Kennen jullie deze nog? (2)

Staat hoog genoteerd in mijn nog op te stellen lijstje met de honderd beste popnummers die ooit zijn gemaakt.

Wat vermoedelijk schering en inslag wordt in deze jonge rubriek ‘Kennen jullie deze nog?’: theatrale videoclips met een clip in een clip, een streepje amateurtoneel, duistere, mysterieus bedoelde beeldvoering die de tekst van het lied in meer of mindere mate moet ondersteunen, sprookjesachtige decors, tegenlicht, kaarsen, scherven, rozen, steekpartijen, indringende blikken, glitterjurken, gordijnjurken, pofbroeken, meterslange zijden sjaals, tonnen brillantine, nog meer tonnen mascara, tuxedo’s, ventilatoren, gobo’s, harpen en violen…

Whatever, het gaat om de muziek.

Kennen jullie deze nog? (1)

Soms voel ik medelijden met de kids van vandaag met hun Dance Monkey en hun Like Mike met die Belgische Griek wiens naam me nu ontsnapt. Al die prachtige popmuziek die in de late tweede helft van de vorige eeuw over mij en mijn tijdgenoten werd uitgestort, hebben zij gemist. Vandaag start ik met een nieuwe rubriek die ‘Kennen jullie deze nog?’ heet. Het zal de kids worst wezen, ze zullen hun Dance Monkey en Like Mike met die Belgische Griek wiens naam mij nog altijd ontsnapt niet verloochenen omdat een bijna bejaarde pee hen iets anders onder de neus duwt. Maar misschien voer ik mijn generatiegenoten wel mee terug in de tijd en worden die daar een beetje nostalgisch week van. Dan is het toch niet voor niks geweest.

Woorden zijn overal

Woorden zijn overal. Van op de plek waar ik me nu bevind, mijn rommelige bureau waarop zich naast het noodzakelijke ook nogal wat dingen bevinden die er eigenlijk niet horen, zie ik als ik mijn hoofd naar links en naar rechts zwenk volgende woorden. Een greep:

  • Afvalsticker
  • Optive
  • Adhesiva dolble cara
  • 76 mm x 127 mm
  • Royal
  • Merci
  • VWS
  • schrijvers
  • Collector
  • battery charger
  • Storck
  • Humer
  • Jeroen
  • Polis
  • switch
  • concept
  • Spector
  • Deroo
  • We zijn 24/24 open
  • Steven Mahieu
  • Gelukkig zijn moet je durven
  • Kunstroute
  • Charlotte & Thomas
  • Otis
  • De Muur
  • Screen cleaner
  • In vertaling: José Zuleta Ortiz & Ruth Stone
  • 20,5 v.v.
  • 124ste jaargang
  • Contrex

En voor de grap (hahaha, wij komen niet meer bij) ook een reeks woorden die ik op dit moment NIET in mijn blikveld heb:

  • Minute Maid
  • Horta
  • Jonathan Franzen
  • taverne
  • ausradiert
  • Merry Christmas
  • otorhinolaryngologie
  • hamertenen
  • zijstraat
  • kaartlezer
  • Zink
  • boetseren
  • vos
  • Gunter Lamoot
  • promenade
  • poezebeest
  • weblog
  • Rita Boelaert
  • Brydenbach
  • krantenwinkel
  • haring
  • Royal Dutch Shell
  • leukemie
  • bladwijzer
  • Ename
  • login
  • generator
  • ISO
  • Sue Saad & The Next
  • Teddy

Foto van de week: Molen te Damme

Een foto van een molen, are you serious? Hebben jullie die Schellemolen van Damme gefotografeerd met klompen aan en een rood-wit geblokt sjaaltje om de nek? Wat is het volgende? Een melkmeisje, een herder met zijn schaapjes of een zigeunerkind met rollende traan over haar wang? Ho ho, rustig maar, kijk naar de foto. Is er ooit een oude, klassieke, witte molen moderner in beeld gebracht? Dit is een van mijn persoonlijke favorieten – alweer – in de schatkamer van Studio Kunsthart. Welke stijl is dit precies? Impressionisme, expressionisme, pointillisme? Het is alles ineen. Kijk naar die kleuren, kijk naar die gelaagde reflectie van de molen in het water. En dit is dan nog maar een computerschermbeeld. Deze foto aan de muur in mijn woonkamer en ik kom het huis niet meer uit. Dan ga ik molentje kijken. Nooit geraak ik uitgekeken.

Over economie, geluk en HLN

Ik mag graag eens op HLN door de reacties van lezers onderaan de artikels scrollen. De HLN-lezersreacties zijn berucht. Voor de Nederlandse vrienden: Het Laatste Nieuws (HLN) is een van de grootste Vlaamse kranten: veel foto’s, veel sport, weinig diepgravende inhoud en dus populair bij het volkje alhier. De HLN-lezersreacties zijn berucht omdat ze regelrecht uit de onderbuik van de samenleving komen: schreeuwerige meningen, ongenuanceerd, vol spel- en taalfouten. De rubriek wordt wel door de krantenredactie gemodereerd, wie het te gortig maakt komt er niet in.

Soms lees je iets fraais, een serene, doordachte visie. Zo las ik het volgende onder een artikel waarin een professor-econoom zijn zegje had mogen doen: “Door de lock-down zijn mensen beginnen beseffen dat ze met véééél minder consumptie kunnen leven. Dààr zit het probleem. In een kapitalistische economie moet er steeds groei zijn, dus we moeten in de tredmolen van steeds meer en meer consumeren blijven lopen. En liefst zo min mogelijk duurzame artikelen kopen. Daar zit het probleem, nietwaar meneer de econoom?”

Het denigrerende ‘nietwaar meneer de econoom’ en de opdringerige herhaling van waar het probleem zit, herinnert er ons aan dat we ons nog altijd op het HLN-forum bevinden, maar voor de rest steekt er waarheid in wat deze man of vrouw schrijft. De commercie, de reclame heeft ons decennialang aangespoord om te consumeren. Onzinnige zaken à la Black Friday kwamen uit de States overgewaaid. Het geld moest rollen ter wille van de economie. Maar waarom zouden we elk voorjaar en elk najaar al onze kleren op straat gooien en vervangen door iets nieuws wat als modieus wordt aangeprezen? Waarom moeten we de oude, nog perfect werkende smartphone vervangen door het nieuwste modelletje? Waarom moeten we überhaupt een smartphone hebben als je met een gsm’etje van 25 euro ook kunt bellen en sms’sen? Waarom moeten we om de zoveel jaar ons huis helemaal herinrichten? En niet te vergeten, waarom zien alle auto’s er tegenwoordig uit als woeste bizons?

De visie van deze briefschrijver, we kunnen het met minder stellen, is juist. Of de mensen het beseffen is een ander paar mouwen. Een deel van het publiek zal, eenmaal als deze crisis achter de rug is – zal ze ooit helemaal achter de rug zijn? – hervallen in de oude consumptiegewoonten. Het is vreemd eigenlijk. Als middelbare scholier gaven wij, de slimme jongens van het college, al af op de consumptiemaatschappij. We vonden die vreselijk. Hoeveel van mijn klasgenoten van toen zouden er zelf niet meedraaien in die consumptiemaatschappij die ze toen verfoeiden. Misschien vonden ze het toen vreselijk omdat ze te weinig zakgeld hadden en niet konden deelnemen eraan. Veel mensen weten maar al te goed, als ze eens stil zijn en eerlijk en diep in zichzelf kijken, dat bezittingen, spullen en prullaria hen niet gelukkig maken, dat het een surrogaat is, maar misschien hebben die dan toch liever een surrogaat dan helemaal niks, zijn ze zo economisch geconditioneerd dat ze er geen flauw benul van hebben dat geluk een ander gezicht kan hebben.

Corona en de economie

Ik sla jullie hier wel eens om de oren met een mening, wat volstrekt nutteloos, belachelijk en aanmatigend is, want hey, meningen are as assholes, everybody has one. Ik weet niet meer uit welke film die quote komt en of ik ze correct citeer.

We leven in een wereld waarin de economie alles bepaalt. Je kan daar blij of treurig om zijn. De twee belangrijkste topics die vandaag het wereldnieuws beheersen zijn onlosmakelijk met de economie verbonden: het coronavirus en de Amerikaanse presidentsverkiezingen.

Laten we beginnen met het coronavirus. De overheden hebben aanvankelijk geprobeerd om het virus klein te krijgen door het land lam te leggen. Toen in juni de economische schade al te groot bleek te worden en in de nakende zomerperiode het toerisme en de horeca dreigden dood te bloeden, heeft men de voorzichtige aanpak losgelaten. Het gevolg is dat het virus terug opflakkert en de kans is reëel dat het harder zal toeslaan dan in maart en april. Doordat het een sluw en slim virus is dat bij sommigen – vooral mensen met onderliggende aandoeningen – tot de dood leidt en bij anderen slechts oppervlakkige of geen symptomen teweegbrengt, vrees ik dat men uiteindelijk het virus vrij spel zal geven. De virologen worden hoe langer hoe meer voorgesteld als bange lastpakken. Er komt een tegenbeweging op gang, gesteund door wetenschappers van een ander slag dan de virologen, die gebukt onder coronamoeheid beweert dat het allemaal zo erg niet is. Ach, die personen die voorheen al kampten met aandoeningen aan hart of longen, die gaan toch sowieso geen honderd jaar oud worden, waarom zouden we een heel land, een heel continent, een hele aardbol beletten te leven zoals ze leefden en opnieuw willen leven, alleen maar om te voorzien in een verlengde levensduur van een aantal zwakke vogeltjes? Ik keur deze visie niet goed, maar ze maakt opgang en ze zal, als ze eenmaal geloofwaardig is verpakt, het pleit uiteindelijk winnen, vrees ik. Want wat het meest gebaat is bij die visie is de economie, en mensen die willen leven zijn mensen die consumeren en daarbij de economie aanzwengelen. Minister De Block heeft al gezegd dat er onder geen beding een nieuwe lockdown komt, lees: we mogen de economie geen pijn meer doen.

Dat het virus lustig verder woekert heeft natuurlijk ook te maken met het feit dat heel wat mensen doen alsof er niks aan de hand is, die zich van bubbels en afstand en bescherming geen bal aantrekken. Rijd op een mooie zaterdag maar eens door enkele gemeenten en aanschouw zelf hoe de terrasjes stampvol zitten zoals ze vroeger stampvol zaten: iedereen schouder aan schouder en zonder mondmasker. Sommige mensen hebben veel discipline, anderen helemaal geen. Als er water in de kelder stroomt en Jantje haalt het water er met emmers uit via de keldertrap en Pietje giet het water via het kelderraampje terug de kelder in, dan hebben we een perpetuum mobile en voor altijd en eeuwig een kelderzwembad.

Ik word herinnerd – en dit heeft niets met corona te maken – aan het gebrek aan discipline van velen telkens ik over een verkeersdrempel rijd. Decennialang hebben we ons zuur verdiende belastinggeld aan de overheid gegeven om er onder andere mooie, nette, vlakke wegen mee aan te leggen. Uiteindelijk hebben we, wederom met ons belastinggeld, op al die fraaie wegen van die vreselijk bulten aangebracht. Waarom? Omdat een niet onaanzienlijke groep mensen zich niet aan de maximale snelheid houdt. Er staan nochtans borden die melden hoeveel die snelheid mag bedragen, het is niet dat je die snelheden allemaal uit het hoofd moet leren, neen, er staan grote, duidelijke, metalen, weerbestendige, fluorescerende borden in een afgesproken kleur en vorm en design opdat zelfs de grootste idioot ze zou herkennen. Helaas zijn er idioten die hun idiotie bewijzen door foert te zeggen tegen die borden, foert tegen coronamaatregelen en liefst van al foert tegen alles, behalve tegen wat hun eigen ego aanbelangt. Zullen de foertzeggers de ondergang van de wereld inluiden? Ze staan in de eerste rij om dat te doen, ja. Als er morgen een nog straffer virus komt, dan zullen ze blijven foert zeggen. Zullen ze dan nooit stoppen met foert te zeggen? Ja, als hun eigen vriendin, vriend, ouder, kind… getroffen wordt, dan kan het inzicht alsnog komen. Maar da’s dan ook weer uit eigenbelang natuurlijk.

Waar zaten we? Bij de invloed van de economie op ons bestaan. Ik wilde nog iets schrijven over het verband tussen de economie en de Amerikaanse presidentsverkiezingen, maar dat zal voor later zijn.

Foto van de week: Meeuwen nabij de Leie in Kortrijk

Dit is een favoriet van mij in de shop van Studio Kunsthart. Meeuwen die aanschuiven als kinderen op de springplank in het zwembad. Er zit symboliek in dit beeld die de kijker er zelf in mag stoppen. Leg deze foto voor aan een leraar fotografie en heel waarschijnlijk zal de gelige omgeving – de witbalans, voor de kenners – een bezwaar vormen, maar dat is enkel een bezwaar voor wie naar fotografie kijkt met een in theorieën vastgeroeste visie op fotografie. Dat gele contrasteert prima met het wit van de meeuwen. Er mag niets anders wit zijn in dit beeld dan de meeuwen. Moet de wereld daarom een beetje geler worden, dan moet dat maar. Bovendien gaat van die gele schijn een zekere ongezonde dreiging uit. Smog? Wie zal het zeggen. Van dat gifgroen ook trouwens. In de achtergrond ligt de stad Kortrijk. De tuibrug die u ziet is de Noordbrug, die twee stadsdelen met elkaar verbindt. Links achter de brug ligt Buda-eiland, rechts loop je het hart van de stad tegemoet. De meeuwen staan vertrekkensklaar aan de uitcheckbalie. Nochtans is Kortrijk best een mooie stad, doch deze meeuwen hebben andere plannen. Bemerk de prachtig opgeklapte, haast transparante vleugel van de meeuw die alvast adieu zwaait.

Ik wou dat ik een vogel was (the saga continues)

Het succes van het boek Ik wou dat ik een vogel was, waarin mijn gedicht ‘Antigazon’ is opgenomen, blijft maar duren. Naast de bekroning met een Vlag en Wimpel door het CPNB is een vijfde en zesde druk van telkens 5.000 exemplaren van de persen gerold. Dit is dan ook het mooiste poëzieboek dat ik ooit heb gezien. Ik weet zeker dat de Sint of de Kerstman dit aan huis wil brengen, wink wink.

Uit de losse pols enkele tips en aandachtspunten bij het schrijven van een gedicht

Hoe schrijf je een goed gedicht? Er bestaat geen handleiding dat het zus of zo moet. Gelukkig maar dat er geen handleiding bestaat voor het schrijven van poëzie. Zo’n handleiding zou volgens mij garant staan voor een beroerd dichterschap. Wie de handleiding volgt, zou een deeltje worden van een hele lange eenheidsworst. Daarin onderscheid poëzie zich van het ontstoppen van een wc of het in elkaar zetten van een opbergkast. Dat doe je best wél planmatig. Allemaal goed en helder, maar hoe doe ík het? Wel, het begint met één woord of met enkele woorden die elkanders gezelschap opzoeken, spontaan en ongedwongen, of net wel gedwongen. Daar bouw ik op voort tot er iets staat wat nog niet goed is. Vervolgens lees ik wat er staat opnieuw en opnieuw en opnieuw, en schaaf ik telkens wat bij tot ik tevreden ben. Ik ben streng voor mezelf. Van alle gedichten die ik schreef is slechts een minderheid gepubliceerd. Die gestrengheid heeft ervoor gezorgd dat ik bij het doorbladeren van mijn bundels, wat ik nooit doe, zelden het schaamrood op mijn wangen krijg. Zeg ik met blozende wangen.

Ik begeleid, daar had ik het hier onlangs nog over, sinds 2013 het Poëzieatelier Brugge. Dichters schrijven gedichten en krijgen feedback van mezelf en van elkaar, daar komt het in het kort op neer. De dichters van het atelier hebben elk een eigen stem. Dat mag, meer zelfs, dat moet. Wat zeker niet de bedoeling is van het Poëzieatelier is dat al die dichters, tien per werkjaar, allemaal eender gaan schrijven. Dat zou een totaal verkeerde aanpak zijn. Het doel bestaat erin dat ze binnen hun eigen stem en stijl een gunstige evolutie doormaken en zelfinzicht verwerven in hoe ze hun dichterschap verder ontwikkelen, wat ook effectief gebeurt.

Ik heb ooit eens uit de losse pols enkele tips en aandachtspunten bij het schrijven van een gedicht op een rijtje gezet voor de deelnemers van het Poëzieatelier (en voor mezelf). Impulsief, in een willekeurige volgorde, zonder ook maar enige waarheid in pacht te hebben:

Zorg ervoor dat elk woord een voltreffer is. Durf wat overtollig is te schrappen.

Zoek en overweeg synoniemen (www.synoniemen.net).

Overweeg inversie, d.i. woorden van plaats verwisselen.

Idem voor gehele regels of strofen. Schuif ermee tot ze op hun beste plaats staan.

Maak het gedicht sterker door het in de verleden of de tegenwoordige tijd te zetten. Test beide uit.

Klopt het perspectief, d.i. het vertelstandpunt? Test perspectieven uit.

Bekt het gedicht goed? Heb aandacht voor ritme, metrum en klankkleur.

De lezer beschikt enkel over de woorden die er staan. Tot informatie die nodig is voor een goede lezing van het gedicht, maar die je ongeschreven laat of niet insinueert, heeft de lezer geen toegang. Lees je gedicht vanuit het standpunt van de lezer. Maar maak het niet uitleggerig.

Het gedicht mag mysterieus en moeilijk te doorgronden zijn, maar dat is niet hetzelfde als verwarrend.

Vermijd taalfouten!

Wees consequent met hoofdletters en interpunctie.

Zorg voor een mooi ogende bladschikking. Heb aandacht voor enjambementen.

Een gedicht is niet in één keer af. Lees en herlees het met tussenpozen en schaaf tot het 100% naar jou zin is.

Laat je gedicht lezen door anderen, bij voorkeur mensen die voeling hebben met poëzie. Adviezen die je nuttig lijken, neem je mee, de andere negeer je = altijd winst.

Er zijn poëziekenners die beweren dat je, nadat het gedicht stilaan vorm krijgt, eens moet nagaan of de regel waar het allemaal mee begon niet beter verwijderd wordt. Ik heb dit altijd een gekke tip gevonden, maar proefondervindelijk weet ik dat het in bepaalde gevallen klopt. Je start met iets en dan gaat het gedicht plots een heel andere kant uit, waardoor dat oorspronkelijke iets niet meer past in het geheel.

Dit zijn tips voor wie al wat op zijn blad heeft staan. Een soort van checklist. Voor wie vertrekt van een blanco blad is de belangrijkste tip dan weer: schrijf, schrijf en schrijf. Verzamel materiaal, woorden dus. Waar je die haalt maakt niks uit, de mogelijkheden zijn oneindig want woorden zijn overal, zichtbaar in de werkelijkheid of onzichtbaar in je hoofd. Voor mensen die vaak de trein nemen, leg die krant of dat boek terzijde, houd een notitieboekje en pen bij de hand, observeer, laat je gedachten de vrije loop bij wat je ziet en noteer. Kan boeiend materiaal opleveren.

Wat is voor mij een sterk gedicht? Heel eenvoudig. Voor werk van anderen geldt deze regel: als ik het gedicht na het lezen meteen opnieuw wil lezen en nog eens en misschien een derde maal, dan is het voor mij een sterk gedicht. Voor mijn eigen gedichten hanteer ik deze regel: als ik popel om ze door anderen te laten lezen of ze ergens gepubliceerd te zien, dan zit het snor.

Foto van de week: Ronde van Frankrijk

Dwangarbeiders van de weg werden ze ooit genoemd. Iedere afgelegde kilometer het equivalent van een emmer steenkool uit de mijnschacht. De coureurs hebben het vandaag iets makkelijker dan hun illustere voorgangers, maar zelfs in flashy wieleroutfit gestoken blijft het een aparte stiel. Uit bovenstaande foto is alle flash verwijderd. Studio Koers maakt van wielrenners terug dwangarbeiders.

Depeche Mode

Het is behoorlijk lang geleden dat ik hier nog over popmuziek heb geschreven, popmuziek meestal van in mijnen tijd. Heb ik mij bekeerd tot de free jazz, de kleinkunst of de musical? Neen, helemaal niet, er valt even niets op te spitten uit mijn hoofd waar al die muziekjes in huizen. Of misschien dit, onlangs zag ik op de Nederlandse tv een documentaire over Depeche Mode. De insteek was redelijk origineel. Men vertrok vanuit de dagdagelijkse realiteit van zes superfans, die allen een concert in Berlijn zouden gaan bijwonen, in 2018 was dat. Superfans afkomstig uit respectievelijk Mongolië, Roemenië, Brazilië, Frankrijk, Colombia en de Verenigde Staten van Amerika, die het erg te pakken hadden. Depeche Mode bleek haast een religie voor deze mensen. De meeste hadden iets bijzonders met de groep. Zo had de Franse vrouwelijke fan een ongeval gehad waarbij ze haar geheugen verloor, alleen de muziek van Depeche Mode herinnerde ze zich uit haar leven van voor het drama.

Depeche Mode is zo’n band die wordt uitgespuwd door zij die zich de betere muziekkenner achten. De naam van de groep, dat op zijn Engels uitgesproken Frans, laat zich ook makkelijk uitspuwen, als een minachtende krachtterm. Niet doen, deze jongens hebben Everything Counts en Enjoy The Silence voortgebracht. Alleen daarom verdienen ze hun plek in de muziekgeschiedenis.

Depeche Mode anno 2018 is wilder en ruiger, veel ruiger dan in de videoclip van Everything counts, die belachelijk braaf en ouderwets lijkt als je die nu bekijkt. Na de documentaire heb ik op Google opgezocht of Dave Gahan een homoseksuele man is. Niet dat het mij iets kan schelen, maar zijn performance is nogal gayish zeg maar, met veel pirouettes, slappe handjes en loshangend giletje op zijn blote bast, dus wilde ik dat even checken, net zoals ik elke dag wel een aantal nutteloze weetjes googel. Ik ben als fan van Pet Shop Boys en vooral Erasure (Andy Bell!) wel wat gewend op het vlak van queer performances, maar neen, Gahan blijkt helemaal straight. Ik meen mij te herinneren dat de man heel wat heeft doorgemaakt, een zware drugsverslaving onder andere. Hij lijkt in niks meer op Rick Astley-achtige figuur uit de clip van Everything Counts. Met zijn achterover gekamde haren, dat snorretje en het gebekketrek deed hij mij aan Freddy De Vadder denken, hoe onnozel dat ook klinkt.

Een aanleiding voor dit stukje had ook kunnen zijn dat de band dit jaar 40 jaar bestaat. Dat is lang, verdraaid lang. Ik was 16 toen ik Just Can’t Get Enough hoorde, een nummer geschreven door Vince Clarke, die na de eerste plaat de groep verliet en zijn immens talent meenam naar onder andere Yazoo en vooral Erasure. Ik heb op dit weblog eerder over hem geschreven. Vince Clarke is een van de belangrijkste figuren in de geschiedenis van de elektropop.

Conner

Jarenlang hebben de linkse partijen van dit land de rode loper uitgerold voor de andere kant van het politieke spectrum door elke migratiekritische vraag uit de weg te gaan, door koppig niet te durven zeggen, zelfs niet in omfloerste termen, wat een niet gering deel van de bevolking denkt. Voorgaande zin is al genoeg opdat stemmingmakers mij een racist zouden durven noemen, wat ik niet ben en ook nooit zal zijn. Maar de voorbije jaren, decennia zelfs, werd iedereen die het migratiedebat durfde aangaan of er zelfs maar een pertinente vraag over stelde in die hoek geduwd. Ik ben dan ook blij te lezen dat Conner Rousseau, voorzitter van de Vlaamse socialistische partij, van mening is dat immigranten die weigeren onze taal te leren niet thuishoren in ons land. Het is een wijs en moedig standpunt van iemand van wie je dat niet meteen verwacht omdat het niet past bij zijn politieke kleur. De verwachtingen in Conner Rousseau – een naam om de hoofdrol te vertolken in een heldenepos – zijn groot, ook voor mensen die nooit sp.a hebben gestemd zoals ik. We hebben wars van kleurtjes en strekkingen politici nodig met gezond verstand. Rousseau lijkt mij zo iemand, een bruggenbouwer, een verzoener, iemand met goede intenties, een redelijk man met een goede inborst die lak heeft aan politieke spelletjes en de dingen in beweging wil zetten.

Het zou ons eigenlijk niet mogen verbazen dat de uitspraak die hij deed ophef veroorzaakt. Het is maar normaal dat als je te gast bent in een ander gezin, een andere buurt, een ander land, je rekening houdt met de geplogenheden die daar heersen, vooral als je van plan bent er te blijven. Ik kan niet intrekken bij de familie Janssens of Peeters, er mijn voeten op de salontafel leggen, mijn neuskeutels aan de zitting van hun stoelen vegen, hun koelkast leeg vreten, de afstandsbediening van de tv opeisen, hun kinderen pesten, hun geld aftroggelen, weigeren om met hen te converseren en hen in mijn binnenste ook nog eens hartgrondig haten. Dat gaat niet, zeker niet als de heer en mevrouw Janssens of Peeters het vuur uit hun sloefen lopen om het mij naar mijn zin te maken en mij allerhande faciliteiten ter beschikking stellen. Dat gaat niet, dat zou ik zelf moeten inzien. Als ik dat niet doe, dan ben ik ter kwader trouw, ben ik een schaamteloze vlegel zonder moreel kompas. Of heb ik geen of onvoldoende opvoeding en scholing genoten. En zo komen we weer uit bij waar alles mee begint: opvoeding en onderwijs, twee steunpilaren waar de hele samenleving op gebouwd is en die we te allen prijze recht moeten houden, stutten en opkalefateren waar nodig. De coronacrisis vreet die pijlers aan, maar laat ons hopen dat de schade meevalt.

Foto van de week: Gele fiets

Vaak bewierookt, dit beeld van een gele fiets. Nochtans is er niets anders te zien dan een gele fiets, of beter, een fiets, want de fiets is niet geel, alles is geel. Liefhebbers van zwart-wit fotografie kunnen ervan overtuigd zijn dat dit beeld schreeuwt om in zwart en wit omgezet te worden. Misschien moeten de mannen van Studio Kunsthart de proef op de som nemen, om vervolgens vast te stellen dat de eenzaamheid die dit beeld ademt draaglijker maar ook tragischer blijkt te zijn in een helle wereld. Zie die fiets, klein model, zo lijkt het wel. Een fiets van een scholier misschien die hem, opgejaagd door de nakende schoolbel, haastig in het rek heeft gegooid. Die haast is te merken aan het achterwiel dat uit het lood staat. De eigenaar van deze fiets is op het ogenblik dat deze foto werd geschoten dingen aan het doen waarbij hij zijn fiets niet nodig heeft. Om het dierbare vehikel op te bergen bestaan er fietsenstallingen, bij voorkeur veilig betralied zodat fietsendieven geen kans krijgen. Deze foto bekijken op een beeldscherm doet hem geen recht, maar neem het van me aan, deze foto zien in zijn gematerialiseerde vorm is een streling voor elk paar kunstminnende ogen.

Poëzieatelier Brugge

Poëzieatelier Brugge 2019 - 2020 2Het Poëzieatelier is een plek waar (amateur-)dichters hun gedichten voorleggen aan de begeleider en aan elkaar. Onderling wordt feedback uitgewisseld waardoor de deelnemers geleidelijk aan betere gedichten schrijven. Dit werpt ook effectief vruchten af. Enkele deelnemers aan het Poëzieatelier zagen hun gedichten afgedrukt in een poëzietijdschrift, een poëziebloemlezing of beklommen het podium tijdens een literair festival. Dichters die geen ambitie hebben om te publiceren zijn evenzeer welkom.

Zo staat het op de websites van Vormingplus Brugge en van Wisper en zo is het ook. Ik begeleid het Poëzieatelier Brugge sinds het voorjaar van 2013. Onze maandelijkse bijeenkomsten, tien per jaar, van september tot juni, gaan door in de lokalen van Vormingplus Brugge, Sint-Pieterskerklaan 5.

De coronacrisis stak het voorbije seizoen stokken in de wielen. De ateliers van maart, april en mei werden verplaatst naar juli, augustus en september, zodat straks het oude werkjaar bijna naadloos overgaat in het nieuwe. Het atelier telt tien deelnemers. Sommige dichters zijn er al van in het begin bij. Elk jaar zijn er ook één à drie deelnemers die nieuw zijn in de groep.

Het huidige werkjaar werd in juni hervat onder strikte gezondheidsmaatregelen. Voor aanvang van het eerste atelier na de eerste coronagolf bedacht ik ineens dat we dit jaar nog geen groepsfoto hadden genomen. Ik wilde mijn fototoestel al klaarzetten, maar een klassieke groepsfoto’s, dat kon natuurlijk niet. Niet getreurd, dan maar even een alternatieve groepsfoto in elkaar geknutseld.

U ziet op het houten prikbord van links naar rechts op de bovenste rij: Ludwien Veranneman, Jan Van Gompel, Dinie Sophie Fintelman, Johan Meesters, Heidi Bullynck, en op de tweede rij van links naar rechts: Donald Fisher, Frank Smekens, Stijn De Man, Marc Mersy en Wim Vandeleene. Samen vormen ze de fijne luiden van het Poëzieatelier 2019-2020.

Met het Mes op Tafel

Ik houd van een goede, ontspannende tv-quiz. Ik vermijd het woord ‘leuke’, want een tv-quiz is voor mij bij voorkeur niet een parade van Bekende Vlamingen waar leuk, ad rem en grappig zijn belangrijker is dan de quiz zelf. Om die reden heb ik een hekel aan De Slimste Mens Ter Wereld, een door de bevriende media duchtig opgeklopte quiz waar de grappen en woordspelingen vooraf worden uitgeschreven. Het is de enige quiz waar van elke aflevering een gedetailleerd verslag verschijnt in de krant. De winnaar is een hoofditem in het journaal. De bekendmaking van de deelnemers aan een volgend seizoen, de uitverkorenen als het ware, is eveneens een kwestie van nationaal belang, zo lijkt het wel. Het is niets anders dan perceptie, een grote zak voorverpakte lucht. De Pappenheimers en Twee tot de zesde macht zijn qua BV-gehalte en flauw gegrap en gegrol in hetzelfde bedje ziek.

De aardigste quiz die momenteel loopt op de Nederlandstalige zenders – als je nog analoog kijkt, zijn er eigenlijk maar alleen maar Nederlandstalige zenders, maar dat is meer dan genoeg -, vanaf vanavond terug te zien op NPO 2, is Met het Mes op Tafel, de kennis- en blufquiz van omroep MAX met dat prachtige speelholdecor, met Klaas en Mylou, en natuurlijk de heerlijke Herman van der Zandt, die er op maandag altijd een beetje moe uitziet, omdat hij in het weekend allerlei sportevenementen heeft moeten verslaan. De quiz bestaat al meer dan 20 jaar, werd mede bedacht en oorspronkelijk gepresenteerd door Joost Prinsen, maar eigenlijk heb ik de quiz pas opgepikt toen het al met Herman was. Met het Mes op Tafel is een quiz waar de kandidaten nog met een zwarte stift de antwoorden op een bordje moeten neerschrijven. Dit had een programma van veertig jaar geleden kunnen zijn en dat maakt het net zo mooi.

Quizzen uit het verleden die mij zijn bijgebleven zijn De Drie Wijzen met Kurt Van Eeghem, de eerste seizoenen van Via Via met Marcel Vanthilt – eigenlijk een quiz voor het jonge volkje maar ik was er dol op, ook al weet ik niet meer hoe die quiz precies ging – en De Canvascrack met Herman Van Molle. Daar was ik zo wild van dat ik op een dag besloot me in te schrijven. Toen ik twee jaar later werd uitgenodigd om deel te nemen was mijn liefde voor het programma enigszins bekoeld en heb ik het hele gedoe aan mij laten voorbijgaan. Nu ik in mijn hoofd even wat quizzen de revue laat passeren, moet ik inslikken wat ik in het begin van dit artikel zei. Het mag wel onnozel en met BV’s zijn, maar dan liefst heel onnozel en chaotisch. Nonkel Pop bijvoorbeeld vond ik zalig, waarom is dat zo snel afgevoerd? Ook heel goed: Scheire en de Schepping, wat eigenlijk geen quiz was, maar een wetenschappelijk programma.

Een quiz mag niet te moeilijk zijn, maar zeker niet te gemakkelijk. Blokken is een lachertje, die vragen zijn zo gemakkelijk dat het niet fraai meer is. Spaanse schilder? Reken maar dat het Dali zal zijn, dat soort quiz dus. De meest ergerlijke quiz aller tijden op de Vlaamse televisie is natuurlijk Hoger Lager met wijlen Walter Capiau. Daar hebben ooit nog een oom en tante van mij aan deelgenomen. Kunt u nagaan uit wat voor een milieu ik stam. Grapje! Momenteel wordt het Rad van Fortuin opnieuw uitgezonden in een moderne kleedje gestoken met – hoe kan het anders – telkens een andere Bekende Vlaming die de bordjes draait. Dat laatste zegt al meer dan genoeg, ik laat deze kelk graag aan mij voorbijgaan, opgewarmde kost. Zonder het originele Rad van Fortuin hadden we geen Woestijnvis gehad, toch niet onder die naam. Die compilatie kemels blijft heerlijk om zien. De woestijnvis zit er niet in, maar Jill Clinton en het smoelwerk van de man die de kemel schiet zijn hilarisch.

Het leven en hoe het te overleven (40)

Zit mijn jasje goed, zit mijn dasje goed, zit mijn masker goed? Let’s go, dan gaan we terug een dagje virussen ontwijken.

Net zoals er mensen zijn die kunnen zien met hun haar of hun voorhoofd, zijn er blijkbaar ook mensen die kunnen ademen met hun kin.

Bij het horen van de naam van Open VLD-voorzitter Egbert Lachaert wil ik die altijd vervormen in Egbert Lachtaart. Een lachtaart (lachtoarte) in in het West-Vlaams iemand die heel gemakkelijk lacht of ‘de slappe lach’ krijgt.

Het lachen zal ons vergaan als er veel Open VLD-ers met hun blauwe kostuumpjes in de nieuwe regering zullen plaatsnemen.

J.K. Rowling wordt transfobie verweten omdat ze mensen die menstrueren vrouwen heeft genoemd.

Nodig Michel Wuyts, broeder abt van de sportredactie van de VRT, nooit uit naar uw feestje. Dodelijk voor de sfeer. Aan de vooravond van de Tour heeft hij een boodschap voor de koersverlekkerde wielerfans: ‘Ik denk niet dat de tour de aankomst in Parijs zal halen door corona.’

Speculaaspasta: zou het geen fantastische uitvinding zijn die in vormpjes te smeren en daar koekjes van te bakken?

Ilja Leonard Pfeijffer in Zomergasten

Ik heb genoten van de aflevering van Zomergasten met Ilja Leonard Pfeijffer. Die heb ik in drie schuifjes uitgesteld bekeken. Uitzendingen uitgesteld bekijken is eigenlijk niet goed voor mij, want dan wil ik de hele tijd terugspoelen omdat ik een flard zin niet goed gehoord heb of nog eens opnieuw wil horen. Of een fragment nog eens een tweede keer wil zien. Het lastigst is het als ik bij fragmenten drie dingen tegelijk moet lezen: de ondertiteling, de bijschriften bij opgevoerde personen, die altijd veel te kort onderaan het beeld worden getoond, en tekst in het beeld zelf. Vooral bij jachtige muziekdocumentaires is het een hele klus en spoel ik ettelijke keren terug. Muzikanten, platenbonzen, managers, producers, noem maar op, worden in een snel tempo geïntroduceerd. Ik wil dan altijd exact weten, of beter: lezen, wie dat zijn en wat ze doen. Wordt iemand later nog eens aan het woord gelaten, dan verschijnen naam en functie niet meer opnieuw, want dat werd al getoond en de kijker wordt verondersteld dat te onthouden, maar vaak vergeet ik het van zodra ik het gelezen heb en dan spoel ik maar terug tot ik weer weet wie dat ook weer was en wat hij doet of deed. Door de snelle montage worden in een hels tempo shots van hitlijsten, albumhoezen, concertaffiches et cetera getoond, ik wil het allemaal zien, lezen bedoel ik, en dan is er dus ook nog de ondertiteling. Ik heb me voorgenomen om zoveel mogelijk naar het Engels te luisteren en de ondertiteling te negeren, maar da’s niet altijd eenvoudig omdat er wel eens wat slang of streektaal wordt opgedist. Uitgesteld kijken is voor mij dus een beetje een prettige kwelling. Over een aflevering van Zomergasten, die op zich al een lange zit is, doe ik uitgesteld anderhalve keer zo lang als ze in werkelijkheid duurt. Pfeijffer is de enige zomergast die ik dit jaar zag, omdat ik de meeste andere gasten niet kende en geen zin had ze te leren kennen. Wel heb ik van bepaalde gasten de keuzefilm opgenomen. Cloud Atlas, de keuzefilm van Pfeijffer, had ik al eerder gezien. Het is een fantastische film, heel apart, een film die nog lange tijd door je hoofd spookt, zo’n film die je ofwel de beste vindt die je ooit zag of die je hartgrondig haat, en als een film of enig ander kunstding zo’n extreme reacties oproept, zit het meestal snor. Na alles wat aan bod kwam in het interview kon deze aflevering bijna niet anders eindigen dan met Cloud Atlas.

Ik ken vooral Pfeijffer de dichter en de essayist. Zijn proza heb ik niet gelezen, maar ik ben van plan het te gaan doen. Toen ik zo’n kleine twintig jaar geleden het literaire toneel betrad, was Ilja Leonard Pfeijffer, die toen nog zijn naam anders schreef, meen ik mij te herinneren, de baarlijke duivel voor een kransje anekdotische dichters. Pfeijffer is namelijk van mening dat een gedicht geen goed gedicht kan zijn als het zonneklaar is wat er staat, als de woorden een logisch verband vormen en meteen bij de lezer binnenkomen. Die stelling werd door nogal wat dichters niet gedeeld en dat leidde toentertijd tot polemiekjes op literaire internetfora, heel kinderachtig eigenlijk als ik daar nu aan terugdenk. Pfeijffer was in Zomergasten beminnelijker dan ik me ooit kon voorstellen en hij zei ook de hele tijd rake dingen. Toen het even over de nazisympathieën van Lucebert ging, stelde hij dat persoon en werk voor hem altijd van elkaar gescheiden moeten zijn. Natuurlijk is dat zo, maar ik was blij dat iemand het voor miljoenen kijkers in Nederland en Vlaanderen nog eens klinkklaar poneerde. Als we alleen nog maar boeken gaan lezen en films kijken en kunstwerken bezichtigen van lieden die qua moraliteit aan onze zijde staan, dan wordt de wereld een nog meer gepolariseerde plek. Dat zei Pfeijffer niet, dat zeg ik, of beter, hij zei het wel, maar dan anders geformuleerd. De beeldfragmenten waren zorgvuldig gekozen. Pfeijffer kon en wilde er heel wat over vertellen. Het enige deel van het interview dat een beetje uit de toon viel, zelfs ietwat gênant overkwam, was het veel te lang uitgesponnen luikje over zijn als kind zelfverzonnen taal. Ik weet niet hoever de spontaneïteit van een dergelijk interview in prime time reikt, maar hoe dan ook kwam het naturel over en voorzag Pfeijffer de fragmenten van boeiend commentaar. Heel anders dan enkele jaren terug Hans Theeuwen, die de fragmenten liefst de fragmenten liet zijn en op de vraag waarom hij die wilde tonen het antwoord vaak schuldig bleef en zei ‘nou ja, kijk zelf maar’. Ook dat moet kunnen, er hoeft niet altijd een waarom te zijn, maar dat is een beetje nefast voor een interviewprogramma, ook al was die keer met Hans Theeuwen een uitstekende editie, alleen al omdat het Hans Theeuwen was. Ook de presentatrice, die ik ooit zag stuntelen in de Zomergasten met Louis Van Gaal, was bij Pfeijffer op dreef, omdat ze zich zichtbaar op haar gemak voelde bij die grote Nederlands-Italiaanse knuffelbeer.

Ik heb geen Facebook, geen Twitter, ik lees geen Nederlandse kranten, er zal wel kritiek geweest zijn, positief en natuurlijk ook negatief, zuur en onredelijk, op de verschijning van Pfeijffer in Zomergasten, maar dat heb ik dus allemaal niet gelezen en ik wil het ook niet lezen. Wars van alle oordelen of vooroordelen of wat dan ook, kan ik alleen maar zeggen dat Ilja Leonard Pfeijffer in Zomergasten een heel aangename televisieavond was, die voor mij omwille van het bestaan van een terugspoelknop langer heeft geduurd dan voor menig andere kijker.

Vincent en Romelu

Vincent Kompany in Extra Time. Frank Raes en zijn gasten keken naar hem alsof ze water zagen branden, alsof God zelve bij hen aan tafel zat. Peter Vandenbempt, die de kunst beheerst een prachtige kwade grimas op zijn gezicht te toveren, was de enige die God een beetje probeerde te kietelen, maar God weerde de kietelhandjes gepikeerd af, omdat hij zichzelf God acht, omdat slippendragers dat hem hebben wijsgemaakt. Vincent Kompany zou uitsteken passen in Herman Brusselmans’ columnreeks over overschatte mediafiguren. De media hebben van Kompany iemand gemaakt die hij niet is. In het begin van zijn carrière stond hij garant voor op tijd en stond een fatale flater in de verdediging en in Hamburg begon hij aan een tweede carrière die zijn voetballoopbaan overschaduwt, namelijk die van ziekenboegklant. Hij hield er de bijnaam ‘man van glas’ aan over, wat eigenlijk niet klopt, want als je tegen een glazen beeld schopt kun je je grote teen lelijk bezeren. Mogelijks was de titel ‘man van papier-maché’ al door iemand anders ingenomen. In Manchester liep het lekker, moet ik eerlijkheidshalve toegeven, kan moeilijk anders als je door tien topspelers wordt omringd, dan groeit een voetballer een beetje mee met de rest van het team. En als je weet dat Noel Gallagher in de tribune zit, dan moet het lukken om nog wat meer champagne supernova aan je spel toe te voegen. Kompany bij de Rode Duivels? Ik zie veel afwezigheid wegens in de lappenmand. Kompany trainer-speler bij Anderlecht: de mauvais blancs stuntelden als nooit tevoren en haalden beduidend meer punten zonder dan met hun grote tere roerganger. Nu Kompany alleen nog trainer is van Anderlecht, zitten ze daar met een immens groot probleem. Hoe hem galant te ontslaan wanneer Anderlecht over enkele maanden ergens halverwege de rangschikking bungelt en we het gefluit van de fans er zullen moeten bij denken, want de klankregisseur, dat is hij die de decibels produceert die anders door het publiek worden voortgebracht, zal het niet aandurven om dat gefluit en gejoel waarheidsgetrouw uit zijn speakers te laten knallen. Soit, de volgende demarche van Vince is de gooi naar ergens een burgemeesterschap of een ander politiek mandaat. Op die positie kun je pas echt geblesseerd geraken. Houd de zak ijs maar klaar. Of als ambassadeur van Côte d’Or, want alsof de duivel ermee gemoeid is, ben ik tijdens het schrijven van dit stukje een lat chocolade aan het verorberen en wat merk ik in het halfduister van mijn schrijfhok? Vincent op de wikkel van een reep Puur Truffé, met verder het opschrift Vincent’s Favourite. I kid you not. Een aardige bijverdienste, want heeft le pauvre Vincent niet een paar mislukte investeringen in de koffiebranche goed te maken? Gaat hij nu ook het meest gerenommeerde chocolademerk ter wereld naar de filistijnen helpen?

Een vraag die al de hele week door mijn kop speelt. Hoeveel miljoenen zou Romelu Lukaku ervoor over hebben om die fatale fase tijdens de finale van de Europa League ongedaan te maken? Veel, heel veel. Misschien wel zoveel dat heel Centraal-Afrika er gedurende een jaar drie voedzame maaltijden per dag kan van verorberen. Arme Romelu. Ik bewonder hem om zijn gedrevenheid. Op het WK van 2014 in Brazilië nog tweede of derde spits na Benteke en Origi. Verguisd door analisten omdat hij geen bal kon aannemen, omdat hij niet goed liep in de zestien. Maar Romelu had een doel en dat doel was groter worden dan zijn idool Didier Drogba en eenmaal dat doel bereikt – want Drogba, zeg nu zelf, kent iemand die nog? – lag er al een volgend doel klaar, de beste Belgische spits aller tijden worden, maak daar in één ruk door maar de beste spits van de wereldbol en alle andere planeten van. Ik houd van sportvedetten met een flinke dosis arbeidsethos. Ik houd van sportvedetten die goed zijn, vervolgens beter willen worden en uiteindelijk de beste en daar keihard voor werken. Mannen die na de training nog een uitgebreide individuele training afwerken. Romelu is zo iemand, schijnt het. Dat werpt vruchten af. Goed werk loont, dat is maar verdomd eerlijk ook. Daarom is het zonde dat Romelu bij die omhaal van die Sevilla-speler stond te slapen en het leer domweg in eigen doel devieerde. Weg eerste grote prijs. Romelu liet de ceremonie protocollaire aan zich voorbijgaan. Hoopje ellende. Als het een troost mag zijn, niemand zegt dat Inter Milaan wel de beker had gewonnen zonder die ongelukkige actie van Romelu, maar het is logisch dat hij zich de zondebok waant. Romelu zal hier sterker uitkomen. Of hij gaat dezelfde weg op als zijn idool Drogba. Dat zal zonder grote voetbalprijs wis en zeker zo zijn. Je mag nog scoren zoveel je wilt, zonder prijzenkast val je tussen de plooien van de geschiedenis. Romelu wie?

Over taalgevoeligheid

Mijn naam is Philip. Niet Philippe, Filip of Filiep. Ik ben een Engelse Philip. Dat zeg ik wel eens als iemand mijn naam moet noteren, klavier of balpen in de aanslag, en op mijn mededeling dat ik Philip heet me vraagt of ik een Vlaamse of Franse Philip ben. Dan antwoord ik – niet altijd, ik moet er zin in hebben – dat ik een Engelse Philip ben. Nu eens bekruipt me een touché-gevoel, dan weer een gevoel dat ik me heb aangesteld. Soms heeft de vraagsteller er geen flauw benul van hoeveel soorten Philip-en er zijn, zelfs niet mochten ze hem allemaal tegelijk in het scrotum knijpen, waarna ik onder een giftige blik – Philippe, Filip, Filiep, Philip, Pilip, Piliph, Hiliph, Hippeldephilidepip, who cares, zie je die gast denken – mijn naam alsnog moet uitspellen.

Erger dan op een mindervalide hersencel met een pet op achter een balie of toonbank te stoten, is de hierna beschreven situatie die maar al te vaak voorkomt. Ik stuur een mail naar iemand, onderteken die met ‘Philip’ en de geadresseerde antwoordt met ‘Beste Philippe’ of ‘Dag Filip’. Er zijn zelfs schrijvers, dichters, wijze mensen van allerlei slag, veel verstandiger dan ik ooit zal zijn, mensen met luidens hun diploma’s of functies enorm veel en in een goede gezondheid verkerende hersencellen, die zich hieraan bezondigen. Hoe kun je mijn naam verkeerd schrijven als ik hem correct voor jou voorschrijf? Ik ben heel gevoelig voor de juiste schrijfwijze van eigennamen. Ik zal op dit weblog nooit een naam of een titel droppen waarvan ik niet zeker weet dat hij correct is. Bij de geringste twijfel zoek ik het op. Maak ik toch een uitschuiver, er moeten er te vinden zijn, dan voel ik diepe schaamte.

Nog erger, neen, niet nog erger, maar gewoon ook niet fijn, is als iemand consequent uit slordigheid, onwetendheid of onachtzaamheid – weet ik veel wat de oorzaak is – een naam verkeerd blijft uitspreken. Ooit was er een befaamde Belgische voetballer die Vandereycken heette, speler van Club Brugge en later Anderlecht. Jaren later speelde er bij Club Brugge een speler die Vereycken heette. Hoe vaak heb ik niet Vandereycken horen zeggen als het over Vereycken ging. De gerenommeerde Vandereycken zat er bij de fans zo ingebakken dat ze het gewoon niet onder de knie kregen om die andere jongen bij zijn naam te noemen. Hoe moeilijk kon het zijn, drie letters minder bovendien!

De familienaam van de Belgische voetballer van Italiaanse afkomst, Enzo Scifo, diende te worden uitgesproken als ‘sjiefoo’. Een maat van mij zei altijd ‘skiefoo’. Oké, de voetballer kwam net piepen, het was in het begin nog een beetje onduidelijk (net zoals we ook lange tijd niet wisten of het nu ‘degrieze’ moest zijn of ‘degrijze’), maar als je honderdduizenden keren op tv ‘sjiefoo’ hebt horen zeggen, dan blijf je toch niet – en dat is heus niet uit balorigheid, die gasten menen dat – ‘skiefoo’ zeggen? Onlangs hoorde ik een ex-voetballer op tv ook ‘skiefoo’ zeggen! Die heeft niet honderdduizend maar vijf miljoen keer ‘sjiefoo’ gehoord in zijn leven, waarom zegt die dan op tv met een uitgestreken gezicht ‘enzo skiefoo’? Daar word een mens toch helemaal onnozel van!

KnipselphWie de geschreven taal machtig is, heeft een talent waar anderen jaloers op zijn, maar die zullen dat zelden toegeven. Integendeel. Wijs in een powerpoint-presentatie een dubbele spatie aan of – nog zoiets ergerlijks – een streepjesopsomming waarvan elk onderdeel begint met een hoofdletter en daar staat dan één tussen die begint met een kleine letter, of het in- of uitspringen is niet consequent, en de kans is niet onbestaande dat je als een haarkliever wordt aanzien, want het gaat immers om de inhoud, niet om de vorm, mijnheer de wijsneus die denkt dat hij slim is omdat hij toevallig een beetje Nederlands heeft gestudeerd en in zijn vrije tijd een beetje het schrijvertje uithangt.

Wie de geschreven taal machtig is en er wonderbaarlijke dingen mee kan doen, kan iets of iemand de hemel in schrijven, tot hoog boven het zenit, of iets of iemand de grond inboren, tot nabij de aardkern. Zaak is het wapen dat taal heet altijd op zak te hebben, als een pistool in een holster, en te stoten op tegenstanders die, ongeacht de eigen kunde, het wapen herkennen als het onder hun neus wordt geduwd. Een e-mail sturen bijvoorbeeld, waar tussen de regels meer te lezen staat dan ín de regels, en weten dat de tegenstander dat doorheeft, maar er de vinger niet op kan leggen, want er staat alleen maar wat er staat, en wat er niet staat, staat er niet. Heerlijk.

Het vervelende voor taalvirtuozen is dat het contingent waardige opponenten jaar na jaar in aantal vermindert, waardoor het haast gênant wordt om het zware geschut uit de opslagplaats te rollen. Schrijven met de handrem op is niet fijn. Een partijtje schaak winnen tegen een peuter, daar ga je niet de horlepiep van dansen. Usain Bolt die sprint tegen de een of andere gozer, hem 60 meter voorsprong geeft en weet dat hij toch nog zal winnen, is niet fijn, niet voor de gozer en al helemaal niet voor Usain. Echt sprankelende teksten, ze worden nog geschreven, maar vaak lijdt het gesprankel toch onder een teveel aan inhoud. Ik weet niet of het voor u duidelijk is wat ik daarmee bedoel, maar de trouwe lezers van deze blog zullen weten dat voor mij stilistiek altijd primeert. Ik lees liever een met veel bravoure geschreven handleiding voor het openen van een doos magere cacaofantasie dan een knullig geschreven thriller met een nochtans niet onaardig plot. Je kijkt toch ook niet naar een beeldhouwwerk van pakweg een schaap om te kunnen zeggen ‘kijk, dat is een schaap’. Het gaat toch niet om wat het is, maar om hoe het wordt voorgesteld. Als je alleen maar naar een kunstwerk van een schaap kijkt om te zien dat het een schaap is, dan had je beter het museum links laten liggen en je naar de schapenboerderij begeven, daar vind je ze in al hun werkelijke glorie.

Remco

Deze morgen in de rij bij de bakker stond op anderhalve meter voor mij een man en nog eens anderhalve meter voor hem stond een andere man. De twee kenden elkaar en bleken koersliefhebbers te zijn. Plots sneden ze hét gespreksonderwerp van de dag aan, namelijk de val van Remco Evenepoel in de Ronde van Lombardije. Dat gesprek ging als volgt.

Heb je het gezien zaterdag? Remco Evenepoel heeft een 10 gescoord op de brug met ongelijke leggers. Schone salto was dat.

Haha ja, eerst voetballer, dan renner en nu turner.

Toen ze hem naar boven droegen op die berrie met die oranje kussentjes tegen zijn kaken, dacht hij maar één ding: kom ik hier schoon in beeld voor op mijn Instagram?

Dat zijn de jonge gasten van tegenwoordig hé, die willen de hele tijd in de picture komen.

Hij overdrijft, vind ik. Heb je hem gezien op zijn ziekenhuisbed met een klakske van de Wolfpack op zijn kop, en maar zeggen dat hij zou gewonnen hebben en dat hij sterker dan ooit gaat terugkomen, we moeten dat nog allemaal zien.

Het is in ieder geval een streep door zijn rekening. Geen Giro, geen WK, seizoen gedaan.

Was dat hem niet die tijdens de corona vijftig keer in stilte de Muur van Geraardsbergen opreed? In stilte, ja mijn gat zeg, met zijn mama die de hele tijd stond te filmen en met ik weet niet hoeveel camera’s rond hem. ’t Is een showmanneke, niet meer en niet minder, met zijn docu ‘Ik ben Remco’ en zo, hij moet zien dat ze niet tegen hem gaan beginnen rijden. Weet je nog, op Twitter ruzie maken met Bettiol en nog meer van die fratsen. Dat hij eerst een beetje van een palmares bij mekaar koerst, San Juan en de Algarve en de Ronde van Polen, dat noem ik geen palmares. En vorig jaar San Sebastian, toen al de andere coureurs efkens geen goesting meer hadden.

’t Is waar, ’t is nog geen Roger de Vlaeminck of Tom Boonen of Gilbert, maar ja, hij is nog jong, we moeten dat wat tijd geven.

Hij moet opletten dat hij niet eindigt gelijk Frank Vandenbroucke. 

Er was toch voor de eerste keer wat kritiek. José De Cauwer zei dat hij te laat begonnen is met koersen, dat hij wat basis mist, dat hij geen goeie daler is, dat hij dat moest geleerd hebben toen hij klein was.

Wat José zegt is waar, hij was gelost in die afdaling, hij kon als enige van de kopgroep niet mee met Nibali. De Giro of de Tour ga je niet winnen als je niet kunt dalen. En er komen altijd nieuwe goeie renners bij: Pogacar, Hirschi, noem maar op. 

En Van Aert niet vergeten.

Voilà, ge pakt de woorden uit mijn mond.

En toen bestelde de eerste man een groot bruin gesneden en vier gesuikerde sandwiches.

Corona gelast af

pexels-cdc-3992933Tijdens de coronacrisis die al bijna een half jaar duurt, hebben een aantal bevriende schrijvers en dichters een eerste of een nieuw literair werk uitgebracht. Bevriend is niet het juiste woord op de juiste plaats, maar omdat bekennist of becollegaad niet bestaan, moet ik mij van het te pas en te onpas gehanteerde woord ‘bevriend’ bedienen. Ik heb geen dichtersvrienden, simpelweg omdat mijn vriendenlat zo hoog ligt dat je al een serieuze Fosburyflop onder de leden moet hebben om eroverheen te wippen. Een vriend is iemand die mij een long zou schenken, zelfs als de mijne nog alle twee in goede staat verkeren. Een reservelong kan altijd van pas komen, maar vind maar eens iemand, een vriend, een echte, die ze wil leveren. Of ik zelf iemand een long cadeau zou doen? Ben je gek? Gaan we zo beginnen, met dat verwerpelijke ‘voor wat hoort wat’, ‘if you scratch my back, I’ll scratch yours’ uit de kast te halen? Waar zijn de onbaatzuchtigen der aarde gebleven? Bestaan die überhaupt nog? Die bevriende – laten we het woord maar verder aanhouden, het bekt zo lekker en verschaft een mens een zeker aanzien, vandaar dat de meeste mensen beweren veel vrienden te hebben, hoed u voor dat slag volk – schrijvers nodigden mij uit voor de presentatie van hun boek of bundel om die uitnodiging achteraf in te trekken, want corona nietwaar en spijtig heel spijtig en later zal het wel eens want uitstel is geen afstel  het is wachten op betere tijden maar dat het boek wel al kan aangeschaft worden en zo voort en zo verder.

Vind ik het jammer dat die boekvoorstellingen niet doorgingen? Ja, toch wel. Het blozende feestvarken in een nieuwe outfit gehesen, de net iets te veel superlatieven uit zijn enthousiaste bebbel balkende inleider, de schuchtere uitgever die graag doet alsof hij liever niet op het podium wil om ook een woordje te placeren en de eerste exemplaren te overhandigen, de veel te lang uitgesponnen muzikale intermezzi – die mannen hebben hun instrumenten naar hier gesleept, uitgeladen en opgesteld en ze gaan ze bespelen en nog niet zo’n klein beetje -, de naaste familie van de dichter op de eerste rijen en hoe verder de tak zich van de stamboom bevindt, hoe dieper je ze in de zaal moet zoeken… kijk daar, dat moet de broer van de dichter zijn, heeft dezelfde rattenoogjes en alcoholneus… de harde stoelen, de muffe warmte, het raam dat niet open kan, de dame met de kriebelhoest, de schichtige laatkomers met een sorry-maar-we-vonden-geen-parkeerplaats-uitdrukking op hun gezicht, fezelende kwezels op de rij voor je, de slecht afgestelde micro, de mond te dicht tegen de micro, de mond te ver van de micro, het snerpen, ploffen en galmen van de micro, zweetstraaltjes die over je ruggengraat recht je onderbroek in gutsen, je eigen oksels ruiken, andermans oksels ruiken, het gelach om een niet zo grappig voorvalletje op het podium maar desalniettemin gelach, de vragende blikken van zij die het niet zo grappig voorvalletje op het podium gemist hebben, omdat de dame met de kriebelhoest net aan het kriebelhoesten was, en hun buurman of buurvrouw aanstoten om te vragen waarom er gelachen werd, waarop de buurman of buurvrouw reageert met een laat-mij-gerust-gebaar, waardoor ze allebei het volgende niet zo grappig maar desalniettemin gelach opwekkende voorvalletje op het podium missen… Maar leuk, waarlijk altijd heel aangenaam en gezellig om de collega-schrijvers terug te zien. O wat heb jij een poëtisch mondmasker zeg, haha, wat zeg je, je hebt er enkele verzen uit je eigen oeuvre op gezeefdrukt? Enkele verzen maar en niet je hele bundel? Ach, jij bent veel te bescheiden! Op dat groot bakkes van jou is plaats genoeg voor het verzameld poëtisch werk van Hadewijch tot heden…

Ja, ik vind het oprecht jammer dat boekpresentaties niet zijn doorgegaan. Voor datgene waar het allemaal om draait, met name het boekwerk? Niet in de eerste plaats, want ook zonder zo’n avond komt dat ding vroeg of laat wel in mijn handen terecht. Ik moet toegeven, met enige gespeelde tegenstribbeling weliswaar, want ik kleef mezelf graag een imago van einzelgänger aan (John Lydon had ooit een website met de schitterende titel Army of One), dat ik het sociale aspect van zo’n voorstelling nog het meest van al mis. Ergens bij horen, bij een groepje vakbroeders met hun geklets en gezwets, gelul en gelal, eigenlijk is dat best wel fijn. Het leukst is het als ik zelf actief aan de avond mag bijdragen, want zoals zoveel kunstenaars heb ik een drang tot expressie, maar gewoon in het publiek zitten en meegenieten van de blijdschap van het glunderende feestvarken is een aardig tijdverdrijf. We moeten iets doen tussen wieg en graf, niet? Dus, corona bitch, je hebt je punt gemaakt, je bent een heel slim en gewiekst virus, mijn felicitaties, maar wordt het niet stilaan tijd om op te sodemieteren?

Studio Koers nu ook in zwart-wit en monochroom

Studio Koers prijst zichzelf aan als maker van kleurrijke, schilderachtige foto’s van historische wielerprestaties en van beelden uit de koers. Prachtige wielerkunstfoto’s voor aan uw muur, in alle formaten en materialen. Waarom kleurrijk? Omdat wielrennen een kleurenfestival is, een bonte verzameling van truitjes, fietsen, helmen, brillen in een al even kleurrijk natuurlijk kader. Hier meteen onder zie je een abstracte wielerfoto die uitstekend zou passen in een strak, modern interieur. Dit werk staat sinds begin deze week in de shop van Studio Koers

opname zonder titel-170-bewerkt-2

Er zijn echter ook interieurs waar alleen maar zwarte, witte en grijze tinten in voorkomen. Kan Studio Koers iets bieden voor zij die niet zo dol zijn op al die kleurenrijkdom? Kan een monochrome wielerfoto ook boeiend zijn? Hieronder vindt u twee voorbeelden. Oordeelt u zelf.

opname zonder titel-063 copy 3

opname zonder titel-085 copy

Steun de stilte

opname zonder titel-055-2Wie deze weblog volgt, weet dat ik een fervente strijder ben voor het behoud en het in ere herstellen van de stilte. Strijder is niet het juiste woord. Strijden maakt lawaai en wie stilte nastreeft wil dat nu net vermijden. Laat me het anders stellen, ik ben dol op stilte, of anders uitgedrukt, ik heb een gloeiende hekel aan lawaai en geluidsoverlast.

Op de website van De Tijd las ik dit opiniestuk. Ik ben altijd heel blij als ik medestanders bespeur. Deel, als u de stilte liefheeft, het opiniestuk op uw sociale en andere media a.u.b. Er is immers nog veel werk aan de winkel om de lawaaimakers de mond te snoeren. De stillen hoor je niet, ze zijn nochtans met velen mag ik hopen, maar ze verliezen zo vaak het pleit tegen de lawaaierigen, net omdat ze stil zijn. Onbewust schamen ze zich misschien een beetje omdat ze niet willen meegaan in de sfeer van alles moet leuker, toffer en gezelliger en daar horen decibels bij. Misschien dichten de stillen zichzelf een zekere saaiheid toe. Dat is totaal ten onrechte. Stil is niet saai maar sexy.

Meer nieuws van het stiltefront. Volgende zomer loopt in Kortrijk een proefproject tegen het geraas van de patserbakken. Ik had graag gehad dat in het artikel ook melding werd gemaakt van de opgedreven brommertjes met knalpijp, maar een mens mag niet alles ineens willen. De bestuurlijke actie van de stad Kortrijk komt er nadat heel wat bewoners hebben geprotesteerd tegen dat hels gebrul. Vandaar mijn oproep aan iedereen die gestoord wordt door lawaai: meld het aan de politie of, als u dat niet durft, doe het via het meldingsformulier op de website van uw gemeente. Als we ons alleen maar in stilte ergeren – no pun intented – zal er niets veranderen. En neen, u bent geen zure burger als u ageert tegen geluidsoverlast, integendeel, en als iemand u zo noemt, draag die titel dan als een geuzennaam.

(Het bord dat u op de foto ziet, staat in Harelbeke. Nooit zag ik zo’n bord elders. Ik weet niet wie het geplaatst heeft en waarom. Nu ja, het waarom kan ik al vermoeden, omdat het er daar in die buurt te luid aan toe ging en iemand zijn nek heeft uitgestoken om daar iets tegen te doen, waarvoor hulde. Het is fijn dat het er staat, maar ik geloof niet dat lawaaimakers tot inkeer komen als ze zo’n bord zien. Daar is meer voor nodig.)

Wensvol denken: Philippe Gilbert wint Milaan-San Remo!

Op zaterdag 8 augustus wordt de Primavera verreden. Primavera betekent lente. Het is de bijnaam van de wielerklassieker Milaan-San Remo, die door de alom gekende toestanden dit jaar een seizoen later wordt betwist. Milaan-San Remo is één van de vijf wielermonumenten. De andere vier zijn de Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix, Luik-Bastenaken-Luik en de Ronde van Lombardije. Rik Van Looy, Eddy Merckx en Roger De Vlaeminck zijn de enige renners die erin slaagden ze alle vijf te winnen. Philippe Gilbert won er vier, alleen Milaan-San Remo ontbreekt. Alle ogen zijn zaterdag op hem gericht. Iedere renner in het peloton weet dat Gilbert in de herfst van zijn rijkelijk gestoffeerde wielercarrière nog maar één doel heeft en dat is het vijfde monument aan zijn palmares toevoegen. Van het vierde monument dat hij won, de Ronde van Vlaanderen 2017 in de trui van Belgisch kampioen, is een kunstfoto te vinden in de catalogus van de Werk aan de Muur-winkel Studio Koers.

Tom Boonen noemde Milaan-San Remo ooit de saaiste koers van het jaar. Het is met zijn bijna 300 km de langste eendagswedstrijd, maar meestal begint het vuurwerk pas in de aanloop naar de laatste helling, de Poggio, waar we bij manier de spreken de finish al kunnen ruiken. Na de top van de Poggio volgt een technische afzink. De laatste 2,3 kilometer zijn vlak. Voor wie boven op de Poggio nog een kans heeft om te winnen, komt het eropaan om hoofd en benen zo perfect mogelijk met elkaar te laten samenwerken. Vlammen, ja, maar ook de tegenstanders, als die nog in de buurt zijn, taxeren en genoeg sparen voor een eindschot. Voor de renners die na de Poggio nog winstkansen hebben, is het slot van Milaan-San Remo hyperenerverend. De Primavera is onvoorspelbaar. Winnen is geen plannetje dat je vooraf uittekent en vervolgens uitvoert. Het gaat om de sterkste zijn, én de slimste.

Sterk zijn, slim zijn, het typeert Philippe Gilbert ten voeten uit. Maar alles moet nog eens meezitten ook. Ik durf er gewoonweg niet aan denken dat Philippe Gilbert zaterdag juichend over de meet bolt. Dat zou waarlijk een kers zijn waar die grote, heerlijke taart helemaal onder bezwijkt. De laatste echte Belg die Milaan-San Remo won is de nog altijd tot veler verbeelding sprekende schone coureur Fons De Wolf, hier op 21 maart 1981 solo op weg naar zijn overwinning in deze mythische klassieker.

Met de verstoorde wielerkalender van dit jaar is alles mogelijk. Welke toppers zijn tijdens de coronamaanden blijven trainen als gek? Wie heeft het ietwat kalmer aan gedaan en zal daar straks de prijs voor betalen? Wat wordt de tactiek van Gilbert en zijn ploeg? Wordt het een harde koers of wordt het op een aangepast parcours slenteren tot aan de voet van de Poggio? Welke rol speelt de hitte? Afwachten maar of de achtste van de achtste van het jaar twintig twintig een dag wordt om in kapitalen in de annalen van het grote wielerboek bij te schrijven. Allez Phil!