegen Elche”‘, ‘Roberto Martinez: “Het wordt een bijzonder jaar voor Eden Hazard”‘, ‘Clubdokter Real: “Voorhuid Hazard eindelijk geheeld.”‘ et cetera et cetera. Ad infinitum.

Eden Hazard is iemand van wie ik zou kunnen houden. Hij heeft weinig kapsones, schermt zijn privéleven af voor de buitenwereld en is een pleintjesvoetballer gebleven, voor wie het schijnbaar geen verschil maakt of hij op het veld van Bernabeu staat of op een akker ergens in de buurt van Tubize. Vreemd genoeg is het net dat laatste dat mij ergert. Die hamburger destijds in Brussel, dat was niet oké, maar ja, het was Hazard, in die tijd nog een puber en de chouchou in wording van de Belgische voetbalfans. Velen vonden dat hamburgerincident cool. Ik niet. Het getuigde van weinig respect tegenover het team. Je mag jezelf niet langer als een pleintjesvoetballer zien, hoe charmant die gedachte ook lijkt, als je bij een topclub speelt en de kleuren van je land verdedigt.

Toen Hazard na zijn transfer van Chelsea naar Real Madrid werd voorgesteld aan het Spaanse publiek, jongleerde hij wat met een bal. Het was Jan Mulder die terecht opmerkte dat het een gemiste kans was na te laten de Spaanse fans toe te spreken in hun eigen taal. Twee eenvoudige zinnetjes, vooraf van buiten geleerd, een paar keer Hola zeggen en nog enkele woordjes erbovenop en hij had de Madrileense harten in zijn zak. Maar iets instuderen is totaal on-Hazard, daar houdt hij zich niet mee bezig. Hazard is Mister Laid Back. Zijn tronie staat permanent in de No Stress-modus. Hazard is een knulletje dat wil meespelen in de grotemensenwereld, maar smeekt om toch alsjeblieft dat knulletje te mogen blijven. Ik zou dit tof moeten vinden, maar ik kan het niet. Winnen of verliezen, het maakt Hazard weinig uit, voetballen wil hij, voor een bussel prei of voor een wereldbeker, maakt niks uit. Hazard speelt voetbal in zijn luchtbel. Een vrijbuiter, ook dat zou mij sympathiek moeten zijn, maar ik kan die sympathie niet opbrengen, nogmaals sorry. Eden Hazard is zo’n jongen die op zijn rapport de vermelding ‘Kan beter!’ kreeg. ‘Als Eden zijn best doet, kan hij de bal ver schoppen’, zoiets. Eden Hazard zal nooit de status bereiken van generatiegenoten Messi laat staan Cristiano, zelfs niet van een Lewandowski, een Kane of een Thomas Müller. Maar dat zal hem braadworst wezen.

Eden Hazard vertraagt het spel. Als hij de bal krijgt toegespeeld, zegt een stemmetje in zijn hoofd: “Je bent een pleintjesvoetballer, n’oubliez pas, mec, en wel een hele goeie, toon wat je kan.” Iedereen die ooit op een pleintje heeft geshot, weet dat de beste spelertjes het liefst van al de bal de hele tijd aan de eigen voet willen houden. Ze nemen de bal aan van de keeper en dribbelen het hele veld over, wanen zich een eenmansploeg. Geen ploegmaat die protesteert, want zo’n gastjes zijn op die leeftijd ook vaak echt een eenmansploeg. Maar als je door voortdurende selectie uiteindelijk terechtkomt tussen kerels die ook steengoed kunnen ballen, dan wordt het een ander verhaal. Als Hazard de bal krijgt toegespeeld, dan staat hij even stil en maakt vervolgens een actie. Soms lukt die, soms lukt die niet. De bal in één tijd naar een ploegmaat spelen, vindt hij eigenlijk een beetje te min, want hij staat in zijn hoofd nog altijd op een pleintje, waar de omstaanders hem bewonderend aankijken en verwachten dat hij en hij alleen iets fraais doet met dat lederen ding.

Was ik Roberto Martinez, ik riep Eden Hazard niet meer op voor de nationale ploeg. We hebben De Bruyne, Mertens, Vanaken en nog een aantal kleppers die kunnen bewijzen dat we Hazard, hoe goed hij ook moge zijn, eigenlijk niet nodig hebben om successen te boeken. De Bruyne wordt een betere Rode Duivel als Eden Hazard niet op het veld staat, dus waarom zou je die winst opofferen als je bovendien in de plaats van Hazard een andere speler kunt zetten. Zonder Hazard worden we misschien Europees kampioen, net zoals Frankrijk wereldkampioen is geworden zonder Benzema.

(Naschrift: Deze namiddag (8/1/2021) alweer drie nieuwe berichten over Hazard: ‘Dropt Real-coach Zidane Hazard tegen Osasuna in de basis? “Ik los niets”‘, ‘Hazard in de handen van Zidane en Filomena: Rode Duivel blijft chouchou van Real-coach, maar die moet fair handelen tegenover de rest’ en ‘Hazard en co vast in vliegtuig op besneeuwde startbaan’.)

Ik sta in de boekskes

Mijn gedicht ‘De andere zijde van het zootje’ staat in de bundel het gat in een woord van Poemtata, de literaire tak van de vzw Oemtata uit Ertvelde. Ik hoor wijlen de beroemdste inwoner van Ertvelde al monkelen: ‘Amai zeg!’

In de bundel Stroomstootjes – Een verzameling zeer korte verhalen van 41 auteurs staat dan weer mijn ZKV ‘Vertigo’. Het gedicht maakt ook deel uit van een 8-delige postkaartenset die u hier kunt aanschaffen.

Capitol Hill

Gisteren wilde ik een stukje over onze democratie, dat al een tijdje in de steigers staat, afwerken toen het nieuws en de beelden binnen sijpelden van wat er in de Verenigde Staten aan de gang was. Ik borg mijn woorden op, want wat kan ik, simpele ziel uit de Vlaanders, daaraan toevoegen? Ik kom niet verder dan enkele bedenkingen en vragen die ik hieronder lukraak uitsmeer.

Neem die man zo snel mogelijk zijn macht af, of straks drukt hij nog op de een of andere rode knop.

Wat is erger: één Trump of al die volgelingen? (Retorische vraag.)

Hoe kan het dat die povere hillbillies een rijkaard achterna lopen die ze eigenlijk zouden moeten verafschuwen?

Mensen zijn kwaad, ja, mensen zijn kwaad, dat wisten we al. Overal ter wereld zijn mensen kwaad, op iedereen en niemand, op alles en niets. Wat gaan we daaraan doen?

Alles begint met degelijk onderwijs en een gedegen opvoeding. Ik zie de neerwaartse trend op beide vlakken niet meteen ombuigen, integendeel.

Ik ben 56 jaar oud. Wanneer heb ik voor het eerst in mijn leven gezegd: ‘Het gaat voortaan alleen nog maar bergaf met onze planeet. Ik zal het bij leven niet meer beter weten worden’?

Op de nieuwssites stond onlangs het bericht te lezen dat de een of andere epidemioloog beweert dat we een nieuwe ‘roaring twenties’ tegemoet gaan, een era van bloei, plezier, hedonisme en veel sociaal contact.

Ja, en ik win dit jaar de Ronde van Frankrijk en het polsstokspringen op de Olympische Spelen in Tokio, waarna ik op blote voeten en achteruitlopend de Mount Everest zal beklimmen.

Misschien bedoelde die koekenbakker dat iemand op zijn muil slaan ook een vorm van sociaal contact is?

Wie fatsoenlijk en rechtschapen is, wordt hoe langer hoe meer aanzien als een paria die niet goed bij zijn hoofd is.

In welke wereld zullen de kinderen die vandaag geboren worden terechtkomen? Ja, Georges van Aert, ik heb het over u.

Waarom denk ik, als ik aan Donald Trump denk, ook aan Lamkel Zé?

Sommigen mensen noemen mij een cynicus. Begrijpen die dan niet dat cynisme een hartenschreeuw is om het tegenovergestelde? Zie ook de heer H. Brusselmans uit G. e.a.

Elk nadeel heeft zijn voordeel. Wat gisteren op Capitol Hill is gebeurd, het ondenkbare, het overdrevene, zal uiteindelijk ook leiden tot een forse reactie ten goede. Hoop ik.

Om Lévi Weemoedt te citeren: ‘Is er nog hoop? Ja, een hoop ellende.’

En toch moeten we blijven hopen.

Kijk eens naar het vogeltje

In onze tuin is het een constant aan- en afvliegen van vogels van allerlei pluimage: kool- en pimpelmeesjes, bosduiven, Turkse tortels, eksters, een groene specht, een bonte specht, een Vlaamse gaai, een roodborstje, enkele vinken, merels… en sinds kort ook enige exotische snuiters die halsbandparkieten blijken te zijn.

Hieronder van boven naar beneden koolmeesjes, een ekster, een Vlaamse gaai en de halsbandparkieten.

Op mijn amateuristisch YouTube-kanaal vind je enkele vogelfilmpjes die dateren van ongeveer een jaar geleden.

De trap naar de hemel (8)

U zult gemerkt hebben dat ik mijn nooit aflatende zoektocht naar de zin van het leven bilnaadloos verbind met frasen waarin wel eens scatologische praat voorkomt. De verstrengeling van hogere en lagere cultuur, de symbiose van kunst met een kleine en kul met een grote -k, da’s nu eenmaal mijn stijl en allicht gaat dit terug op een ervaring die ik had tijdens een misviering opgedragen door mijn mentor Frans, de Eerwaarde Heer Hermanus. Frans, laten we hem voortaan zo noemen, u weet inmiddels wel al dat hij priester is en met zijn achternaam Hermanus heet, spurtte net na de voorbeden onaangekondigd richting sacristie en kwam na een vijftal minuten terug naar zijn plek achter het altaar gestormd met een bruine vlek op de rugzijde van zijn kazuifel, die begon ter hoogte van zijn bekken als een grote ronde vlek en naar zijn schoenen toe uitliep in een alsmaar smaller en bleker wordende streep. Ik had het nog niet meteen door tot ik merkte dat aan een van zijn schoenen toiletpapier kleefde. Gebruikt toiletpapier. Dit speelde zich af nog voor ik na mijn wonderbaarlijke genezing besloot priester te worden en Frans aanzocht mij te leiden naar het licht. Tot die dag dacht ik dat priesters en andere hoogwaardigheidsbekleders, zoals koningen, koninginnen, prinsen, prinsessen en dies meer, niet naar het toilet gingen, dat dit een menselijke onvolmaaktheid was waar alleen het plebs last van had. Want zeg nu zelf, voedsel in je mond stoppen om daar later via de aars terug een deel van te lozen onder de vorm van prut, dat is redelijk ordinair toch? Net zoals slapen, nog zoiets doms. Hoe onoplettend moet de schepper zijn geweest toen hij een product afleverde dat zich één derde van zijn tijd noodgedwongen aan een totale inactiviteit dient te onderwerpen, om de twee overige derden tot enig gedoe in staat te zijn. Dat koningen en consorten sliepen, dat wilde ik nog aannemen, dat had ik wel eens in prentenboeken gezien, maar in niet één prentenboek heb ik ooit een keizer of tsaar of paus op een wc-pot zien zitten. Julius Caesar niet, Cleopatra niet, Napoleon niet en Marco Polo evenmin. Door de bevuilde kazuifel van Frans begon ik aan die theorie te twijfelen, sterker nog, ik wist het nu wel zeker, iedereen kakte. Het was een schok waarbij vergeleken de waarheid omtrent Sinterklaas een lachertje bleek. Onze devote, prachtige koningin Fabiola, met haar glimlach waar zelfs die over het paard getilde trien van een Mona Lisa jaloers op mocht zijn, met opgeschort gewaad keutels afscheidend in het schijthuis, ik kon en wilde het mij niet voorstellen, dergelijke obsceniteiten kon ik niet aan. Haar schoonzus, prinses Paola, die door de wc-deur roept: “Bère, je pète comme une tempête, mais laisser tomber une merde, je ne réussis pas,” god beware me! Caroline van Monaco? Neen! Stop!! Caroline van Monaco toch niet! Onmogelijk! Helaas. Kakt ook.

Terug naar het verhaal over de bijna lottowinst van mijn ouders, om vervolgens in één ruk door te stoten naar het verhaal over Frans en zijn lady in red. De ontknoping van het lottoverhaal zal u misschien ontgoochelen. Ontknopingen doen dat meestal. Op zaterdagavond toont de VRT op Canvas quasi het hele jaar door misdaadseries, type Craith, The Valhalla Murders, ZeroZeroZero, Line Of Duty, Blood of Silent Witness. U weet wel, series met Adrian Dunbar in een hoofdrol, of met het personage Julien Baptiste, met zijn mankepoot, gespeeld door de acteur met die rare naam. Spannend, meeslepend en gelardeerd met veel wonderbaarlijke toevalligheden, die uiteindelijk de puzzelstukjes op hun plaats doen belanden. Tot halfweg de laatste aflevering zit het onderzoek muurvast. Je kijkt op de klok en denkt in jezelf, deze serie eindigt over een kleine tien minuten, hoe en wanneer zal men eindelijk de slechterik bij zijn lurven vatten en de hoofdrolspeler of -speelster uit zijn of haar benarde situatie bevrijden? En dan pats boem trekt de mist op, de redder in nood wordt getroffen door een hemelse ingeving, blauwe zwaailichten komen net op tijd, de bevrijde wordt met een dekentje om de schouders weggeleid, iedereen blij. Oef oef zeg, dat scheelde niet veel, sjonge jonge. Zo liep het ook met onze lottogeschiedenis, maar dan in de omgekeerde richting.

U herinnert zich dat na een redelijk miserabele dag mijn moeder in de zetel zat met haar benen op een poef, en dat mijn vader aan de keukentafel in een boterham met confituur hapte. De tv staat op, dat is standaardprocedure in veel gezinnen en zeker in arbeiderskringen. Vanaf een bepaald uur wordt de tv opgezet en die gaat niet meer uit tot het bedtijd is. De lottotrekking wordt aangekondigd. Mijn moeder, nog onder de indruk van haar verblijf in het ziekenhuis, een beetje suf en gedesoriënteerd, kijkt naar de balletjes. Nog nooit iets gewonnen, wat zou het nu, denkt ze, kortom, ze is er met haar hoofd niet bij. In een van de vorige afleveringen van dit verhaal heb ik verteld dat mijn moeder iedere week dezelfde nummers speelt, die staan in haar geheugen gebeiteld. Met elke bal die uit de trommel komt gaat ze meer rechtop zitten, begint haar hart heftiger te bonzen. Als de vierde bal gevallen is, springt ze op, loopt naar de kast waar de vaas zonder bloemen staat, met tegen die vaas het carbondubbeltje van het spelformulier. Tegen die tijd is de vijfde bal gevallen en kan ze op de zesde, die net door de machine is opgeschept, zien welk getal daar op staat. Dat is het moment waarop ik boven in mijn kamer het gejuich en gelach en gejoel hoor. Het carbonnetje op de kast is echter dat van de week voordien. Dit is het dubbel dat mijn vader vond nadat mijn moeder over de ovendeur struikelde en naar het ziekenhuis was afgevoerd.

Dat is ook het moment waarop ik een bladwijzer in mijn boek leg en besluit om beneden een kijkje te nemen naar de immense vrolijkheid die daar heerst. Nu moet u even bij de les blijven, want vanaf nu gaat alles heel snel. Ik moet zeventien treden naar omlaag, een steile trap met smalle treden, gecapitonneerd bovendien. Een gevaarlijke trap zoals wij die noemden. Er gingen bij ons niet veel vreemden naar de verdieping, maar altijd kregen die dit zinnetje mee: pas op, het is een gevaarlijke trap. Je kon veiliger over de rug van een alligator lopen dan bij ons de trap beklimmen. Ik ben negen jaar en een voorzichtige jongen. Die trap afdalen duurt geen minuut, maar ook geen twee seconden. Ik schat tien seconden. In tien seconden kan veel gebeuren. Vervolgens moet ik nog van de voet van de trap door de gang naar de middenplek, onze schoonste kamer, die zonder deuren of tussenschotten verbonden is met de keuken en het salon. Twee seconden, drie maximum om die afstand in de gang af te leggen. Alles samen ongeveer dertien seconden. In die dertien seconden tussen party time en begrafenisstemming gebeurt het volgende: 1) Mijn moeder merkt dat een oud lottoformulier op de kast staat; 2) Mijn moeder zegt tegen mijn vader: “Awel, waar is de lotto van vandeweek?”; 3) Mijn vader slaat met zijn vlakke hand tegen zijn voorhoofd en zegt “Oeps!” Het zal wel geen ‘oeps’ geweest zijn, mijn vader was geen oeps-zegger, dat woord bestond volgens mij nog niet in het Nederlands, maar een soort kreet die men tegenwoordig als ‘oeps’ zou vertalen.

Of een drama nu klein is of groot, hoeveel tranen er ook vloeien, hoeveel oepsen er ook worden geslaakt, hoe kwistig de verwijten over en weer vliegen, het leven gaat door. Stel dat mijn moeder deze tegenslag niet aankan, in razernij mijn vader doodt met haar grootste keukenmes en vervolgens een dodelijke dosis pillen slikt, dan gaat mijn leven alsnog verder. Dan word ik waarschijnlijk opgevoed door mijn oma of door mijn lievelingstante. Dat zou heel mijn bestaan overhoop gooien. Dan was ik een wees met een totaal ander leven dan het leven dat ik heb geleid. Niets maar dan ook niets zou hetzelfde zijn. Maar er gebeurt na de oeps en de tragiek die erop volgt helemaal niks. Of beter, er gebeurt wel iets. Ik herinner mij dat mijn vader zei dat hij het nieuwe lottoformulier, ingevuld door mijn moeder op dezelfde vermaledijde avond van het ovendeuraccident, naar de krantenwinkel zou brengen. Ik zie het hem nog in de zak van zijn kiel stoppen. Ik loop naar de tuin waar de was hangt te drogen en tast in de zakken van de blauwe kiel die aan de nek een beetje gerafeld is. Die droeg hij die dag. Ik tast in de linker zak, daar zit nog een zakdoek in, ik tast rechts en pulk er een propje samengeklit papier uit, een bolletje papier-maché. De aangekruiste getallen zijn hier en daar nog een heel klein beetje zichtbaar, maar wat geeft het, dit is het desbetreffende oepsje, een niet-gevalideerd lottoformulier. Ik zie mij nog staan met dat bijna geheel opgedroogde vodje in mijn handen. Ik kijk naar ons huis, een bakstenen omhulsel waarbinnen zich bevinden: mijn vader en mijn moeder, de twee belangrijkste mensen in mijn leven, Frans komt pas op drie. Ik overweeg even om het propje te laten verdwijnen, maar besluit het niet te doen. De confrontatie van mijn ouders met het vodje moet plaatsvinden als een soort catharsis. Ik loop naar binnen en leg het hagelwitte bolletje op de keukentafel. Mijn vader is net bezig met ter zijner verdediging de voordelen van niet rijk zijn op te sommen. Het is jammer dat er geen official van het Guiness Book Of Records aanwezig is om per direct een homologatie toe te kennen aan de kortste opsomming aller tijden. Mijn moeder kijkt naar het smerige ding op de tafel dat, zoals we kort nadien vernemen, 181.351.662 miljoen Belgische frank waard kon zijn geweest. Voor de jongeren onder ons, 1 euro is gelijk aan ongeveer 40 Belgische frank.

Achteraf bekeken, wat hadden mijn ouders moeten doen met zoveel geld? Ze gingen niet op reis. Mijn vader werkte graag, te graag. Wij hadden een tv, een stereomeubel, een diepvriezer, die vervloekte wasmachine enzovoort. En ik, ik had geen materiële behoeften en heb die nog altijd niet. Ik vroeg wel ooit eens een elektrische gitaar aan mijn ouders en kreeg die niet. Wat had ik met een elektrische gitaar moeten aanvangen? Mezelf uit mijn slaap houden? Mijn huizengroot gebrek aan talent etaleren? Ik was een poprocker in het diepst van mijn gedachten, moest ik het in realiteit nog eens gaan waarmaken ook? Ongetwijfeld waren haar schoonzussen ineens vriendelijk beginnen doen tegen mijn moeder en wis en zeker was ze erin getuind en had ze hen wat toegestopt om van hun gezaag af te zijn. Mijn vader en moeder hadden allebei veel broers en zussen, en allemaal waren die welstellender. Kleine zelfstandigen die de gouden jaren hebben meegemaakt. Stel je voor dat die bij mijn ouders waren komen schooien, alleen maar omdat zes lukrake balletjes uit een apparaat waren gerold wat het winnen van een niet te overschouwen berg poen betekende. Hoe decadent trouwens, dat hele lottogedoe. Mijn ouders hadden zich het hoofd gebroken over hoe ze dat geld moesten beheren zonder er ooit iets mee te doen. Mijn ouders zijn niet in de wieg gelegd om huizen en appartementen te bezitten, met een Ferrari te rijden of complexe beleggingen te doen. Wij zijn plebs, arbeidersvolk, en net zoals je van een zwarte geen blanke kunt maken, behalve als hij Michael Jackson heet, kun je van een exponent van het plebs nooit een geloofwaardige rijkaard maken. Je haalt ze er zo uit, de plebejers die op de een of andere manier rijk zijn geworden. Ze hebben hoekige koppen, zweetpollen, lijden aan couperose, ze slurpen en burpen, steken in pakken die te groot of te klein zijn, slaan mensen te pas en te onpas amicaal op de schouders, vragen op recepties aan het meisje met het dienblad waarop bubbels en fruitstap staan meteen een pint bier, wat ik zo ongelooflijk immens onbeleefd vind, en dragen heel waarschijnlijk hun onderbroeken langer dan één dag, maar hebben veel geld en merken niet dat de rijkaards bij wie de hoogmoed en de arrogantie er met de paplepel is ingegoten hen achter hun rug uitlachen omdat er op die rug een grote aprilvis is opgespeld met daarop de woorden ‘Ik ben een omhooggevallen plebejer, maar vraag me niet wat dat woord betekent want ik ben nog dommer dan een doos chapelure.’ Wilde ik de zoon van dat slag mensen zijn? Ik dacht het niet.

(wordt vervolgd)

De trap naar de hemel (7)

Dit is een verhaal over mijn zeer prille priesterroeping en mijn hulp aan E.H. Frans Hermanus, onze parochieherder, om een vrouwenkwestie te beslechten. Een man, priester of niet, die beroep doet op een 9-jarige om een amoureus perikel aan te pakken, die moet wel heel wanhopig zijn, maar oordeel niet te snel, we zijn zover nog niet. Wat we wel zijn, is ver afgedwaald van de hoofdzaak, zo ver dat ik gisteren een bericht van een lezer ontving, waarin die mij vraagt hoe het nu zit met die priester en die dame met de rode mantel op de eerste rij van de rechter zijbeuk. Wanneer gaan die twee nu eindelijk van bil, schreef hij. Ho ho ho, rustig aan, kereltje, jij projecteert jouw eigen ziekelijke fantasieën iets te voorbarig op mijn twee protagonisten die ik, omdat ik eerst het verhaal over mijn ouders die de lotto wonnen maar eigenlijk niet wonnen moet afmaken, even aan de zijlijn heb geparkeerd. En bovendien, uitweidingen zijn van alle tijden en van alle kunsten. Door de dingen te rekken komen we uiteindelijk vroeg of laat, maar met een beetje vertraging, toch aan een einde toe. Kent u de zaalshow Rauwe Kloten van Gunter Lamoot, gratis te bekijken op VTM GO? Wel, Lamoot, de grappigste comedian van Vlaanderen, geeft daar een paar staaltjes rekkerij ten beste, waar ik niet aan kan tippen. De scène waarin hij verhaalt hoe Koen Wauters door zijn toenmalige Valerie moet worden aangepord om met haar te gaan waterskiën is hilarisch.

Door te vermelden dat we thuis anno 1974 de lotto wonnen, maar eigenlijk niet, heb ik de clou al verklapt. Laat ik dit verhaal dus maar snel afronden om die ene lezer, die zich de moeite heeft getroost mij een bericht te sturen, ter wille te zijn. Het is zaterdag, laat in de namiddag. Mijn vader heeft mijn moeder opgehaald in het ziekenhuis, maar niet zonder eerst een auto te rammen. Garagekosten, hogere bonus-malus, haha, ik heb dat altijd een geinige term gevonden, bonus-malus, niet te verwarren met de bolus-malus, wat zoveel betekent als slechte kak, diarree dus, of constipatie aka persen met een rode kop tot je gat bijna scheurt. Garagekosten, een hogere bonus-malus, tegenslag, miserie, eigen stomme schuld, kortom, papa niet gelukkig. Mama heeft zitten wachten op mijn vader op haar ziekenhuisbed in het gezelschap van vijf xantippes, wachten tot ze van de stress terug pijn kreeg in haar slechte been, dat na een midweek in de kliniek zodanig was opgekalefaterd dat ze zomaar uit het niets een vrije schop over de muur recht in doel had kunnen draaien als iemand haar daarom had gevraagd. Mama pissig, zit in de zetel met haar benen op een poef tv te kijken. Mijn vader zit aan de keukentafel een boterham met confituur naar binnen te werken en ik trek naar boven, naar mijn kamer, om een Pietje Puk, Bollejan of Arendsoog te verslinden. Of alle drie na mekaar, want ik verslond nogal wat leesvoer in die tijd. Ik kijk door het raam en zie de was aan de wasdraad hangen. Ik heb mij al die tijd dat mijn moeder in het ziekenhuis verbleef uit de naad gewerkt en wat krijg ik als beloning? Een ijzige sfeer in huis waar ik niet tegen kan. Ik ben een hoogsensitieve jongen van negen, maar dat weet ik zelf nog niet. Het woord ‘hoogsensitief’ bestond niet in de jaren zeventig. Je was een mainstream kind of je was een kind dat een beetje met de andere kinderen in die dekselse mainstream trachtte mee te hobbelen omdat het moest, omdat niet mainstream zijn niet werd geduld. Een ijzige sfeer omdat mijn vader met de auto tegen een andere auto reed en niet in staat is te zeggen, ach, het is maar een auto. Omdat mijn moeder een paar uur heeft moeten wachten en niet kan zeggen, ach, mijn ziekenhuisverblijf is een beetje gerekt, maar Gunter Lamoot, een comedian die over enkele decennia op het culturele toneel zal verschijnen, zal dat rekken tot kunstvorm verheffen, om nog te zwijgen van mijn zoon, onze Philip, die qua het rekken van verhalen ook wel enige belegen kaas heeft gegeten, en uiteindelijk is het leven niets anders dan met een bloed pompend hart datgene wat we doen en in het licht van de eeuwigheid volstrekt zinloos is rekken rekken rekken tot we doodvallen. Inderdaad, dat kan mijn moeder niet zeggen. Niet in dit verhaal en ook niet in het echt. Mijn moeder is een simpele arbeidersvrouw, die leeft in de schaduw van de schaduw van de schaduw. Het is een leuk gedachte-experiment me voor te stellen dat mijn moeder een veelvuldig gediplomeerde vrouw zou zijn, die de ene hoogdravende zin na de andere debiteert. Ik zie haar al staan, tijdens het vragenuurtje in de Senaat, waar ze net aan de milieuminister een vraag heeft gesteld over de geformoliseerde verzuring van de tectonische aquaderivaten in de beddingen van de Grote en de Kleine Nete en de Amblève. De minister staat met zijn mond vol tanden, krijgt een motie van wantrouwen aan zijn broek, wordt ontslagen en gaat aan de slag als vakkenvuller in de Colruyt, waar hij zich in de koelafdeling verstopt telkens mijn moeder komt winkelen in haar kekke politica-mantelpakje. Applaus op alle banken voor mijn moeder, fractievoorzitster van haar partij en korte tijd later, na optredens in Villa Politica, De Zevende Dag, Ter Zake, De Afspraak, Zinzen & Van Cauwelaert, Nieuwsuur op de Nederlandste televisie, De Ideale Wereld en De Slimste Mens Ter Wereld, dat ze wint, gestegen van elf naar twee op de lijst met de populairste politici van het land. Twee, niet één, we moeten nu ook weer niet overdrijven met dat onnozel gedachte-experiment.

Ineens hoor ik van beneden aanzwellend gejuich, kreten van ongeloof, alsof ze daar beneden de Europacup I hebben gewonnen na een sluw met het ooit slechte been van mijn moeder gestift balletje over de doelman, die ter aarde liggend angstig omkijkt en ziet hoe het balletje het doelnet likt, waarna hij met één vuist op het gras slaat, alsof dat gras er iets kan aan doen dat hij onvoldoende op de hoogte is van de inhoud van de trukendoos van mijn moeder. Er heerst in de woonkamer onder mij een vrolijkheid die ik nooit eerder kende, waarvan ik niet vermoedde dat die in ons huis kon bestaan. Het is bijna beangstigend, alsof mijn vader en vooral mijn moeder eensklaps aan totale waanzin ten prooi zijn gevallen. Ik die niet dol ben op uitgelatenheid besluit verder te lezen in mijn Pietje Puk, Bollejan of Arendsoog, maar het rumoer is zo heftig dat ik mij niet kan concentreren. Uiteindelijk klap ik mijn boek dicht na er eerst een bladwijzer tussen te leggen en daal voorzichtig de trap af om uit te vissen waarom er voor het eerst in mijn prille jeugd, en ook voor het laatst in mijn gehele jeugd, een feestelijke stemming heerst ten huize Hoorne.

Ik ben te laat voor het feest. Als ik de woonkamer betreed, de middenplek zoals wij die noemen, de ruimte tussen keuken en salon, zie ik rechts in de keuken mijn moeder, zittend aan de keukentafel. Haar hoofd rust op haar armen en die armen rusten op hun beurt op de keukentafel. Rusten is niet het goede woord. Mijn moeder blèrt, jankt, huilt en jeremieert zo hevig dat ik mij in haar plaats geneer voor dit staaltje van wat ik, mocht ik het woord op die leeftijd al kennen, overacting zou noemen. Als ik mijn hoofd naar links draai, zie ik mijn vader. Hij loopt te ijsberen tussen het tv-meubel, het stereomeubel en de driezitsbank, een afstand van nauwelijks twee meter die hij in een halve minuut een keer of vijftig aflegt. Hij kijkt me vluchtig aan, zijn ogen zijn hol en om zijn mond hangt een akelige trek, die ik niet eerder zag, alsof hij voor één keer degene is die zich het liefst van al onzichtbaar zou willen maken. Ik ben een kleine jongen van negen en een half jaar oud die nog veel moet leren, maar toch al slim genoeg is om te weten: hier in het midden van ons huis ligt een grote onzichtbare knikker en er hangt stront aan.

(wordt vervolgd)

Welkom In Mijn Wereld —> oktober 2021

De tentoonstelling ‘Welkom In Mijn Wereld’ in cultuurcafé K-Trolle te Roeselare, die werd verplaatst van april naar december/januari, wordt om de gekende reden nogmaals verplaatst.

In samenspraak met Jurgen, de sympathieke patron van K-Trolle, is de keuze gevallen op de maand oktober, die vijf weekends telt.

Onderstaande flyer mag de pedaalemmer in. Er is nog tijd voor een nieuwe.

Koenraad Goudeseune overleden

Op De Nieuwe Contrabas had ik enige tijd geleden de door hemzelf gedane aankondiging van euthanasie gelezen. Daar dacht ik daarnet aan terug. Ik heb geen Faecesbook, zit niet in het Twittercafé, heb geen Instegrèm en lees alleen de aanhef van met plusjes afgeschermde dag- en weekbladartikels. Het nieuws stroomt hier dus niet zomaar naar binnen, ik moet een beetje moeite doen. Lang voor ik het las op De Nieuwe Contrabas zei Jan Bib me al dat het niet goed met hem ging. De auteursfoto op die dikke zwarte dichtbundel van hem, die ik op dat moment in mijn handen hield, verraadde dat ook.

Ik vind een artikel terug van Frank Hellemans, ooit een Knack-collega van mij, een man waarvan ik niet met zekerheid weet of hij nu wel of niet familie (ex-schoonbroer?) is van Koenraad, wat in bevestigend geval zou verklaren waarom Hellemans zich literair gesproken als de suikeroom van Goudeseune gedroeg. Ik zou het artikel kunnen lezen en het antwoord daar misschien vinden, maar ik heb geen zin om een artikel van fucking Frank Hellemans of wie dan ook te lezen over de dood van Koenraad Goudeseune. Ik weet het nu wel, wat er met Koenraad gebeurd is. Dat weten is voldoende en het raakt me meer dan ik wil dat het me zou raken.

Wat kan ik vertellen over Koenraad Goudeseune? Dat ik hem een van de beste dichters van ons taalgebied vind, daarover heb bericht in Knack en op dit weblog, en zijn poëzie aanprees in mijn Poëzieatelier en elders. Dat ik minder vertrouwd ben met zijn proza, sorry Koen, maar daar is het niet te laat voor. Dat hij lang geleden opeens een reden vond om boos op me te zijn, heerlijk, want die sluimerende boosheid jegens heel dat verrekte o-wat-zijn-wij-toch-interessant-dichters- en schrijverswereldje herken ik in mezelf. Deel uitmaken van een club waar je van houdt, ja, maar ook een beetje de pest aan hebt, omdat je eigenlijk van nature niet zo’n clubmannetje bent. Getroebleerd, een woord waarvan ik de schrijfwijze getroubleerd verkies, is de term die bij uitstek bij hem paste. En dat mocht best. We hebben elkaar na die boosheid, toch al ettelijke jaren geleden, niet meer gezien, maar was dat wel het geval geweest, dan hadden we meteen samen een pint gedronken. Literaire boosheid dus, altijd fijn, niet ‘echte leven’-boosheid, nooit fijn.

Koenraad Goudeseune had een groot schrijftalent en wilde om dat talent erkend worden, dat is geheel en al normaal. Het ene miskend talent gaat in een hoekje zitten huilen, het andere gooit zijn talent in de vuilnisemmer en nog een ander lijdt aan latente malcontentheid die een uitweg zoekt. Die laatste is Goudeseune. Ik focus nu veel te veel op dat ene aspect, ik kende hem ook helemaal niet goed genoeg om hem te doorgronden, maar ik ben er wel van overtuigd dat hij doordeweeks gewoon een erg aardige, lieve vent was. En wat dat miskend zijn betreft, als ik zijn oeuvre er even bij neem en daar zijn status – miskend of niet, hij heeft zijn fans – naast leg, dan is Koenraad Goudeseune toch wel een man die een fraai plekje verdient in het grote literatuurboek.

De trap naar de hemel (6)

Op zaterdag wordt mijn moeder uit het ziekenhuis ontslagen. Mijn vader begeeft zich iets voor elf uur op weg naar de grote stad Kortrijk om haar op te halen. Dat ‘begeeft zich op weg’ klinkt als een hele trip, wat het objectief gezien niet is, maar subjectief wel. Ik leg dat even voor u uit. De afstand van bij ons thuis tot het centrum van Kortrijk, waar het ziekenhuis pal middenin gelegen is, bedraagt ongeveer acht kilometer. Dat is te weinig om het ‘een hele trip’ te noemen. In Australië rijdt men 500 kilometer om de buurman te bezoeken. En als zo’n Aussie na 350 kilometer merkt dat zijn portefeuille nog thuis in de buidel van de huiskangoeroe steekt, dan maakt hij rechtsomkeert om die op te halen en rijdt dan alsnog naar zijn buurman. En als blijkt dat buurman niet thuis is, dan stopt hij een briefje in de brievenbus met de mededeling ‘Hi mate, ik kwam even gedag zeggen, maar je bent er niet. Ik kom vanavond wel terug. Groetjes, Jack.’ Wij echter leefden in een kleine wereld. Leve de kleine wereld. Makkelijk, overzichtelijk en altijd dichtbij. Indien iedereen een kleine wereld zou verkiezen, dan zaten we nu niet met een pandemie opgescheept. En ook niet met een klimaatcrisis, niet met een mobiliteitsvraagstuk en niet met een migratieprobleem. Dan hadden we ons kunnen bezig houden met problemen van kleinere aard als daar zijn, de vacht van de kat pluist, de postbode is laat vandaag of ik heb een ingegroeide teennagel.

Ik had ooit een makker en die heette Youri. Niemand heette vroeger Youri, behalve Youri. Youri had zich als doel gesteld om in zijn leven honderd landen te bezoeken. Dat kon hij zich veroorloven, want Youri was de zoon van De Matrassenkeizer, een ondernemer die stinkend rijk werd met de verkoop van matrassen. De moeder van Youri noemde men trouwens De Matras, wat niks te maken had met het feit dat ze gehuwd was met De Matrassenkeizer, maar wel omdat ze in haar jonge jaren zowat elke week een ander vriendje had. Ze werd dus al De Matras genoemd voor ze Ralph, zo heette De Matrassenkeizer, leerde kennen. Bizar toeval, vind je niet? Had ze niet de helft van haar jonge leven op haar rug gelegen, maar last gehad van enige frigiditeit, had men haar dan De Frigo genoemd en was ze dan later in het bootje gestapt met een kerel die handel dreef in groot en klein elektro? Het zijn vragen die ieder normaal mens zich hoort te stellen. Is alles toeval of net voorbestemd, dat is de vraag van honderd miljoen? Je kijkt naar Het Journaal en leest ondertussen een boek, de nieuwslezer zegt ‘de regering…’ en terwijl hij dat zegt, op krek hetzelfde moment, lees je in het boek de woorden ‘de regering’. Je droomt dat je ’s morgens wakker wordt en effectief, de volgende morgen word je wakker. De meesters van het heelal, hoe je ze ook wil noemen, God, Het, Jef Verslycke & Zonen of Marsipulami’s, af en toe geven ze een teken dat ze er wel degelijk zijn, dat ze van in de coulissen toekijken naar het theater hier op aarde en aan de touwtjes trekken om bij te sturen, ten goede, ten kwade of zomaar voor de lol.

Youri, de zoon van Ralph, De Matrassenkeizer en De Matras wilde in zijn leven honderd landen bezoeken. Krijgt hij op 32-jarige leeftijd toch wel kanker zeker. Hij zat aan elf, België niet meegerekend, want daar woonde hij, een land waar je woont kan je niet bezoeken. Die elf waren: Nederland, Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk, Italië, Spanje, Portugal, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Ierland en Tuvalu. O, die was kwaad toen hij de diagnose kreeg! “Waarom Tuvalu,” vroeg ik. “Je zou nondedju beter vragen,” zei hij, “waarom Nederland, Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk, Italië, Spanje, Portugal, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Ierland? O, kon ik die maar inwisselen voor Mauritius, Bahrein, Swaziland, Canada, Soedan, Costa Rica, Honduras, Bangladesh, Litouwen en het Groothertogdom Luxemburg!” Tja, daar was het nu te laat voor met die levensverwachting van twee à drie weken. “Waarom eigenlijk het Groothertogdom Luxemburg,” vroeg ik, “misschien kan dat tripje net wel nog.” Hij werd niet vrolijk van mijn voorstel want dat land kwam op de laatste plaats. “Als ik niet naar Mauritius, Bahrein, Swaziland, Canada, Soedan, Costa Rica, Honduras, Bangladesh en Litouwen kan reizen, dan wil ik ook niet naar het Groothertogdom Luxemburg.” “Ben je dan nooit door het Groothertogdom gereden op weg naar het zuiden,” probeerde ik nog. “Door een land rijden zonder uit te stappen telt niet mee,” foeterde hij, “dan zou ik Andorra ook moeten meetellen.” Zijn frustratie over heel dit gedoe kortte zijn levensverwachting met de helft in. Hij reageerde daar redelijk schamper op. “Of ik nu één week thuis moet zitten met kanker of twee, wat maakt het uit,” huilde hij. Ik trachtte hem wat op te beuren door in de plaatselijke bibliotheek enige reisgidsen en andere boekwerken te ontlenen over Mauritius, Bahrein, Swaziland, Canada, Soedan, Costa Rica, Honduras, Bangladesh, Litouwen en, welaan dan, ook het Groothertogdom Luxemburg, maar hij wilde die niet eens inzien. Youri is bitter aan zijn einde gekomen en voor wat eigenlijk? Omdat hij in Canada geen bruine beer heeft gespot, omdat hij in Soedan het regeringsleger niet tegen de rebellen heeft zien vechten, omdat hij in Honduras… weet ik veel wat er in Honduras te beleven valt. Had Youri nu eens zijn laatste weken doorgebracht al mijmerend over zijn reis naar en verblijf op Tuvalu, want geef toe, Tuvalu, da’s niet min toch? Je kunt er mits enigszins geoefende beenspieren van de ene atol naar de andere hoppen en terug. Hoeveel landgenoten zijn ooit op Tuvalu geweest? Daar kun je geen voetbalstadion mee vullen, ook niet een stadion in vierde provinciale. Tuvalu zien en sterven, ik had het op een grote pancarte willen schrijven en die in het gezichtsveld van Youri ophangen. Maar wis en zeker had hij dan gefulmineerd dat ik dat plakkaat van de muur moest halen, de ondankbare vlerk. Of Nederland, nog zo’n kek land, met zijn bruine geschrankte plavuisjes in de dorpskernen, zijn vriendelijke obers, altijd in voor een praatje, een kwinkslag en de onvermijdelijke vraag ‘Wenst u iets te drinken?’, zijn boekenruilkastjes, soms gewoon in de vorm van een bananendoos, en Hans Theeuwen natuurlijk, de leukste comedian van de Benelux na Gunter Lamoot en Richard Marzèle, deze laatste bekend omwille van zijn op dvd vastgelegde zaalshows ‘Rire jusqu’à ce que tu chies ton pantalon avec Richard Marzèle, Volume 1’ en ‘Rire jusqu’à ce que tu chies ton pantalon avec Richard Marzèle, Volume 2’.

Mijn vader rijdt de ziekenhuisparking op en ziet geen vrije parkeerplaats. Hij verlaat de parking en bij het uitrijden ramt hij een andere wagen in de flank. De politie wordt erbij geroepen, wat in de jaren zeventig standaard gebeurde bij elk verkeersongeval. Het duurt een poos voor de politie eraan komt, dat duurde in de jaren zeventig ongeveer even lang als nu, op dat vlak is de mensheid niet geëvolueerd. Mijn moeder wacht ondertussen, gezeten op haar ziekenhuisbed, met in haar ene hand haar tas met kleren en toiletartikelen en in de andere haar handtas. Het ergert haar dat de vijf kamergenotes onbeschaamd laten merken dat ze haar het liefst van al zo snel mogelijk kwijt zijn, en het ergert haar nog meer dat mijn vader veel te laat op de afspraak is. Kortom, de dag begint onder een slecht gesternte. Ik zit thuis en zie op de klok hoe de uren verstrijken. Ik wacht en wacht en wacht. Ik ben een kleine jongen die zich grote zorgen maakt en de zorgen worden groter naarmate de tijd verstrijkt. Wachten en de stress die daarmee gepaard ging, waar is de tijd toch gebleven? Sinds het ontstaan van de mobiele telefonie hoeven mensen nooit meer te wachten op iemand. Jongeren weten niet wat dat betekent: wachten. Ooit hadden we nonkel Gaston en tante Flora uitgenodigd om op een zaterdagavond bij ons te komen eten. Ze werden verwacht omstreeks 18 uur. Pas op zondagavond tegen middernacht wisten we dat nonkel Gaston ergens ter hoogte van Rumbeke in een gracht was gereden. Zaten wij daar mooi een dag, een nacht en nog een dag met een servet rond onze nek. Zondagavond, net voor Sportweekend begon, trok mijn vader zijn servet uit de boord van zijn hemd, legde die op tafel neer, stond op en zei: “ik denk dat die niet komen”. Een rake voorspelling. Mijn vader heeft altijd een klare kijk gehad op de dingen. Tegenwoordig wordt er niet meer gewacht, maar rondgebeld dat het een lieve lust is. Ik zat eens in de trein van Gent naar Kortrijk en schuin tegenover mij zat een man, een dertiger, met een aktetas, type lagere bankbediende die in zijn vrije tijd met een koersfiets rijdt, denkend dat hij Wout van Aert is en in stilte commentaar geeft bij zijn eigen rit, maar in dat commentaar de naam van Wout van Aert vervangt door zijn eigen naam. Een demarrage op rechts, beste kijkers, ze gaan eraan beginnen! Het is Peter Vanackere die met de guidon vanonder met een geweldige krachtinspanning zijn medevluchters achter zich laat. Peter Vanackere, wie had dat gedacht, José? En dan zegt een ingebeelde José De Cauwer: ik had hem in het fluogeel op mijn lijstje aangestipt, Michel, fluogeel, dat zijn de schaduwfavorieten. Ja, zegt Michel Wuyts dan, die Peter Vanackere is een rare patriot, daar hebben we het laatste nog niet van gezien… Wanneer de trein halt houdt in het station van Waregem neemt hij zijn gsm en klikt een voorgeprogrammeerd nummer aan. Ik hoor hem zeggen: “Schatje, ik ben in Waregem, je mag de soep in de microgolfoven steken.” Tussen Waregem en Harelbeke valt de trein plotseling stil. Hij neemt zijn gsm: “Schatje, er is een probleem op het spoor, je mag de soep nog efkens terug uit de microgolfoven nemen.” Nog geen minuut later komt de trein terug in beweging. “Schatje, we rijden weer, je mag de soep terug in de microgolfoven zetten.” Als de trein in het eindstation Kortrijk halt houdt, leg ik mijn hand op zijn schouder. “Mijn naam is El Grande Filipo, landelijk actief waarzegger in bijberoep,” zeg ik, “en ik voorspel bij deze,” – zijn ogen worden zo groot als pingpongballen – “ik voorspel, mijn beste man, luister naar El Grande Filipo die voorspelt dat gij vanavond…. SOEP zult eten.” “Laat mij gerust, onnozelaar,” zegt hij, en hij duwt mij achterover zodat ik mijn evenwicht verlies en terug op de bank neerplof, en haast zich uit het treinstel. Ik word overvallen door een soort van razernij jegens deze hufter en alle andere hufters ter wereld, loop hem achterna en zeg: “Neen manneke, gij gaat vanavond geen soep eten, uw schatje zal straks als je thuiskomt die bol met soep over uw kop gieten, of die kop met soep over uw bol, kies zelf, omdat gij haar godverdomme elke dag lastigvalt met uw dwaas gezeik van ik ben in Waregem hier en ik ben in Harelbeke daar en de trein rijdt en de trein staat stil en de soep moet in de micro en de patatjes moeten in de macro en de groentjes moeten in de mocro, en gij, gij gaat nooit van uw leven een koers winnen, schaduwfavoriet van het elvendertigste knoopsgat, loser, ja, loser van de KBC, de ING, de BNP of weet ik veel wat voor kutbanken er nog allemaal bestaan.” Zonder zich om te draaien, stapt hij verder en steekt zijn middelvinger naar me op. Best wel een coole reactie voor een lagere bankbediende. En eigenlijk heeft hij gelijk, ik heb me verschrikkelijk aangesteld. Mensen op de trein wensen niet aangesproken worden, zeker niet op het moment dat ze willen uitstappen, en onderweg ook niet, dan zitten ze de hele tijd naar zo’n plat, rechthoekige, glazen ding te kijken met oortjes in hun oren, waar anders. Ik probeer me de man voor te stellen, druipnat en vies van de over zijn hoofd uitgekapte kervelsoep. Dat lukt me niet zo goed. Ik probeer het met tomatensoep. Ja, veel beter. Met ballekes!

Halverwege de namiddag komen mijn ouders eindelijk thuis. Mijn moeder is slechtgezind en mijn vader is slechtgezind en ik doe wat ik altijd doe als een van mijn ouders of allebei slechtgezind is, me onzichtbaar proberen te maken, net zoals David McCallum. Was dat al op tv in 1974? Neen, in 1975 pas.

(wordt vervolgd)

De trap naar de hemel (5)

Pantomime ten huize Hoorne. Mijn moeder moet een nacht in het ziekenhuis blijven. Mijn vader en ik ruimen de keuken op. Hij vindt een doorslagje van een lottoformulier en zet het tegen de glazen vaas waar het hoort. Mannen hebben de neiging om alles wat in huis een plaats heeft op zijn plaats te laten staan. Ingrijpen in het interieur doen we meestal niet ongestraft. Staat er een mand met propere was aan de voet van de trap, dan stappen we daar overheen en vragen ons grinnikend of geërgerd af wat die wasmand daar staat te doen. Is dat nu een plek voor een wasmand, onderaan de trap? Niet ingrijpen is in deze situatie geheel en al fout. Die mand staat daar omdat ze naar boven moet natuurlijk, zegt moeder de vrouw, zie je dat dan niet? Oké, les geleerd. De week nadien staat er terug zo’n mand met wasgoed, in het midden van de living dit keer. Haha, een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde wasmand. Een onbewaakte wasmand pal in het midden van de living, nogal wiedes wat daarmee dient te gebeuren, of staat er ‘idioot’ op mijn voorhoofd geschreven misschien? Mand opgetild en ermee naar boven, punten scoren bij moeder de vrouw. Gatverdamme, klinkt het van beneden, waar is die wasmand naartoe? Dat wasgoed moest hier blijven, moet nog gestreken worden. Zo dus, luister goed naar deze gouden raad van ome Phil: blijf overal af. En mijn vader, in de vroege zomer van 1974 een door scha en schande wijs geworden vent van net 40 jaren oud, kende die regel ook. Hij vindt een lottoformulier met carbonkruisjes en zet dat op de buffetkast tegen de vaas zonder bloemen, want daar hoort dat ding te staan, daar staat het altijd.

’s Anderendaags laat ik bij het ontbijt per ongeluk mijn mes op de grond vallen en zie ik onder een keukenkast een hoekje papier uitsteken. Ik trek aan het papier, het is het nieuwe lottoformulier dat mijn moeder invulde net voor ze ter aarde stortte. Ik geef het ’s middags aan mijn vader en zeg dat dit ten laatste op donderdag binnen moet in de krantenwinkel. Of spelen we gezien de crisissituatie eens een week niet? Neen, we spelen, zegt hij, mama zou het zo gewild hebben. Moet ik het naar de winkel doen? Neen, studeer jij maar, sust hij, ik breng het formulier wel naar de winkel, ik moet daar straks toch langs. Mijn vader stopt het lottoformulier in de zak van zijn kiel. Voor het jonge grut, een kiel is een stofjas en wat een stofjas is weten jullie ook niet. Ach, de kiel aka de stofjas, geef mij, geachte lezer, even de ruimte voor een nostalgische uitweiding. Heb ik eigenlijk ooit van mijn leven een kiel gedragen? Zou je geloven dat ik dat niet meer weet. Droeg ik tijdens mijn eerste schooljaren een kiel? Of een schort? Of mochten de leerlingen dan al in hun gewone kloffie in de banken zitten. Kijk, hier word ik nu gek van, dat ik dat niet meer weet. Ik noteer: dit aan mijn ouders vragen bij een volgend bezoek. Ik weet nog hoe je een kiel dichtmaakte, je stak dat lint door een opening in de stof die zich links ter hoogte van het middel bevond, want een kiel was gemaakt voor rechtshandigen, en vervolgens trok je dat lint van ongeveer een meter lang en vijf centimeter breed helemaal achter je rug door en maakte het vooraan vast aan een gesp die ook aan de linker kant zat. Je sjorde het kledingstuk als het ware om je lichaam vast. Ik weet hoe het moet, dus moet ik kielen gedragen hebben toch? Mijn vader alleszins heel lang en ook op mijn werk waren er gedurende die eerste jaren oudere collega’s die er een droegen. Een kiel was grijs of blauw en uitsluitend bedoeld voor mannen. Een kiel drukte uit dat je aan het werk was of aan het hobbyen, dat je iets zinvols deed. De maliënkolder 2.0. Zag je op straat een man in een kiel, dan wist je, die is zijn boterham aan het verdienen voor vrouw en kroost. Zag je door de openstaande deur van het café enkele mannen in kiel aan de toog zitten, dan wist je, deze mannen verpozen een wijle bij een drankje, want die hebben vandaag al hard gewerkt en zullen daar, na het haastig door hun keel gieten van dat ene pilsje, vliegensvlug mee verder gaan. Zag je aan die toog tussen de mannen met kiel een kerel zonder kiel, dan vroeg je je af wat die leegganger van een nietsnut daar zat te doen tussen al die hardwerkende wroeters, iconische exponenten van de noeste West-Vlaamse arbeidsethos.

Het bevalt mijn moeder zo goed in het ziekenhuis dat ze het heeft gedaan gekregen te mogen blijven tot zaterdagochtend. Ik bezoek haar op de vrije woensdagnamiddag. Of alles goed is thuis, vraagt ze, op de toon van een geregulariseerde vluchtelinge die vraagt hoe het eraan toe gaat in haar kapot gebombardeerde thuisland Syrië, waar ze nog vage herinneringen aan heeft. Ja, we trekken ons plan, fezel ik deemoedig, maar dat is een klein beetje gelogen om haar niet de indruk te geven dat we haar niet missen. In werkelijkheid gaat het veel beter dan een beetje plantrekkerij. De regel dat een vent in zijn met zuurverdiende centen bijeengespaard armemensenkasteel zoveel mogelijk in de luwte opereert, geldt in alle situaties behalve één: als moeder de vrouw voor enkele dagen uithuizig is. Die in een arbeidersbestaan uiterst zeldzame momenten genereren een soort van onweerstaanbare geldingsdrang, ingegeven door gevoelens van schuld, medelijden, plicht en verantwoordelijkheid om eindelijk eens zonder pottenkijker het huishouden naar onze hand te zetten, tonen dat we het ook kunnen: een beetje met een doekje en een borsteltje en een kommetje en een stoffertje en een potteke en een dweiltje in de weer zijn. Mijn vader schrobde en ik hanteerde de trekker. Mijn vader deed de afwas en ik de afdroog. Mijn vader maakte het ouderlijke bed op, ik het mijne. Voor wat wij samen deden, bestaat een mooie vergelijking: we waren een goed geoliede machine. En dan wordt een mens een tikkeltje overmoedig. Over machines gesproken, ik zie ons nog staan kijken, samen, naar onze wasmachine als was het een uit de kosmos neergedaalde monoliet. Heeft dat ding hier altijd gestaan, vraagt mijn vader. Nooit op gelet. Hoe dan ook, wij, grote vent en kleine vent, konden het toch niet maken om die berg wasgoed te laten liggen tot moeder terugkeerde uit het ziekenhuis. Wat waren wij voor mietjes als we die vuile varkentjes niet even wasten. Een blok plaatijzer met achter een patrijspoort een holte om de vuile was in te stoppen en frontaal enkele knoppen om de trommel in die holte aan het draaien te brengen, hoe moeilijk kon dat zijn? Moeilijker dan gedacht. Mijn vader haalde er de buurvrouw bij, een hoogbejaarde, alleenstaande dame die naast ons woonde en van wie mijn vader de tuin onderhield. Hoogbejaard of niet, ze bleek een wasmachinewonder. Zij legde de werking uit aan mijn vader, die knikte bij alles wat ze zei en het vervolgens herhaalde, waarna zij het ook nog eens herhaalde, en achter hun ruggen nam ik ongevraagd notities en maakte schetsen, voor de zekerheid. De dagen daarna draaiden we wasje na wasje. Kleine wasjes, grote wasjes, doe ze in je wasmasjien. Laat maar lekker draaien, steeds meer in die wasmasjien. Mijn vader sorteerde de was en stopte ze in de trommel, ik haalde ze uit de trommel – als je de knop indrukte om die patrijspoort te openen, dan maakte dat een hele leuke, harde klik, het gebeurde wel eens dat ik dat plexiglazen poortje enkele keren na mekaar opende en dichtsloeg alleen maar om die klik te horen – en mijn vader hing het wasgoed op aan de wasdraad die, zoals dat toen de gewoonte was, werd omhoog gehouden door betonnen T-vormige palen met in elk armpje van de T een gaatje waar de wasdraad door stak.

Dus ja, mama, alles gaat goed, laat jij je nog maar tot zaterdag verwennen hier in het ziekenhuis. Of het lottoformulier werd weggebracht? Hoe wreed zouden we zijn om aan gokspelen te denken terwijl jij hier ligt af te zien, mama, maar ja, papa heeft het naar de krantenwinkel gebracht, het is geregeld, we beredderen ons. Mijn moeder is trots op mij en op mijn vader. En hoe vergaat het jou in het ziekenhuis, mama? Ze kan ’s nachts niet slapen en biept dan naar mijn smaak te vaak, maar dat durf ik haar niet te zeggen, het verplegend personeel op: omdat ze op haar rechter zij wil liggen als ze op haar linker ligt, op haar linker als ze op haar rechter ligt, omdat ze ook af en toe eens op haar rug wil liggen, omdat ze per ongeluk op haar buik is gerold en dat absoluut niet fijn vindt, omdat ze een beetje water wil drinken en niet met haar hand tot bij de fles kan, omdat ze wel tot bij de fles kan maar niet tot bij het glas, omdat de fles leeg is, omdat ze water heeft gemorst op haar deken, omdat haar hoofdkussen te zacht is, omdat twee hoofdkussens op elkaar te hoog is, omdat haar slechte been inwendig klopt, omdat ze zich ongerust maakt als dat been plots niet meer klopt, omdat ze ineens meent te voelen dat haar goede been klopt, omdat ze nog eens wil navragen of de dokter wel degelijk haar slechte been heeft behandeld en niet het goede, omdat ze moet gaan plassen, omdat ze een kwartier daarna nog eens moet plassen wat ze wijt aan blootsvoets over de koude vloer lopen, omdat ze wil weten hoe laat het al is, omdat ze zich wil beklagen over een van haar vijf kamergenotes, die ene die door mijn moeders nachtelijke activiteiten heen slaapt, die te luid snurkt… Nog bezoek gehad? Ja, twee van haar schoonzussen en die hadden een boeketje bloemen voor haar mee, een subtiele vorm van pestgedrag, want iedereen in de familie kent de moeilijke relatie die mijn moeder met bloemen heeft, maar zie, hier in deze witte ziekenhuiskamer steken ze fier hun kleurrijke kopjes in de lucht, de wonderen zijn de wereld nog niet uit. Zie je wel, mama, zeg ik stilletjes in mezelf, dat het niet aan jou ligt. Als ik het ziekenhuis verlaat, strijkt een heerlijk warm briesje door mijn haartjes. Nog drie keer slapen en mijn mama komt terug thuis. En thuis is mijn papa nog nooit zo zorgzaam geweest. Ik ben negen en een half jaar oud en het leven is mooi. Negen en een half jaar oud, dat is nog veel te jong om te weten dat je nooit ofte nimmer straffeloos in stilte mag denken of hardop mag zeggen dat het leven mooi is.

(wordt vervolgd)

De trap naar de hemel (4)

Wat voorafging: na mijn wonderbaarlijke wederopstanding uit de dood in 1974, op 9-jarige leeftijd, besluit ik priester te worden. Mijn leermeester is onze parochieherder E.H. Frans Hermanus. In ruil voor het mentorschap vraagt Frans mij om iets te doen voor hem. Een vrouwenkwestie die ik het best kan omschrijven als de zaak van de vrouw met de rode mantel op de eerste rij van de rechter zijbeuk. In datzelfde jaar sterft mijn kwelduivel, een pestkop uit mijn klas, in een verkeersongeval. Die blijde tijding sterkt mij in mijn geloof. Alvorens verder in te gaan op de vrouwenkwestie die Frans Hermanus slapeloze nachten bezorgde, neem ik u mee naar enkele weken vóór mijn verrijzenis om u te vertellen hoe ik middels een loterijbiljet bijna het rijkste kind van West-Europa werd.

Al mijn ooms en tantes speelden met de lotto (of moet dat zijn op de lotto?) en tijdens familiebijeenkomsten op zondag werd verslag uitgebracht van winst en verlies. De ene foeterde dat hij of zij alweer niets had gewonnen en nu echt, maar dan ook echt deze keer, echter dan echt overwoog om met die stomme afzetterij te stoppen. Een ander had 50 frank gewonnen, de recuperatie van een halve inzet en ongetwijfeld de voorbode van grotere winsten in het verschiet. En heel af en toe had er eens iemand enkele honderden franken gewonnen, wat afgunst opwekte, zeker als dit geluk dezelfde oom of tante meermaals na elkaar te beurt viel zonder dat andere familieleden tussenin ook eens een schotje in de buitenste ring van de schietschijf lukten.

Een ingevuld loterijformulier werd tegen het einde van de week binnengebracht in de krantenwinkel. De speler kreeg een door middel van carbonpapier doorgedrukt dubbel van dat formulier als bewijs van deelname aan het spel. Dat dubbel werd bij ons steevast op de buffetkast geplaatst, schuin tegen een grote glazen vaas waar ik nooit bloemen in heb weten staan, ook al leek die vaas mij daar uitermate voor geschikt. Mijn moeder had het niet zo voor bloemen. Ik besef dat dat zinnetje meer zegt over mijn moeder dan mocht ik een vuistdikke roman over haar schrijven. Bloemen lieten blaadjes los en die vielen op de grond of op het tafelkleed, om nog te zwijgen van stuifmeel dat vieze vlekken maakte. Bloemen moest je water geven en dan nóg verwelkten ze in een mum van tijd. Bloemen, niets dan last mee, vond mijn moeder. Bloemen, wie had die nutteloze dingen uitgevonden. Mijn moeder had het niet voor bloemen en de weerzin was geheel wederzijds. Als mijn moeder al eens van visite een boeketje bloemen kreeg, dan hingen die ’s anderendaags met hun kopje omlaag. Terstond harakiri gepleegd. Of een cyanidepil in hun stengelwater opgelost. Ooit stonden er in een andere vaas, een blauwe met nogal wat ornamenten, enkele roodgele plastic tulpen en zelfs die gingen dood.

Terug naar de lotto. Omdat mijn moeder, want zij was het die speelde – mijn vader geloofde niet in fortuin – elke week dezelfde nummers invulde, kende ze die van buiten. Ze wist zonder het formulier ter hand te nemen of ze wel of niet gewonnen had. Meestal bleef mijn moeder na de lottotrekking onbewogen in haar zetel zitten, want nooit wonnen wij iets, op ongeveer één keer om de drie jaar 50 frank na, de beloning voor drie juiste getallen in hetzelfde spelrooster. Twee dagen na de trekking, op maandag, stonden de winnende getallen in de krant. Dan nam mijn moeder het formulier weg van bij de vaas, checkte nog even of het gezin wel degelijk 100 frank armer was geworden en gooide het vervolgens in de vuilnisemmer terwijl ze de woorden “’t is were niets” uitsprak, meer tegen zichzelf dan tegen mij of mijn vader. Je hoort succesvolle sportmensen, ondernemers of politici wel eens verklaren dat winnen snel went, maar er is iets in het leven wat nog veel sneller went: verliezen. De woorden “’t is were niets” kwamen geheel emotieloos uit mijn moeders mond gerold. In dat zinnetje lag alle troosteloosheid besloten waar dit arbeidersgezin van dertien in een dozijn onder te lijden had. Als mensen van onze slag over hun schouder achteruit blikten, dan zagen ze troosteloosheid, dikke rijen hardnekkige troosteloosheid. Als ze de blik weer naar voren richtten, dan konden ze een flauwe glimlach nauwelijks onderdrukken, want in de verte zagen ze iets wat hen heel vertrouwd leek en daardoor niet geheel onaantrekkelijk, namelijk diezelfde troosteloosheid. Door hoeveel troosteloosheid kon een mens omsingeld worden. De opeenvolgende perioden van troosteloosheid werden stelselmatig van elkaar gescheiden, of moet ik zeggen met elkaar verbonden, door week na week niks nada niente nothing niemendal rien de knots te winnen met de lotto. Na een heel lange periode zonder ook maar enige loterijwinst, hoe klein ook, opperde ik al grappend dat mijn moeder beter elke week een briefje van honderd frank in de fik zou steken. Qua spektakelwaarde zou dat het elke week overtekenen van tien keer zes kruisjes van een vervallen lottoformulier op een nieuw lottoformulier, en dat dan nog eens naar de krantenwinkel slepen ook, wis en zeker naar de kroon steken. Je zag wel eens in films hoe maffioso hun sigaar in brand staken met een dollarbiljet waar ze de vlam in joegen. Maar mijn vader rookte niet en mijn moeder evenmin, en mochten we al de ambitie hebben om bij de maffia te gaan, dan was onze rol bij uitstek die van dommekracht. Luigi, Giulia en hun achterlijke zoon Lorenzo, alle drie te lomp om te helpen donderen, maar met, als je het hen heel goed uitlegt, met woord en gebaar, en er een tekeningske bij maakt, net dat klontertje voldoende grijze massa onder het schedeldak om een briefje van bij de ene peetvader tot bij de andere peetvader twee straten verderop te brengen. En als ze ooit, wat vroeg of laat moet gebeuren, dat briefje onderweg verliezen, dan krijgen ze alle drie, mamma mia nog aan toe, enkele blauwe bonen in hun bast geschoten. Andere en betere. Lamzakken genoeg in de wereld.

En toen gebeurde het. Het moet juni 1974 zijn geweest, want het was proefwerkentijd en er werd getennist op Wimbledon. Mijn moeder brengt de kruisjes van het waardeloze lottoformulier van de voorbije zaterdag over op een nieuw, maagdelijk blank exemplaar. Ze wil het bij haar portemonnee op het keukenaanrecht leggen en struikelt met haar slechte been over de uitgeklapte deur van de oven. Dat slechte been, daar zat ik voor iets tussen. Mijn moeder heeft me in de loop van mijn jonge jaren meermaals medegedeeld, een mededeling waarvan de verwijtende toon mij niet ontging, dat ze, toen ze me leerde fietsen, struikelde en met haar blote benen in een dikke laag modderige kiezelsteentjes kukelde. Het ene been kwam redelijk ongehavend uit het accident, maar het andere zwol helemaal op, aders puilden onderhuids uit, en die zwelling is nooit helemaal weggegaan. Je hoefde maar naar dat been te kijken of het begon haar al pijn te doen. Mijn moeder valt dus, met het net ingevulde lottoformulier in haar hand, over de ovendeur, de keukenvloer kleurt in een mum van tijd rood van al dat bloed dat uit haar been gutst, ze stoot haar hoofd ook nog eens tegen de scherpe draaiknoppen van het fornuis en tot overmaat van ramp knalt onder haar gewicht de ovendeur uit haar geleiders, wat bij mij meteen de vraag oproept of we die schotel hamrolletjes met prei, die aan de andere kant van het aanrecht staat te wachten om in die vermaledijde bakoven geschoven te worden, nu koud zullen moeten naar binnen werken.

Pantomime ten huize Hoorne. Mijn moeder moet een nacht in het ziekenhuis blijven.

(wordt vervolgd)

De trap naar de hemel (3)

Vooraleer tot de kwestie te komen waarvoor E.H. Hermanus, Frans voor de vrienden, en een vriend mocht ik mij inmiddels noemen, mij nodig had, wil ik u nog twee andere gebeurtenissen aan de vooravond van mijn tiende verjaardag onder de aandacht brengen.

Enerzijds een blijde gebeurtenis die uiteindelijk uitdraaide in een ellendige situatie, die spanning veroorzaakte in ons gezin, en spanning, daar had ik het moeilijk mee. Nog altijd heb ik een gloeiende hekel aan spanning tussen mezelf en andere mensen, of spanning tussen andere mensen waarbij ik geen actieve rol speel, maar die toch op mij afstraalt, of spanning die ik zelf genereer in mijn onophoudelijk knetterend brein, da’s nog de ergste spanning van allemaal. Het tweede voorval was een incident, dat vanuit neutraal standpunt intriest leek, maar dat mijn hart met vreugde vervulde, vreugde waarover ik mij, geestelijke in de dop, diende te schamen, maar dat lukte me geenszins, en ik voelde me niet eens schuldig om het uitblijven van die schaamte. Was ik dan toch niet geschikt als dienaar van de Heer onze God? Kon ik wel aan Zijn rechterzijde zitten als mijn ziel bedoezeld werd door de wrede gedachten die in mij omgingen. Zei ik bedoezeld? Bezoedeld natuurlijk. Gadverdamme, kijk nu, een opzoeking leert mij dat bedoezelen eveneens bestaat en hetzelfde betekent als bezoedelen. Ik dacht al, zo’n mooi woord, waarom zou dat niet mogen bestaan? Ik zal zelfs meer zeggen. Kent u het woord reikhalzend? Wel, halsreikend is ook correct. Breekt uw klomp? Wel, de mijne ligt hier aan mijn ene onbeklompte voet aan gruzelementen, so join the club. Ik schreef ooit in een tekst het woord halsreikend en ik schaamde me diep. Dat blijkt helemaal niet nodig te zijn geweest. Maar waar ik me dus niet over schaamde, was over dat droevige incident, dat mij leutig stemde: het schielijke overlijden van Jan V.D. in de late herfst van 1974.

Dat gebrek aan schaamte groeide uit tot een gewetenskwestie die een korte wijle aan mij knaagde. Tot dan bestond mijn grootste zonde erin dat ik in de lokale supermarkt wel eens mijn hand uitstak naar een snoepje, zo’n pastelkleurige dubbelgevouwen, opgezwollen hostie, gelijkend op een UFO, gevuld met zuur poeder, kennen jullie die snoepjes? lekker hé? en het snel in mijn mond stak zonder het te betalen, soms twee of meer snoepjes na elkaar. Ik werd wel eens betrapt. Bij het betalen van mijn winkelwaar zei de caissière dan dat, als ik die snoepjes toch zo graag lustte, centjes moest vragen aan mijn mamaatje om er te kopen. Centjes, zo zei die dat. En mamaatje, dat zei ze ook. Infantiel taalgebruik van volwassenen jegens kinderen is van alle tijden, terwijl je zou denken dat het de kinderen zijn die zich van dat soort taal bedienen. Aaah boele boele boele, aaah kiele kiele kiele, en gij moe centjes vragen hé, centjes, hé, aaah ja é zeg, ons klein boeleke hier moe centjes vragen aan zijn mamaatje om snoepkes te kopen, aaah ja é zeg, da ga zomaar nie é, uw klein polleke in diene bak met snoepkes steken, dat doen we nie é zeg, we moeten wij daar ook voor betalen aan de snoepkesmakers hé, centjes, ga je ’t nie vergeten de volgende keer, centjes vragen aan uw mamaatje. Ja, waarom vroeg ik eigenlijk geen geld aan mijn moeder voor een zakje zure hosties? Vond ik het prettiger om ze te stelen, om er eens een duur woord tegenaan te gooien? Zie je, ik leefde in zonde zonder het te beseffen en de Heer onze God keek op me neer en schudde ongetwijfeld afkeurend zijn wijze hoofd en toen moest dat heerlijke, vreselijke, o zo zalige verkeersongeval waarbij Jan V.D. het loodje legde nog plaatsvinden.

Jan V.D. zat in de lagere school eens een jaar met mij in de klas en dan weer eens in de andere klas. Het liefst van al zag ik hem in de andere klas, dan liet hij mij veelal met rust. Hij was een pestkop die het voortdurend op mij gemunt had. Die rook natuurlijk van kilometers ver mijn zachte, gevoelige, kwetsbare inborst, wat mij tot een geliefkoosd slachtoffer maakte van zijn kinderachtig gedrag zoals het afrukken van mijn muts en die in een haag gooien, tegen mijn boekentas schoppen, mij uitlachen omdat ik niet over de bok kon springen, de punten van mijn kleurpotloden afkraken, mijn knutselwerkjes kapotmaken, mij kopje onder duwen in het zwembad, mijn zakje met knikkers uit mijn handen grissen en leeggieten op de speelplaats, en meer van die ongein. Geen misdrijven waarvoor iemand tot de elektrische stoel wordt veroordeeld, maar toch was ik een gelukkige jongen toen mijn kwelduivel Jan V.D. met het voorwiel van zijn protserige knalrode fiets over een van de eerste winterse ijsplekken weggleed en met zijn brutale pesthoofd onder de banden van de bestelwagen van Drankenhandel Soetaert terechtkwam. Rik V. die de rotzak steevast naar school vergezelde, vertelde later hoe absurd hij de aanblik vond van een intacte romp met daaronder twee intacte beentjes, met dwars op die romp een grote rubberen autoband waar eigenlijk een hoofd hoorde te zitten. Hij meende de toeschouwer te zijn van een zenuwslopende goochelact. Maar dan wel een glorierijk mislukte act. De magiër die het hoofd van de etter Jan V.D. terug op zijn plaats moest zetten, daagde godzijdank niet op.

Dat simpele woordje ‘godzijdank’ sloeg na enige tijd in mij in als een bom en verloste mij in één klap van dat knagend geweten. Ik hoefde me helemaal niet ongemakkelijk te voelen omdat ik een uitbundig rondedansje maakte op de kinderzerk van Jan V.D. De dood van dat joch, dat toch nooit tot een goed en godsvruchtig mens zou opgroeien, was net een teken van de Heer dat Hij aan mijn zijde opereerde. De energie die ik stak in het ontlopen en afhouden van die eikel, had ik nodig om me helemaal aan Hem te wijden. Jan V.D. was voor mijn ontwikkeling richting priesterambt niet meer dan een sta in de weg, die best zo snel mogelijk opgeruimd werd. En eenmaal opgeruimd stond het, zoals het spreekwoord zegt, uitermate netjes. Ik besloot het er maar niet met Frans over te hebben. Die zou beginnen over vergeving en zo, maar vergeving klonk alleen fraai in verhalen van anderen. Als Piet op de speelplaats Bert een aap noemde, dan vond ik dat Piet zich moest verontschuldigen, Bert de verontschuldigingen aanvaarden en dat Bert Piet moest vergeven. Een sorry en vooruit met de geit. Onrecht mij aangedaan echter kon niet zwaar genoeg bestraft worden. Een wraakengel is ook een engel. Georges Soetaert van de gelijknamige drankenhandel bleek die bewuste vriesochtend de door de Heer gezonden wraakengel. Maak fricassee van die rotkop van Jan V.D., luidde de opdracht, ik zorg wel voor een ijsplek en een lekker schuivende versleten fietsband, had de Heer de wraakengel ingefluisterd. Vervolgens had de wraakengel zich in Soetaert vermomd. Het leven zat eenvoudig in elkaar. Nog net geen 10 jaar oud en ik had het al helemaal door. Wie betrouwt op Hem heeft niets te vrezen. Ik waande mij onsterfelijk met de Heer die mij als mijn bodyguard overal vergezelde.

De spanning thuis omwille van het winnen van de lotto, of beter, het moreel winnen van de lotto, vormde niet meer dan een vervelende rimpeling op het gladde ijsoppervlak waarop ik op kousenvoeten naar mijn ultieme doel toe gleed. Make way, make way, performer coming through! Frans Hermanus merkte mijn vrolijkheid op, maar was zelf diep bedroefd omdat de kwestie van de vrouw met de rode mantel op de eerste rij van de rechter zijbeuk een beetje in het slop zat. Maar daarover de volgende keer meer. En dat lottoverhaal natuurlijk. Help mij eraan herinneren dat ik u dat lottoverhaal vertel.

(wordt vervolgd)

De trap naar de hemel (2)

De opdracht die E.H. Hermanus mij wilde laten uitvoeren, leek niet zo moeilijk. Maar daarover later meer. Door de fantastische klik die ik had met Frans, zoals ik hem mocht noemen, zag ik mezelf al in mijn gedroomde rol van parochieherder. Het enige wat ik doen moest was de jaren laten verstrijken, goed studeren en mijn roeping succesvol bezegelen. Ik oefende alvast voor de spiegel in een hagelwitte mouwloze jurk van mijn moeder waaronder ik het witte T-shirt van de turnles op school droeg. Ik hief mijn handen ten hemel, zweeg enkele seconden om het dramatisch effect te verhogen en sprak toen plechtig: ‘Belooft gij, Joël Vervaecke, aan mejuffer Anja Vandemaele, om elke dinsdag de groene vuilniszak buiten te zetten, om de veertien dagen op woensdag de blauwe zak en eenmaal per maand het oud papier en karton?’ Wist ik veel wat die huwelijksgeloften inhielden, op mijn negende had ik nog nooit een huwelijksmis bijgewoond. Maar Joël zei stilletjes in mijn hoofd ‘Ja! En als het moet, dan gooi ik die zakken en dozen nog eigenhandig op de vuilkar ook.’ ‘Belooft gij, Anja Vandemaele, aan de jongeheer Joël Vervaecke, hem elke middag een warme maaltijd voor te zetten, die op hete zomerdagen al eens door een koude schotel mag vervangen worden, maar nooit bloedworst met appelmoes, want Joël heeft in het voorgesprek op deze plechtigheid verklaard dat hij nog liever zijn eigen kak en kots opeet dan die smeerlapperij die gelijkt op de kak en kots van een ander?’ ‘Ja!’ galmde het volmondig onder mijn schedeldak, ‘En als mijne Joël ’s avonds nog goesting heeft in een frikandel, dan zal ik die met plezier in de friteuse smijten en daar in onze tweede friteuse een portie frieten bij bakken.’

Ik bereidde tal van preken voor, me evenwel bewust van mijn versnipperde en zeer onvolledige kennis van het Oude en Nieuwe Testament, maar daar ging het niet om. Het ging om de declamatie, de intonatie, de geloofwaardigheid en overtuigingskracht: ‘Waarde parochianen, Jonas de walvis sloeg Petrus van zijn paard, maar gelukkig kwamen daar enkele barmhartige Samaritanen om de hoek die Jonas hun andere wangen aanboden. Er is te weinig vis, zei Maria Magdalena, en het brood is bijna op. Vreest niet, gij meest bekoorlijke vrouw uit de Oudheid, ex-aequo met Cleopatra welteverstaan, zei de Farizeeër, ik ken een man, zijn naam is Jezus en hij kan een beperkte maaltijd er zodanig laten uitzien dat er op het einde van de smulpartij nog restjes overschieten. Zwanst niet, riep Judas Escargot, of ik zal mijn hanen eens laten kraaien. Sara, ik verneem van de Farizeeër dat Jezus eraan komt, zijn die stenen tafelen nu nog niet gedekt, jengelde Mozes, mijn volk heeft honger, zonder eten geraakt het nooit aan de overkant van de woestijn, en hij sloeg met zijn vuist pal op een uitgebeitelde groef in het tafelblad, keek ernaar en las ‘Gij zult niet doden!’ en hij lachte schamper, en hij zeide, Sara, ik heb daarnet in mijn kameellederen bol gekeken en wat ik zag was rood, het rood van jouw lippen, tevens het rood van het bloed dat de komende millennia onophoudelijk zal vloeien, gij zult niet doden, mijn kloten, en van rood gesproken, daar splitte de Rode Zee open en als het niet waar was, daar kwam Goliath aangestrompeld, hij depte zijn bebloede lip met een doekje en zei, ik heb op mijn muil gekregen van David. En Sara zei, toon een keer hier, en ze deed alsof ze de lip wilde verzorgen, maar in de plaats daarvan gaf ze hem een pets tegen zijn puistige smoel en zei, dat zal je leren om kleine jongetjes te pesten, gij groten duvel…’ Ik voelde aan mijn water dat er inhoudelijk nog een en ander niet honderd procent klopte, de twijfel waar elke beginneling wel eens ten prooi aan valt, maar oefenend voor de spiegel bekwaamde ik mijn stijl en ik bracht bijna elke dag verslag uit bij mijn mentor. Die loofde mijn grenzeloze toewijding en zei dat hij mijn Bijbelkennis gaandeweg wel zou bijspijkeren, maar daar stond zijn hoofd nu niet naar, alles op zijn tijd. Eerst moest die kwestie van de dame met de rode mantel op de eerste rij van de rechter zijbeuk worden uitgeklaard.

(wordt vervolgd)

De trap naar de hemel (1)

Een aantal posts geleden heb ik de draak gestoken met ‘Stairway To Heaven’ van Led Zeppelin. Dat was natuurlijk maar half gemeend, zo slecht is die klassieker nu ook weer niet. Bovendien bestaat hij echt, de trap naar de hemel. Ik heb de trap naar de hemel gezien. Twee keer zelfs. De eerste keer bij mijn bijna-doodervaring op 9-jarige leeftijd en enkele jaren geleden in het echt. Ik zag die trap, keek omhoog en wist dat dit de trap was die ik als kind tot halfweg beklom, tot onze toenmalige huisarts, dokter Vandermeeren, mij naar het hier en nu terughaalde.

Het was een schooldag, een vrijdag. Mijn moeder zegt dat ze een paar keer riep van beneden aan de trap, niet de trap naar de hemel natuurlijk, maar de trap die in ons huis van het gelijkvloers naar de verdieping leidde, en dat ik niet antwoordde. Mij overslapen, dat was niet van mijn gewoonte. Ik ben het type dat liever een uur te vroeg opstaat dan een halve minuut te laat, ook toen al. Schor geroepen liep mijn moeder uiteindelijk naar boven en daar vond ze me. Ik lag op mijn buik, mijn gezicht van het deurgat afgewend. Ze schudde aan me, maar ik werd niet wakker. Ze telefoneerde naar mijn vaders werk en naar de huisarts. Die laatste kwam onmiddellijk en stelde vast dat mijn hart niet klopte. Hij masseerde het, gaf me een injectie, zo werd mij achteraf verteld, en na een tiental minuten kwam ik bij bewustzijn. Ik schrok van de aanwezigheid van dokter Vandermeeren in mijn jongenskamer en zag op de wekker dat ik al lang op school had moeten zijn. Op doktersbevel diende ik mij in het ziekenhuis verder te laten onderzoeken, maar dat is nooit gebeurd. In die tijd werd rond medische akkefietjes die een goede afloop kenden weinig poeha gemaakt en al helemaal niet door mijn ouders. Misschien had ik wel een grap uitgehaald, lachte mijn vader. Die onterechte verdenking, die mij inwendig razend maakte, leek een ideaal excuus om onder die vervelende en tijdrovende ziekenhuisconsultaties uit te komen. Mijn hart klopte weer, zo dus, wat was het probleem eigenlijk?

De tijd dat ik daar levenloos lag, op mijn smalle eenpersoonsbed, zag ik mezelf aan de voet van een trap met stenen treden, die leidde naar een uiterst fel licht. Nieuwsgierigheid dwong me de trap op te gaan, maar halverwege hield ik in omdat het licht veel pijn deed aan mijn ogen. Die pijn haalde het van mijn nieuwsgierigheid en dat heeft mijn leven gered. Ik wist dat, als ik de trap helemaal opliep, zou sterven en daar had ik raar genoeg min of meer vrede mee. In tegenstelling tot wat anderen, die een bijna-doodervaring hebben doorgemaakt beweren, werd ik niet onweerstaanbaar naar het licht, dat intense licht dat begrippen als dood en leven oversteeg, toe gezogen. Nog altijd houd ik niet van hel licht. Ik heb een hekel aan de maand juni met de zon die al volop schijnt om vijf uur ’s ochtends en er om elf uur ’s avonds nog altijd hangt. Er is maar één dag in juni die mij enigszins vrolijk stemt en dat is 22 juni, wanneer de dagen terug korter worden, zoals de volksmond dat omschrijft.

Enkele jaren geleden heb ik die trap naar de hemel teruggezien, in het echt en bij bewustzijn. Iedereen kent het gevoel, je bent op een plaats en je herinnert je dat je er ooit bent geweest. Je ziet wat je al eerder zag, maar je weet dat dat eigenlijk niet kan. Het is een déjà-vu als een fata morgana. Ik zag de trap naar de hemel in een gebouw in een Vlaamse provinciestad, een gebouw waar ik eens en slechts voor even vertoefde. Het maakt niet uit welke stad en welk pand, maar het was wel die trap, zelfde kleur, zelfde vorm, zelfde perspectief en vooral, identiek hetzelfde licht. Ik beleefde die ochtend van die bewuste vrijdag in het voorjaar van 1974 opnieuw. Ik had mijn fototoestel bij, maakte een foto en nam links van de trap, buiten de grenzen van de foto, de lift.

Overigens moet ik hier nog bij vermelden dat ik, toen het destijds tot me doordrong dat mijn leven niet aan 9 jaar zou eindigen, besloot wat terug te doen voor de Heer onze God, die mijn leven had gered middels de kunde van dokter Vandermeeren. Dat besluit was niet zo moeilijk te nemen, want ik wilde maar één ding: priester worden. Op een dag, na de elfurenmis, klopte ik op de deur van de sacristie. Eerwaarde Heer Hermanus deed de deur op een kier en zei ‘ja?’ wat zoveel betekende als dat ik terug het woord mocht nemen. Ik vertelde hem wat mijn plannen waren. Hij keek een tiental seconden over mijn hoofd heen, wat hem geen moeite kostte, want ik was nog een kleine jongen, en zei toen dat ik wel iets voor hem kon betekenen. Ik weet dat er nu enkele vetzakken aan de andere kant van mijn scherm meteen in een walgelijke, pedoseksuele richting denken, maar ik moet hen ontgoochelen. Ik zal zelfs meer zeggen, nooit in mijn leven werd ik als kind benaderd door een volwassen man, wat moeilijk te geloven is als je op twee van de drie fotootjes in mijn banner ziet wat voor een schattige jongen ik was, met blozende wangetjes, een pruillip, gitzwarte ogen, een perfect neusje en altijd dat aandoenlijk vlinderdasje rond mijn nek, waar anders. En mijn piratenhoed, fake ooglapje en vrolijk gekleurd haar niet te vergeten natuurlijk. Neen, E.H. Hermanus was een aimabele, altijd vriendelijke, respectvolle man. En een volbloed hetero, dat zou mij snel duidelijk worden. Hij vroeg of ik hem wilde helpen met enkele parareligieuze zaken. Ja, zo zei hij dat, parareligieuze zaken. Die dacht bij zichzelf, ik gooi er een moeilijk woord tegenaan en heb deze snotter in mijn binnenzak zitten. Maar dan kende hij mijn schoolresultaten niet.

‘Parareligieus, zoals in parafiscaal, paravertebraal en paracetamol,’ vroeg ik, dat laatste woord aan de opsomming toevoegend om hem te testen.

‘Ja,’ zei hij, ‘in die betekenis, behalve dan paracetamol, haha.’

Toen wist ik het, dit was een volwassen man die ventjes van 9 jaar serieus nam, en nemen, nogmaals, niet in de walgelijke, kotsmisselijk makende betekenis van het woord. Toen moest ik hem alleen nog de hamvraag stellen.

‘Help ik, als ik jou help, op die manier ook de Heer onze God, Eerwaarde Heer Hermanus?’ Hij beaamde volmondig. Ik straalde als de verzamelde aura’s van alle heiligen in onze kerk aanwezig en dat waren er nogal wat. Eindelijk zou ik mijn eerste stapjes zetten richting het priesterschap. Ik werd er zowaar lyrisch van. ‘Eerwaarde Heer Hermanus,’ zei ik, ‘ik ben nog te jong om Engelse les te krijgen, maar ik luister veel naar de radio en ik kan niet anders dan stellen, we’re a match made in heaven‘. Meteen zag ik mijn lapsus in. ‘On earth, Eerwaarde, on earth moet dat zijn.’ Eén keer schijndood was voorlopig wel genoeg.

Hij lachte, opende een fles miswijn, trok met zijn tanden een pak hosties open en schudde die uit in een schaal. ‘We moeten dit vieren, kleine jongen,’ zei hij, ‘voor jou heb ik Kidibul.’

‘Kidibul, Kidibul,’ trok ik een vies gezicht, ‘wil je mij vergiftigen, en trouwens, ik ben al 9 hoor, bijna 10. Waarom heb jij Kidibul in je sacristie?’

‘Voor die apen van misdienaars. Als ze eens een mis geen fout maken, krijgen ze een glas Kidibul. Ik heb nog nooit een fles moeten opentrekken.’

Hermanus, is dat eigenlijk jouw voornaam of jouw familienaam?’

‘Mijn familienaam. Mijn voornaam is Frans.’

‘De mijne niet,’ zei ik, ‘was de mijne Frans, dan was het Philippe geweest, met -pe.’

‘Oké, genoeg gebabbeld,’ zei hij, ging op een stoel zitten en wees naar een krukje waarop ik plaats mocht nemen. ‘Had God zoveel gekwebbeld als jij, hij was nooit aan het scheppen van hemel en aarde toegekomen. Luister, ik wil dat je iets voor me doet.’

‘Die parareligieuze dinges?’

‘Ja, die.’

(wordt vervolgd)

Een programma over de jaren negentig

Waarom ik Een programma over de jaren negentig, zo heet het, fantastisch vind? Omdat het idee en de uitwerking ervan origineel is. Omdat Henny Huisman, die wij in Vlaanderen vooral kennen van succesvolle tv-shows van weleer, enig figureert in zijn piepkleine rol van verwaaid nostalgicus. Om de ontwapenend meisjesachtige interviews, neen, geen interviews, gesprekken, van Marijn Frank. Om dat Chinese restaurantconcept, het programma wordt gefilmd in een echt restaurant, Restaurant Palace in Breda. Om het niet-opdringerige educatieve karakter ervan. De afwisseling tussen tafelconversaties en filmpjes. Om de fijne humor. Om de indrukwekkend sobere beeldvoering. Alles klopt aan dit programma, ook al stel ik als Belg vast dat de jaren negentig in Nederland en bij ons op enkele vlakken toch wel van elkaar verschilden. De rust dat Een programma over de jaren negentig uitstraalt, is niet meer van deze tijd. Natuurlijk niet, het is een programma over de jaren negentig, maar je moet het wel doen. Er is geen voice-over. Geen schreeuwerige onder- of bijschriften. Niettegenstaande het maar een half uur per aflevering duurt is er voldoende tijd en ruimte voor af en toe een heerlijk beautyshot. Geen gezwiep en gezwaai met camera’s. Nul procent rush rush. Vier afleveringen zijn al achter de rug, maar terug te vinden op de website, en nog vier afleveringen te gaan. Briljant eenvoudige televisie om van te snoepen, dat we dat in de jaren twintig twintig nog mogen meemaken.

Roer

Roere roere keirepap. Er roert iets in het letteren-en-aanverwante-kunsten-landschap. Voor Roer zal ik periodiek een gedicht bespreken en af en toe eens iets anders daarbovenop, dat zal moeten blijken, want het is allemaal nog redelijk nieuw.

In de eerste editie van de rubriek Uitgelicht bespreek ik een gedicht van Twan Vet, een beloftevolle jonge dichter, tekstschrijver en muzikant.

Allen daarheen. Men zegge het voort. Spread the word. Schreeuw het van de daken. Bazuin het rond. Roere roere keirepap.

Post uit Haarlem

Dit zijn nu echt wel de allerlaatste exemplaren van mijn zevende en voorlopig laatste dichtbundel Het dikke meisje en de ziener. Wie er nog één wil kan die bij mij bestellen via de contactpagina in het menu bovenaan. Wie liever bestelt bij de uitgeverij, kan dat doen bij de uitermate aardige heer Franc Knipscheer, gerenommeerd boekenmaker van In de Knipscheer. Of u loopt met uw mondmasker op even langs bij uw lokale boekhandelaar.

Dan toch niet de laatste als ze nog kunnen besteld worden bij uitgever en boekhandel? Ja, bijna toch wel. Zo gaat dat met boeken, je denkt dat die voor de eeuwigheid zijn en plots is er niet een nog te krijgen. Daarom heb ik snel nog mijn poot gelegd op deze 15 exemplaren.

Foto van de week: Aalscholver bij nacht

Aalscholver bij nacht. Mooi hé? Aalscholver bij nacht, haha, ge kunt de mensen ook alles wijs maken. Fake news zou de grofgebekte ex-president zeggen. Deze aalscholver, te herkennen aan de neerwaartse knik in het puntje van zijn bek, ligt ’s nachts waarschijnlijk in zijn bedje te dromen van een school haringen. Deze foto werd niet ’s avonds of ’s nachts gemaakt, maar op een zomerse oktobermiddag, om 15u.19 om precies te zijn. Hoe krijg je dan dat nachtbeeld van een aalscholver die lekker op een ouderwetse elektriciteitspaal wat zit uit te blazen? Beetje hocus pocus en dat is zo gepiept. Van de dag een nacht maken, daar weten ze bij Studio Kunsthart wel raad mee.

Mathieu van der Poel wint de Ronde van Vlaanderen 2020

Vandaag eindigt het wielerseizoen 2020 op de weg. Het was een bijzonder jaar waarin al onze kalenderzekerheden overhoop werden gegooid. Op 18 oktober won Mathieu van der Poel de Ronde van Vlaanderen in een millimeterspurt met die andere smaakmaker, Wout van Aert.

Deze kunstfoto had u nog te goed, net zoals zoveel andere meesterwerken in alle mogelijke materialen en formaten te koop in de shop van Studio Koers.

Weg in stilte

De vader van een collega overleed. Je ging naar de begrafenis, uit respect voor die collega. Die vader kende je helemaal niet, noch de rest van de familie. Je drong binnen in het privéleven van iemand die je alleen kende van op het werk. Je kreeg een inkijk in een familie die je vreemd was. Een broer van je collega leek sprekend op zijn broer, een zus las een pakkende speech voor, een kleinkind had een tekening gemaakt van en voor opa in de hemel. Soms een barstensvolle kerk want de man was voorzitter van de kaartersclub en penningmeester van het jeugdvoetbal. Andere keren dan weer een redelijk lege, kille kerk. Dan wist je dat je de begrafenis bijwoonde van iemand die geleefd had volgens het vivre heureux, vivre caché-principe. Of malheureux, dat kon ook.

Niet zelden wist zo’n uitvaartplechtigheid mij te beroeren. Ik heb niet veel nodig om mijn traanklieren in werking te zetten. Dat gebeurde meestal bij het afspelen van een lievelingsliedje van de dode. Dan werd ergens in de kerk de startknop van een cassetterecorder ingeklikt, hoorde je eerst wat ruis en gekraak voor de muziek tegen de gewelven schetterde. Vermoedelijk hadden de kinderen in hun vaders kasten gezocht naar dat ene liedje dat zeker tijdens de dienst gespeeld moest worden. Paniek wanneer bleek dat vader nogal slordig was in het ordenen en registreren van zijn muziekcollectie waardoor de oudste zus, die de beste herinneringen had aan hoe haar vader bij dat nummer telkens gelukzalig weg droomde en soms luidkeels meezong, zich een halve dag lang op haar knieën op het tapijt gezeten door een stapel cassettes worstelde. Ontroering wanneer je vooraan dat doodsprentje ging ophalen en voor de familie moest passeren. Ik probeerde altijd het wisselen van blikken te vermijden om mijn emoties onder controle te houden. Hoe diende je trouwens naar de familie te kijken? Bemoedigend glimlachen (het leven gaat verder) of intriest kijken (het leven eindigt hier)? Wat me altijd ergerde was hoe mensen vóór of na de plechtigheid, op het kerkplein of in de kerk, zomaar luchtig met elkaar converseerden en zelfs hardop lachten. Tijdens de koffietafel achteraf ging die luchtigheid dan crescendo. Dat stoorde me mateloos. Er was wel iemand dood hé, oké, een hoogbejaarde weliswaar, maar toch leek mij dat nooit een aanleiding om van de koffietafel een leutige bedoening te maken.

Ik wil niet beweren dat ik het prettig vond, dat bijwonen van die ver-van-mijn-bed-begrafenissen, maar het had wel iets, te mogen beleven hoe iemand uit zijn of haar leven werd gedragen. Ik heb begrafenissen meegemaakt die echt begrafenissen waren, dooie boel, en ik heb ook ooit een begrafenis meegemaakt waar de vele kinderen en kleinkinderen vooraan een soort orkestje hadden gevormd, dat het ene na het andere wijsje speelde, en waarbij de zoon in zijn speech vermeldde dat zijn vader ooit eens in Benidorm een wedstrijd hamburgers eten had gewonnen. Dat ging mij te ver, als dat de ultieme herinnering moet zijn, verzwijg die dan, geef mij dan maar de dooie boel.

In deze coronatijd worden doden stilletjes afgevoerd. Gedaan met offerandegangen die een halfuur duren, waarbij een dwarsdoorsnede van de bevolking via de ene zijbeuk het toneel betreedt en het via de andere weer verlaat. Want als theater, dat is hoe je begrafenisplechtigheden het best benadert indien je de emotie op afstand wil houden. Er sterft iemand op het toneel en dat toneel is toevallig de wereld. Komen deze voorstellingen ooit nog terug? Ik hoop het want een ultiem afscheid mag best iets groots zijn. Ook de bakker, de jeugdvriend, de voorzitter van het Davidsfonds en de caissière van de Aldi moeten de kans krijgen om erbij te zijn. Ik wil in elk geval veel volk op mijn begrafenis. En een open kist. Zodat ik, als de treurnis een dieptepunt bereikt, eruit kan klimmen en schaterlachend als een krankzinnige in mijn beste pak de straat op rennen. Trekken ze een overledene eigenlijk schoenen aan?

Kennen jullie deze nog (7) SIMPLE MINDS

Superbands, ik ben er nooit bijzonder dol op geweest. Ze zijn te super, te groot. Er wordt te lyrisch over ze gedaan. Ik houd niet van buitenproportionele adoratie, ook niet van binnenproportionele adoratie. In onze bloten zijn we allemaal gelijk, heb ik eens iemand tegen mij horen zeggen. De man die het zei was een van de rijkste mensen van Zuid-West-Vlaanderen. Het klonk vreemd uit zijn mond. Ik zocht naar een zweem van spot – zoals iemand met twee benen aan iemand zonder benen vraagt: ‘gaat het?’ – maar vond die niet meteen. In wezen had hij gelijk. Maar ik had het over superbands. Halverwege de jaren tachtig waren Simple Minds en U2 de Wout van Aert en Mathieu van der Poel van de popmuziek.

Er is geen song die mij meer met mijn neus op mijn vervlogen jeugd drukt dan ‘New Gold Dream’ van Simple Minds. Dit nummer, dat dendert als een trein, is pure melancholie. Er zit een aanstekelijk rollende, nerveuze, opzwepende drive in, die wordt aangevuurd door dat getik op een percussie-instrument (een woodblock?) De bezwerende opsomming van die jaartallen. De herhaling van de titel. Ik heb me nooit afgevraagd waar ‘New Gold Dream’ eigenlijk over gaat. Over niets en alles zeker? Ook zonder de hoes van de plaat erbij te zien, voel ik een spirituele kracht van dit lied uitgaan. Terwijl het natuurlijk gewoon een popsong is, ja toch? En zo hoort het ook. Spirituele kracht, mijn kloten!

En toch… ik moet me bedwingen om niet te janken telkens ik dit hoor. Ik ben bang om te sterven. Ik wil niet sterven, nu niet en later niet. Ik wil niet onder de grond of in een urne. O horreur, zoiets doet je toch niet met een mens, ook niet als dat hart, wat ook niet meer is dan een stomme spier, ineens niet meer klopt! Dat denk ik allemaal als ik ‘New Gold Dream’ hoor. Wat aanstellerij is van het zuiverste water. Al die aanstellerige gedachten geraak ik in de loop van het nummer een beetje kwijt, want ‘New Gold Dream’ duurt te lang en boet daardoor wat aan verrukking in.

Handje kan het schudden

Dingen die we vroeger deden, die nu gevaarlijk zijn en die we best kunnen missen, zullen allicht nooit meer terugkeren. Een van die dingen is iemand een hand geven. Ken je het gevoel dat je als laatste op een feestje of een familiebijeenkomst arriveerde en ertegenop zag om je tussen stoelen en tafeltjes te wurmen om iedereen de hand te schudden. Het was een vorm van hoffelijkheid en een ik-ben-er-signaal. Na het handje schudden behoorde je voor enige tijd tot de groep mensen wiens hand je had vastgenomen. Je liep na al dat geschud niet snel naar een lavabo, evenmin veegde je je hand af aan je hemd of je broek, dat ware een belediging geweest. Later kwam daar, in sommige gevallen ter vervanging van een hand geven, de kus op de wang bij, een gebruik dat pas laat in mijn leven zijn intrede maakte. Of dat zal verdwijnen weet ik niet, het is meer iets voor jonge mensen en mogelijkerwijs pikken die het weer op eenmaal het coronagedoe achter de rug is. Maar ik heb er mijn twijfels over. Wie er vroeger al niet dol op was, op dat gekus, maar het deed om niet als een sul of seut aanzien te worden, heeft nu een enorm excuus om het nooit meer te moeten doen. En je zal maar iemand een kus willen geven die zich achteruit trekt, sta je daar mooi voor onhygiënische, onverantwoordelijke, ziekmakende aap.

Maar laten we ons beperken tot het schudden van de hand. Hoeveel moeders hebben niet tegen hun kinderen gezegd: ‘Allez, geef maar iedereen schoon een handje.’ Terwijl die kinderen bij de aanblik van een meute volk liever hard wegrenden of in de grond zakten, en zich dan maar achter moeders rug verstopten. Van achter die rug werd het kind dan weer tevoorschijn getrokken en willen of niet, het handje geven diende te gebeuren, was immers een voorname vorm van beleefdheid. Dat Eskimo’s hun neuzen tegen elkaar wrijven, vonden we bizar en lachwekkend, maar ons handje schudden, dat zat er zo diep ingebakken dat we er op geen enkel moment aan dachten dat het eigenlijk ook een raar gebruik is. Je steekt een ledemaat uit en die ander doet dat ook, de rechter arm met name. Wie linkshandig was moest in deze kwestie ook zijn rechter arm en hand gebruiken. Een linker bovenste ledemaat uitsteken deden alleen mensen die met het rechter in het gips staken of een mitella droegen of geen rechter bovenste ledemaat meer hadden wegens amputatie, of een prothese droegen. Een arm- of handprothese schudden, dat werd niet gedaan. Stel je voor dat je ineens met dat ding in je handen stond. Een hand geven in de letterlijke betekenis van het woord. Zat de sfeer er meteen goed in. Of net niet.

Handje schudden komt nooit meer terug, reken maar van neen. Vanaf wanneer is men dat eigenlijk beginnen doen? Gaf Jezus een handje aan zijn apostelen? Deed Keizer Karel het? Napoleon misschien? Ik zou het nu niet meteen vervangen door een knietje in de balzak, dat ook weer niet, maar het wordt wel leuk als je andere mogelijke vormen van begroeting de revue laat passeren. Het vuistje werd in Vlaanderen geïntroduceerd door Larry Hagman (JR uit Dallas) die ooit in een talkshow op de Vlaamse tv te gast was en de presentator (Mike? Marcel?) het ritueel aanleerde. Zo doen wij dat voortaan in de USA, zei hij. Geen mens die wist of hij een grapje maakte of het meende. Een grapje om het ijs te breken, dachten de meesten. Mis dus. Maar ook een vuistje is niet coronaproof. Een elleboog geven, ook al tot in den treure gedemonstreerd in covid-tijden is belachelijk en omslachtig, het ziet eruit als twee kippen die een rondedansje beginnen. Eerst moeten de begroeters zich met hun zijkant naar elkaar toe keren, de armen plooien en dan de ellebogen tegen elkander mikken. Vooral dat laatste is niet eenvoudig, al helemaal niet als de ene twee meter groot is en de andere William Boeva heet. Het bereik van een geplooide arm is immers beperkt.

Wat zijn de alternatieven? Welke andere lichaamsdelen kunnen we hanteren? Voeten tegen elkaar, dat gaat niet, daar worden de schoenen vuil van. Met de borst tegen elkaar aan springen zoals uitgelaten sportlui doen na een succesje? Neen, dat kan alleen op een zedige manier plaatsvinden tussen mannen en zal al gauw een macho bedoening worden waarbij de ene de ander probeert tegen de grond te werken. Heup tegen heup, da’s een dansmove, de bump – lieve mensen uit de jaren zeventig, demonstreren jullie even de bump voor de kiddoos van tegenwoordig? Misschien moeten we kiezen voor het maken van een lichte buiging met het hoofd zoals oosterlingen doen. Daar komt geen contact bij kijken, het kan door zowel man als vrouw gedaan wordt, is heel beleefd, zelfs een tikkeltje nederig en hoofs. Het zou kunnen dat met het in zwang geraken van een dergelijke voorname groet ook andere chique omgangsvormen terug in ere worden hersteld, laat het ons hopen.

Dit was het voor nu. Ik groet u. Na-nu na-nu.

Corona-mijmeringen, een vervolg op wat voorafging

Dit bericht op de nieuwssite van de VRT. Kort samengevat: mannen die in 1941 de gewelven van een kerk schilderden, hebben heel hoog, waar niemand bij kon tot aan een volgende schilderbeurt, een brief verstopt.

De werkmannen hadden geen goed leven. Ze maakten een tweede oorlog mee, leden honger en werden uitgebuit. Toch is dit geen klaagzang. Alleen al het feit dat vier mannen samen het initiatief namen om deze boodschap voor zij die na hen kwamen achter te laten, getuigt van een optimisme in het leven. De brief eindigt met goedbedoeld en hoopvol advies voor de schilders die over vele decennia hoog op een stelling hun geschrift moeten vinden.

Aandoenlijk is de zin. ‘Als deze zoldering nog eens geschilderd zal worden, zullen wij niet meer tot deze aarde behoren.‘ Er staat niet ‘zullen wij dood zijn’, maar wel iets veel poëtischer. Het is aannemelijk dat deze werklieden hun armzalig leven verdroegen en aanvaardden omwille van hun geloof in een hogere kracht, in God.

Ik heb in de loop van mijn leven het katholicisme in Vlaanderen zien wegkwijnen. Met het katholieke geloof zijn ook de waarden die het uitdroeg wat op de achtergrond geraakt. Toeristen bezoeken kerken over de hele wereld, maar niet meer om er te bidden, maar meer vanuit een soort architecturale nieuwsgierigheid en verwondering. Om op teensletsen en met de zonnebril hoog in het haar ‘o’ en ‘aaa’ en ‘wat mooi’ te zeggen en om thuis verslag uit te brengen van dat pittoreske – dat woord mag nooit ontbreken – kerkje ergens in een of andere Italiaanse glooiing. Ik vind kerken bijzondere gebouwen, maar ook de katholieke liturgie heb ik altijd kunnen smaken. De Kerk heeft haar public-relations echter slecht gevoerd, is niet meegegaan in een aantal emancipatiebewegingen. Niet dat priesters rappers moeten worden met blingbling rond hun nek, maar vrouwen toelaten tot het priesterambt, waarom niet eigenlijk? Ik kijk uit naar de eerste transgender met een roeping. Daar gaan de langrokken in Rome nog een kluif aan hebben.

Die mannen die ons schrijven vanuit het jaar 1941 hadden geen goed leven, beweren zij zelf. Geen goed leven hebben heeft vaak te maken met de inwerking van externe factoren die de kwaliteit van het leven grondig verminderen en waar je zelf geen vat op hebt. De naoorlogse generatie is een goed leven als een vanzelfsprekendheid gaan beschouwen. Wij dachten – en ja, hier moet ik de verleden tijd gebruiken – aan het roer te staan van ons eigen leven. Wij vonden maar één ding vervelend aan het leven en dat was dat het ooit eindigde, maar dat was iets voor later, veel later. Zolang het duurt moet het vooral leuk zijn en blijven. Leuk, het meest vreselijke woord van de moderne tijd. Een pandemie, dat was iets spannends voor in de weekendfilm op zaterdagavond, waarin de held efkens uit zijn lood wordt geslagen door ambetante, moedige, maar bij voorbaat verloren vijanden. Bij voorbaat verloren, inderdaad, want een weekendfilm waarin de held de wereld niet redt, vinden we maar niks, stemt niet overeen met ons wereldbeeld van de onfeilbare mens, die baas is op deze bol.

Ik sluit niet uit dat ik voor de rest van mijn leven op openbare plaatsen een mondmasker zal moeten dragen en dat ik nooit meer met een andere mens schouder aan schouder zal zitten in een café, een feestzaal, een kerk, een theaterzaal of waar dan ook. Niet dat dat laatste mij stoort, maar het eerste wel. Het voelt nu al vreemd aan om beelden te zien van op elkaar gepakte mensen. Het is iets uit een vervlogen tijd. Mensen leren heel traag oude gewoontes af, maar leren heel snel nieuwe gewoontes aan. Net als velen ben ik er in mijn hoofd nog niet klaar voor om te geloven dat we in een nieuwe wereld zijn aanbeland. Ik denk nog altijd dat we die corona onder de knoet krijgen, maar zelfs als dat gebeurt zal onze samenleving daar littekens aan overhouden. Zelfs als we pakweg tegen volgende zomer iedereen gevaccineerd krijgen, dan nog zal de angst voor een volgende pandemie sterk aanwezig blijven. Wetenschappers kondigen ze nu al aan. Ik las een artikel over een dodelijke schimmel die aan een opmars bezig is. En verder zijn er nog de muggen waar die Vlaamse dichter die in Japan woont of woonde of werkte, zijn naam ontsnapt mij nu, bijna vijftien jaar geleden al een dichtbundel aan wijdde.

Goede levensomstandigheden zijn geen recht, of beter, we kunnen geen recht claimen op iets wat we niet in onze macht hebben. Veel hebben we als individu niet onder controle. Dan komt het belang van gemeenschapszin om de hoek kijken. De berichtgeving over corona is alarmerend. Ik zag in het journaal de paniek in de ogen van de mensen uit de zorg. En toch zijn er nog altijd kwasten die denken dat het allemaal nog zo erg niet is. Ik stel voor dat we iedereen die anderen in gevaar brengt voor een weekje of twee drie in de gevangenis of een gesloten instelling gooien, een gedwongen quarantaine. Tijdelijk Chinese omgangsvormen invoeren tegen de hardleersen. De digitale schandpaal. Of een echte schandpaal, rotte eieren en tomaten gooien naar de onverlaten, op afspraak welteverstaan. We hebben altijd lacherig gedaan over die Chinezen met hun big brother-manieren, en niemand wil big brother, jezus help neen vreselijk, maar het zijn precies zij die vrijheid blijheid prediken en leven alsof de zon nooit ondergaat die zo’n maatschappij dichterbij brengen.

Ceci ce n’est pas Philip

Ik heb heel weinig foto’s van in mijn prille kindertijd. Veel is bij mijn ouders verloren gegaan, zomaar, weg. Dat is jammer, maar aan de andere kant, wat weg is is weg. Het rare is dat een aantal van die foto’s die er niet meer zijn haarscherp op mijn netvlies gebrand staan. Ik op de arm van mijn moeder aan de voordeur van het woonhuis van de boerderij, allebei met onze ogen halfdicht tegen de zon in kijkend, zomer en middaguur – in de jeugdherinneringen van een mens is het altijd zomer en middag – of ik in mijn kakstoel aan diezelfde voordeur. Ik kijk nooit naar foto’s van vroeger, maar het is wel leuk om ze te hebben om er nooit naar te hoeven kijken. Die drie foto’s die bovenaan dit weblog staan als een soort banner, zijn in hun onaangetaste vorm voor mij niet prettig om zien. Ik heb ze beklad omdat ik er anders maar uitzie als iemand die ik ooit ben geweest maar er niet meer is, om de afstand tussen mezelf en die jongens te vergroten, om van hen iemand anders te maken, wat ze in wezen ook zijn. Ik worstel al mijn hele leven met het concept tijd. Neen, worstelen is een verkeerd woord. Worstelen, haha, worstelen, zei ik worstelen? Ik zal mij bezighouden met worstelen. Nog liever zal ik in de beenhouwerij een worst stelen dan dat ik zal worstelen. Neen, niet beginnen zeveren, Hoorne, dit is een ernstige aangelegenheid. Ik bedoel, ik ben mij erg bewust van wat tijd is. De tijd die verstreken is, kan toch niet weg zijn, denk ik soms wel eens in al mijn naïveteit. Naïveteit, ik vind dat een mooi woord. Veel mensen zeggen naïviteit in plaats van naïveteit. En weet je wat? Beide zijn correct. Maar ik vind naïveteit beter hoewel ik naïviteit ook prachtig vind. Je moet het eens uitspreken alsof het een Russisch woord zou zijn, najivjetjit. Veel mensen zeggen ook ietsiepietsie in plaats van ietsepietsie. Hier geef ik absoluut de voorkeur aan ietsepietsie. Jijitsepjijitse. Ik meende zelfs dat ietsiepietsie niet correct was, maar dat is het wel. Zou dat een aanpassing kunnen zijn in een recente uitgave van de Van Dale omdat het zó vaak werd gebruikt dat mijnheer Van Dale het voortaan toch goed rekent? Want een taal leeft, dat hoor je wel eens zeggen, dat een taal leeft. Een taal heeft een hart net zoals u en ik en als die verdraaide taal morgen onder een tientonner sukkelt, dan zitten we met een dode taal, kunnen we met zijn allen weer Latijn, Oudgrieks of Eyak gaan spreken. Maar we hadden het over de tijd. Er moet toch iets of iemand zijn die alles, elke seconde van ieder mens, elk wezen dat ooit heeft geleefd, archiveert. Dat komt ervan als je leeft in een era van servers, clouds en databases, dan ga je zo idioot beginnen denken over dingen, denken dat je dingen, zelfs de tijd, kunt vastgrijpen. Gearchiveerd, niet om de hele tijd die laden vol met vergane tijd open te trekken en erin te snuisteren, maar om de mogelijkheid te hebben ze ooit eens open te trekken, wetend dat je dat toch niet zal doen, niet wil doen.

Alles is een en al machteloosheid en verwarring. Waarom wordt een mens geboren en moet hij dan weer sterven. Dat is toch een nuloperatie. Stel, je stapt in je auto, de klok staat op 8:06, je start de motor en rijdt naar het werk. Goed en wel op de baan merk je ineens dat je lunch nog op de keukentafel ligt. Neen, erger, je hebt je mondmasker vergeten. Je rijdt terug naar huis om je mondmasker op te halen. Je stapt in de auto, de klok staat op 8:22. Je bent terug waar je 16 minuten geleden was. Wel, die 16 minuten tussen die twee tijdsaanduidingen, dat is de allegorie van een mensenleven. Op een horloge met wijzers komt dit nog beter tot zijn recht. De kleine wijzer is bijna niet van plaats veranderd, maar die grote stond toen je de eerste keer vertrok nog bijna helemaal bovenaan en de tweede keer is hij een flink end naar beneden getuimeld. Er is, behalve dat die :06 is veranderd in :22 of dat die wijzer is opgeschoven, helemaal niets gebeurd. Alles stond stil, alsof Tika, de dochter van Tita Tovenaar zich ermee had gemoeid. Dit klinkt allemaal als onzin, en waarschijnlijk is het dat ook, maar eenieder die zijn mondmasker of zijn lunch of wat dan ook heeft vergeten en terugkeerde om die op te halen weet perfect wat ik bedoel, hoe vreemd het aanvoelt om zopas door een tijdsblok van je leven te zijn gegaan dat compleet zinloos lijkt. Lijkt, want die 16 minuten, is dat werkelijk verloren tijd of niet? Aan de ene kant wel, ze hadden niet gehoeven. Anderzijds is het dat helemaal niet, veranderen die 16 minuten alles wat er in het leven daarna nog gebeurt. Zeker als je de tweede keer onder een tientonner schuift en je met je eigen ogen in jouw over de straat wegrollend hoofd nog net ziet dat je automobieltje samen met jou koers mag zetten richting eeuwige jachtvelden, sjaanseeliezee zoals de Fransen en de Hollanders dat zo mooi zeggen, de jachtvelden van Tante Sjaan.

Waar wil ik naartoe? Zoals altijd, nergens heen. Ik heb een foto gevonden, kwansuis. Ik bedoel, ik wist dat ik hem had, maar wilde hem niet vinden. Een foto met een scheur in. Dit moet de oudste foto zijn die ik van mezelf heb. Iemand heeft mij op die go-cart gezet alleen maar voor de foto, kan niet anders, want mijn beentjes zijn te kort om aan de pedalen te kunnen. Of iemand heeft mijn stoeltje wat naar achteren geschoven zodat ik na het racen even lekker kon poseren alvorens mijn bolide weer op gang te trappen. Haha, ik racen, ik dacht het niet. In een go-cart kruipen zonder airbag, daar begon deze kleuter niet aan. Het frustrerende van een foto is dat hij ophoudt bij de rand van het beeld. Ik zou die auto helemaal willen zien, die witte auto achteraan. Ik weet nog ongeveer hoe die omgeving er medio de jaren zestig uitzag, maar die auto herinner ik mij niet. Mocht ik u naar de plek brengen waar die foto is genomen en u zeggen ‘hier was het’, u zou mij niet geloven, totaal onherkenbaar. Wat je ziet op het beeld is het kleine grasperkje dat zat ingeklemd tussen het huis van mijn grootmoeder en dat van mijn tante, twee afzonderlijke woningen die in een L-vorm tegen elkaar aan waren gebouwd en met elkaar verbonden. Ik zou het willen zien zoals het was, toen in die tijd, met mijn ogen van nu. En dan? Het zien, oké, stel dat ik het kan zien, en dan? Duizend foto’s nemen om in een lade te stoppen, net zoals ik heb gedaan met het leeggemaakte huis van mijn ouders, het huis waar ik opgroeide, toen ze al verhuisd waren, maar de sleutels nog aan de nieuwe eigenaar moesten overhandigen? Foto’s om te hebben maar hopelijk nooit naar te moeten kijken? Ik kan moeilijk geloven dat ik dat ben, op die go-cart. Hoe onscherp de foto ook is, ik herken in die ogen de ogen van mijn grootmoeder, van mijn tante, van mijn moeder, maar niet van mezelf. Als ik nu eens zou weigeren om te geloven dat ik dat ben, dan is dit gewoon een verkleurde foto van een uk die denkt dat hij een witte ridder of The Stig is. Wel schattig, dat wit, en was ik blond, is dat werkelijk blond? Verfde ik mijn haar in die tijd, ben ik ooit dat soort kerel geweest? Draag ik daar eigenlijk wel een broek? Of was ik toen al dat soort kerel? Grapje hoor. Enfin, voor het gemak en voor mijn zielsrust weiger ik te geloven dat ik dat ben. Die jongen bestaat niet. Straffe gast die het tegendeel kan bewijzen.

Kennen jullie deze nog? (6) AC/DC

Toen ik dit concert van AC/DC in Argentinië op tv zag, kon ik mijn ogen niet van dat publiek afhouden. Ik dacht toen niet, zoals ik nu denk, stel dat daar een superverspreider tussen staat, wat een catastrofe zou dat wel niet zijn. Ik zag dit in de tijd dat corona alleen nog maar een eendagsvliegmuziekgroepje van lang geleden en een ineens uit het nieuws verdwenen autoverzekering waren.

De reden dat ik nooit een grote hardrock- en heavy metalfan ben geweest, is dat die muziek door de aanhangers als een religie werd aanbeden. Het sloot de liefde voor andere genres uit. Je kon geen mouwloze jeansvestje dragen met Eddie van Iron Maiden op je rug en tezelfdertijd een liedje van Abba, Michael Jackson of Liliane Saint-Pierre leuk vinden. Als hardrocker moest je ook veel bier drinken, een kettinkje aan jouw broekzak hebben hangen, lang ongewassen haar hebben en een hardrocklief vinden. Dat laatste behelsde een serieuze beperking van het aanbod, er waren immers meer hardrockmannetjes dan hardrockvrouwtjes. Bovendien dronken die hardrockgrietjes te veel bier, hadden ze zo’n onnozel kettinkje aan hun skinny jeans hangen en meenden ze dat Schwarzkopf, Pantène, Head and Shoulders en Timotei namen van metalbands waren. (En bij nader inzien nog niet eens zo’n slechte namen.)

Ik was bovendien veel te soft om hardrocker te zijn. Je had softe hardrockers die dachten dat ze stoer waren, maar dat imago liet zich makkelijk doorprikken. Die droegen dan bijvoorbeeld een bril, hetzelfde modelletje als de nerds droegen, want de hardrockscène mocht dan wel een uitgebreid vestimentair gamma hebben ontwikkeld, een typische hardrockbril bestond niet, omdat een bril dragen als hardrocker niet hoorde. Headbangen met een bril op je neus was de snelste manier om de dorpsoptieker rijk te maken. Hoe dan ook, die gasten die de hardrocker wilden uithangen en slechte ogen hadden, konden niks anders dan zo’n ding op hun neus zetten wilden ze niet tijdens het headbangen ongelukken veroorzaken, en werden door hun maten precies zo aanzien als hoe dat ding op de neus eruitzag: als een dubbele nul.

Hardrockbands scoorden ook altijd hun grootste hits met trage nummers, ballads zoals die werden genoemd. Wie kent niet ‘Winds Of Change’ van de Scorpions of ‘Keep On Loving You’ van REO Speedwagon? De fans van die bands zeiden dan gegeneerd: ‘ja maar, ja maar, het is een traag nummer, oké, maar die gasten kunnen echt wel keihard rocken ook hoor!’ Het meest vervelende, trage, halfslachtige hardrocknummer aller tijden – en nu trap ik tegen nogal wat scheentjes, maar het is lang geleden dat ik dat nog heb gedaan, dus het mag wel weer eens – is ‘Stairway To Heaven’ van Led Zeppelin, een hoop gezemel waar zelfs de priester-leraars in het college dol op waren, kun je nagaan.

Een streepje AC/DC dus. Wat ik zei, let op dat publiek. Loco, muy loco.

Lance

Stel dat ik een man vermoord. Of een vrouw. Of een transgender, want in deze tijden moet je opletten dat je geen seksen uitsluit, of je wordt overladen met alle zonden van Israël. Stel dus dat ik een mens vermoord, een hij, een zij of een het. Neen, stel dat ik er meerdere vermoord, van elk een stuk of twee: twee hij’s, twee zij’s en twee hets. Ik wandel een café binnen of een fitnesscenter of een broodjeszaak en ik maak met mijn kalasjnikov zes willekeurige slachtoffers. Waarom ik dat doe is niet belangrijk, ik doe het, ik word opgepakt door de politie, word berecht en vlieg voor vele jaren achter de tralies, mijn verdiende loon. Een karig loon. Ik verdien eigenlijk de doodstraf, maar die wordt in ons land niet meer voltrokken.

In mijn cel schrijf ik een boek. Het wordt een bestseller. Wereldwijd worden er honderdvijftig (150!) miljoen van verkocht, neen, maak daar tweehonderdvijftig (250!) miljoen van. Terwijl ik in mijn cel zit te schrijven woedt er een wereldwijde pandemie, honderd keer erger dan Covid-19 en de Spaanse griep samen. Omdat ik sowieso sober leef, toch nooit van mijn royalty’s zal kunnen genieten en vooral omdat ik het zo wil, schenk ik al dat geld aan een wetenschappelijke organisatie die een vaccin ontwikkeld en met dat vaccin de halve wereldbevolking redt. Ik heb het leven verwoest van zes mensen en hun families, en ik heb er zes miljard gered. Mag ik dat op een weegschaal leggen en mezelf een dikke duim geven?

Die situatieschets of een in die trant komt in mij op bij het kijken naar de in afleveringen gehakte documentaire over het leven van Lance Armstrong, u allen bekend, die momenteel op VIER wordt vertoond. (Of werd vertoond, ik moet nog uitgesteld kijken naar aflevering 4 en mogelijk is dat de laatste.) Hij heeft de wielerwereld belazerd op een ongelooflijk brutale en arrogante manier. Medestanders die zich van hem afkeerden heeft hij kapotgemaakt. Ik heb zo verkeerd gehandeld, zegt hij een paar keer in de docu wanneer de interviewster hem met feiten uit het verleden confronteert. Maar aan zijn ogen – hij heeft echt van die hele gemene rattenoogjes gekregen – zie je dat hij het zo weer zou doen. Hij geniet ervan om sorry te zeggen voor daden waarover hij niet de minste spijt voelt. Lance Armstrong is niet het type dat graag fouten toegeeft en spijt is voor hem wat de koe schijt. Wat hem sterkt in heel die cinema, is dat hij ook de Lance Armstrong is van Live Strong, een door hem opgerichte foundation die massaal veel geld heeft ingezameld voor de strijd tegen kanker. Lance maakt de balans op en ziet zichzelf als God de vader, een atletische weldoener die zeven keer de Ronde van Frankrijk heeft gewonnen.

Waarom is Armstrong geworden wie hij is geworden? In de eerste aflevering kwamen nare dingen uit zijn jeugd aan bod. Ik ben ervan overtuigd dat zaken die zich vroeg in een mensenleven afspelen – naast een flinke valies met aangeboren eigenschappen – een grote impact kunnen hebben op het vervolg ervan. Maar vooral, hij kreeg kanker, een uitgezaaide teelbalkanker, nog voor hij de mondiaal bekende wielrenner werd. De diagnose liet hem geen schijn van kans. Deze Texaanse stier met zijn groot ego zou voortijdig onder de zoden worden gestopt. Ik kan me voorstellen dat de dode, als hij uiteindelijk toch overleeft en bovendien een aardig stukje kan fietsen, na zijn genezing zoiets heeft van ‘Hey, I am the chosen one! Fuck you all, bitches!‘. Ik belazer de kluit, ik mag dat, want ik ben uitverkoren en kan mij alles permitteren. Dankzij zijn prestaties op de fiets en het succes van Live Strong wist deze charismatische wegbereider van de wielersport in de Verenigde Staten de bobo’s van het UCI, het hoogste wielerorgaan, aan zijn kant te krijgen. Zijn preek vanaf het hoogste schavotje op de Champs-Elysées na het winnen van een van zijn Tours, waarbij hij iedereen die hem van dopinggebruik verdacht de levieten las, was zo verschrikkelijk arrogant en goed geacteerd dat hij er een Oscar voor verdiende. Alsnog kwam de val, werden zijn zeges hem ontnomen en kreeg hij allerlei boze en verontwaardigde instanties over hem heen, niet omdat ze de man zijn dopingsuccessen niet gunden, maar omdat hij zo dom was zich te laten pakken en daardoor hun eigen imagootje had geschaad. Voor Armstrong en zijn fans bleef het icoon Lance Armstrong evenwel een groot kampioen, die het slachtoffer was geworden van enkele ijverige journalisten en ambetante regelneven die hem van zijn sokkel wilden tillen.

Er bestaat een film over het leven van Lance Armstrong, The Program. De film heeft lage scores op de movie-sites. Dat is niet verwonderlijk. Niemand kan Lance zo goed spelen als Lance zelf in de documentaires die over hem zijn gemaakt. Lance Armstrong is een boef die zijn rol zo goed vertolkt dat sommigen erg van hem houden. Krachtvoer voor psychiaters. Hij heeft carrières van renners en ander wielervolk geknakt, er hun families bij gesleurd, in ware maffia-stijl. Live Strong maakt dat niet ongedaan, al zal menig genezen kankerpatiënt het niet met mij eens zijn, wat ik misschien ook niet zou doen mocht ik een genezen kankerpatiënt zijn. Onze visie op moraliteit is gekleurd door wat we zelf meemaken. Doch denken dat je fout gedrag kan uitwissen door daar goed gedrag tegenover te stellen is een rekensommetje en een onethische gedachte. Lance Armstrong is een slecht mens, een narcist, een pathologische leugenaar, een bad guy in een bloedstollende film, gebaseerd op waar gebeurde feiten, en dat gegeven verschaft een film altijd een tikkeltje extra cachet. Heerlijke televisie.