20 jaar dichter (10)

Het zou de waarheid geweld aandoen te beweren dat mijn zesde dichtbundel Kaas treft geen schuld tot het tegendeel bewezen is uit 2015 een stijlbreuk vormde met zijn voorganger Het is fijn om van pluche te zijn. Ik denk niet in termen als verandering en vernieuwing en jezelf opnieuw uitvinden. Marketingpraat. Ik maak gedichten en als ik er genoeg kwaliteitsvolle heb, giet ik die in een bundel, waarbij ik de kwaliteit bundel na bundel naar een hoger niveau probeer te tillen.

Dat gieten gebeurt sinds Het is fijn om van pluche te zijn op een hoogst simpele manier. De volgorde van de gedichten in de bundel is op titel, alfabetisch. Waarmee ik wil zeggen: het maakt niet uit. Maar waarbij ik er wel zorg voor draag dat het openingsgedicht een waardige opener is.

Inhoudelijk geen stijlbreuk, maar wel vormelijk. Het is fijn om van pluche te zijn is kleurrijk met een uitbundig, nogal groot, kinderachtig lettertype. Kaas treft geen schuld tot het tegendeel bewezen is is zwart en wit en grijs, met een kleiner, serener en serieuzer lettertype. Een aantal gedichten is minder wijdlopig, gebalder.

In Kaas treft geen schuld tot het tegendeel bewezen is laat ik voor het eerst – het folietje op het einde van Het is fijn om van pluche te zijn uitgezonderd – hoofdletters, punten en komma’s achterwege. Andere leestekens zoals uitroepteken, vraagteken en gedachtestreepjes komen wel nog voor.

Later, in Het dikke meisje en de ziener en in mijn nog te verschijnen bundel met als werktitel Mens is de naam, heb ik de hoofdletter terug verwelkomd. Soms wil ik die, soms niet. Gevoelsmatig. Als ‘God’ beter oogt dan ‘god’ en ‘B-film’ beter dan ‘b-film’, dan moet je de hoofdletter toelaten.

Terug naar 2015. Ik kan het niet laten om uit Kaas treft geen schuld tot het tegendeel bewezen is een gedicht te kiezen met wederom een weerhaakje aan.

TEXTIELHUIS

cocktails moeten betaalbaar zijn als het over aids gaat
staat er op mijn placemat 

aan de belendende tafel zit tussen zeven gepensioneerde blanken
een neger in een veelkleurige tuniek
wijd van snit met een zee van ruimte voor het klokkenspel

hier te eten maakt van mij een goed mens
de dienster komt uit myanmar en de barman uit soedan
afrekenen voelt als ontwikkelingshulp
het loont de soedanees praat al platter dan ik 

hier vind je ook lieden die niks geven om welke ideologie dan ook
alleen om de goedkoop
ze zouden zelfs komen als hitler himself achter het fornuis stond
hij heeft een paar joden gepest maar zijn prijzen zijn scherp

ineens rinkelt een gsm 
de neger tast in zijn wijde broek
zou het een van zijn vrouwen zijn?
hij kijkt in zijn bord 
ik ben hutsepot met braadworst aan het eten
daar kan de vrouw zich niets bij voorstellen

in het textielhuis komen ook lokale politiekers uit de vorige eeuw
niet voor het eten maar voor vergeefse blikken van herkenning

Het Textielhuis, zoals de naam laat vermoeden een nering van de socialistische vakbond, was gevestigd in de Rijselsestraat te Kortrijk. Toen ik nog in het centrum van Kortrijk werkte, heb ik er een keer of drie een dagschotel genuttigd. Sociale economie. Later kon je er niet meer eten en ik meen uit de media op te maken dat het pand een herbestemming kreeg of krijgt.

Wat kan een mens zoal doen als hij moet wachten op zijn dagschotel? Een bierkaartje nemen, kijken of hij een balpen bij zich heeft – meestal heb ik die niet op zak, maar die dag gelukkig wel – en notities maken.

Of het allochtone personeel echt uit Myanmar en Soedan kwam weet ik niet. Iedereen die dit weblog volgt, weet dat ik een koele minnaar van massamigratie ben, om het eufemistisch te stellen. Maar als inwijkelingen werken voor de kost, hun best doen om een woordje Nederlands te spreken, vriendelijk zijn en geen airtje hebben van ‘pas op hoe je kijkt naar mij of ik dien een racismeklacht tegen je in’, dan sluit ik hen in mijn armen.

Het meest schokkende, voor wie daar vatbaar voor is, zit in de vierde strofe. Maar wie door de woorden heen kijkt, snapt wat ik bedoel: er is weinig nodig opdat mensen hun principes overboord gooien. Zeg tegen een vegetariër dat hij 1.000 euro krijgt als hij een lapje vlees eet en hij speelt een heel rund naar binnen. Dat soort geschipper. En vergoelijken achteraf, dat is eigenlijk nog het ergst van al.

Het gedicht zit vol goede vondsten, al zeg ik het zelf. En bevat ook een cliché. Ik had ‘het klokkenspel’ kunnen vervangen door iets anders, ‘zijn chocolate salty balls’ bijvoorbeeld, maar dat klinkt te omslachtig en dan moet de lezer het lied van Chef kennen om helemaal mee te zijn. Een gedicht schrijven is voortdurend afwegen welk woord je wel en niet gebruikt. Schrijven, laten rusten, schaven, laten rusten, schaven, laten rusten, polijsten … tot je op zekere dag meent dat het af is. En vervolgens in die mening berusten.

===================

Advertentie

20 jaar dichter (9)

LICHAAM VAN CHRISTUS

Alle hagelwitte navels en egocentrische peniscentra nog aan toe. 
De zoon van de Heiland, een vooroorlogse David Copperfield
zonder impresario, deed zijn hocus pocus en fix trix ook alleen
maar voor pussy. Vraag dat maar aan Maria, Magdalena,
Anna, Carla, Nora, Zora, Rosa, Rita, Ria, Mia en tante Fabiola.

Stelt dit het christendom in een ander daglicht, Monseigneur? 

Bijlange niet, antwoordde de hulpbisschop zonder op te kijken,
en onvermoeibaar, met een kracht sterker dan zijn geloof, ging hij 
verder met het pletsen van zijn kardinaalsrode roede tegen de roze 
wangetjes van de misdienaars, die op hun knieën gezeten met devoot 
gevouwen handen aan één stuk door Lichaam van Christus prevelden.

Ik nam dit gedicht op in Het is fijn om van pluche te zijn uit 2012. Maar het gedicht is veel ouder. Ik was kwaad op mezelf omdat ik het niet eerder durfde te publiceren. Nu lijkt het geïnspireerd te zijn door de zaak-Vangheluwe, terwijl ik het al schreef jaren daarvoor.

Een gedicht waarin Jezus wordt voorgesteld als een man die middels zijn succesvol gegoochel de vrouwtjes binnendoet en daarmee zijn vertegenwoordigers op aarde inspireert om eveneens hun roede te kletsen tegen alles wat ze maar raken kunnen, het is eens wat anders dan een dichie waarin de mist in de bomen hangt of de zon ter kimme stijgt.

Ik zal er vast de Merendree-poëzieprijs niet mee winnen, maar het is wel telkens weer een plezier om een streepje vuigheid te schilderen op de vacht van de poëzie, die in haar meest miserabele vorm nog wolliger is dan een kudde schapen in de Schotse hooglanden die zo omvangrijk is dat zelfs de meest uitsloverige herdershond bij zichzelf denkt: dit gaat te ver, woef, dit zijn geen normale werkomstandigheden meer, woef, ik denk dat ik mij maar beter eens tot mijn vakbond wend, woef woef.

‘Fix trix’ komt uit een animatieserie die op tv kwam toen ik nog een kleine jongen was. Vermoedelijk Tsjecho-Slovaaks, je weet wel, met op het einde het woord ‘konec’ in beeld. Een eenvoudig tekenfilmfiguurtje werkte zich in elke aflevering in nesten, bevrijdde zich middels een slimmigheidje uit die nesten en zei toen ‘fix trix’ ofte ‘ik heb het met een trucje gefikst’.

Ik heb altijd beweerd dat poëzie zich niet moet inlaten met maatschappelijk engagement, dat de poëzie daarboven moet staan. In Het is fijn om van pluche te zijn zitten wél een aantal geëngageerde gedichten. Het bovenstaande is daar een voorbeeld van.

Met de bundel Het is fijn om van pluche te zijn had ik mijn toppunt van absurdisme, onnozelheid en recalcitrantie bereikt. Drie jaar later, in 2015, kwam Kaas treft geen schuld tot het tegendeel bewezen is uit. Op de cover staat een man met zijn rug naar de kijker gekeerd. Kaas … zou mijn laatste bundel worden, daar was ik van overtuigd. Die man moest dat symboliseren. Maar zoals we nu weten, het werd niet mijn laatste. In de volgende twee afleveringen ga ik dieper in op die zesde bundel Kaas treft geen schuld tot het tegendeel bewezen is.

===================

20 jaar dichter (8)

In deze reeks, waarvan het opzet inmiddels duidelijk is, laat ik de compilatiebundel Grootste Hits! De Jaren Nul links liggen omdat die een ruime selectie bevat uit Niets met jou, Inbreng nihil en Het ei in mezelf, plus vier nieuwe gedichten.

Ik zat vanaf die compilatiebundel bij uitgeverij Van Gennep, bij de heel aardige Chris ten Kate, met wie ik na een jaar of tien heb gebroken omdat hij nooit op mails reageerde, waarin ik meestal vroeg om mij exemplaren van mijn eigen bundels toe te sturen. En als ik zeg nooit, dan bedoel ik ook nooit. Ik herinner met dat ook mede-Sandwich-auteur John Schoorl het op zijn heupen kreeg van die non-communicatie.

Dat mede-Sandwich moet ik misschien even verduidelijken. Het opzet van de Sandwich-reeks onder redactie van Gerrit Komrij was een reeks van 20 bundels – 10 debuten en 10 vergeten dichters – gespreid over 10 jaar. Toen Uitgeverij 521 ophield te bestaan, was de reeks niet voltooid en werd ze door Van Gennep overgenomen.

Mooie bundels heb ik uitgegeven bij Van Gennep, met mooie covers. Zolang het goed ging, ging het goed. Fijne medewerkers had Chris, maar na verloop van tijd werd de personeelsbezetting van de uitgeverij alsmaar dunner. En er was dus die afwezigheid van communicatie. Ik woon op 300 km van Amsterdam. Even binnen wippen om te kijken wat er aan de hand was, dat ging zomaar niet. Ik vermoed dat de uitgever kampte met problemen op velerlei vlakken.

Soit, mijn vijfde dichtbundel heette Het is fijn om van pluche te zijn (2012). Veel plaats voor gekte in deze bundel. Ik schakelde het absurditeitsgehalte nog een versnelling hoger dan in Het ei in mezelf. De cover toont een pluche beer die aan een vuilniswagen hangt. Ik mocht kiezen uit vier covers en die was veruit de beste.

Veel gekte, maar er was ook plaats voor ingetogenheid. Het gedicht ‘Lijmen’ bijvoorbeeld gaat over de zoen. Ik schreef het in opdracht van het magazine One.

En er is dit gedicht over mijn moeder.

DRACHT

In een naamloze stad, januari en donker, doolde ik 
rond op zoek naar de warmte van een kroeg 
toen in de opkomende mist het silhouet 
van mijn moeder in mijn richting groeide: 

grijs, flets en moe, de schoenpunten naar binnen gekromd, 
half verstopt onder haar oudmodische groene muts 
de gebeitelde kroeskop die ze al haar hele leven droeg.

Moeder, zo nam ik mij voor te vragen, wat doe jij hier 
zo ver van huis te voet op straat in deze koude stad 
en waar is vader? Maar zij die mijn jeugd van zo dichtbij 
beleefde als een schim bleek meer dan ooit vervreemd. 

Die grof gebreide muts had van haar kunnen zijn, 
maar de aangeschoten man wees nergens naartoe 
toen ik hem vroeg naar de meest nabijgelegen kroeg.

Ik heb meer dan eens over de moederfiguur geschreven en het was niet altijd hosanna. Het zou boeiend zijn om die moedergedichten eens naast elkaar te leggen om de teneur te proeven. En hoe vaak komt de vaderfiguur voor? Eigenlijk houd ik niet van de termen moedergedicht en vadergedicht. Mijn thema dienaangaande is altijd geweest: erfelijkheid.

Bovenstaand gedicht, ‘Dracht’, hoeft weinig duiding. De derde strofe is de kernstrofe. De aanspreking ‘moeder’ maakt het gedicht afstandelijker, want een dergelijke aanspreking gebruiken we in Vlaanderen eigenlijk niet. We zeggen ‘mama’ of ‘ma’ of ‘moeke’ of nog iets anders.

Door de woorden ‘moeder’ en ‘vader’ te gebruiken, krijgt de vraag iets theatraals, wat helemaal past bij de afstand die het kind voelt tot zijn moeder of tot zijn ouders, maar tegelijkertijd ook iets komisch.

Het zou een zin kunnen zijn uit een BRT-serie van de jaren zeventig, waarin toen nog vlekkeloos ABN werd gesproken. Moeder, wat doe jij hier zo ver van huis te voet op straat in deze koude stad en waar is vader? Ik zie die zin zo uit een jonge Jo De Meyere zijn strot komen.

===================

20 jaar dichter (7)

MIJN KLEINE HOLOCAUST 

Mijn afspraak met de vliegen behelst 
dat ik mezelf slechts twee kansen geef  
om ze te meppen.  

Probleempje:  
die beesten lijken sterk op elkaar,  
net Japanners. Mijn huis is dan ook  
zo goed als vliegenvrij. 

De muggen willen ook zo’n conventie  
maar daar moet ik niets van weten. Ze  
zoemen mij een nazi die streeft naar  
de totale uitroeiing van hun soort. 

Een zware beschuldiging die ik niet  
hoef te pikken. Mijn huis is dan ook  
zo goed als muggenvrij. 

Een doordenkgedicht. Ik lees het niet vaak voor, precies omwille daarvan. Eén keer heb ik het meegemaakt dat na de lezing ervan een man in de zaal in luid lachen uitbarstte. Gefeliciteerd, had ik moeten zeggen, uw luistervaardigheid en intelligentie zijn allebei dik in orde. Maar daarmee had ik de rest van het publiek misschien geschoffeerd. En schofferen, daar doe ik niet aan.

Het is een gedicht waar gemakkelijk een diepere betekenis aan kan toegekend worden, zeker in oorlogstijd. De titel is perfect en kan verwijzen naar de bijna gelijknamige roman van L.P. Boon.

Als je de sterkere bent, dan heb je altíjd de mogelijkheid om anderen de baas te zijn. Dat is een verontrustende gedachte. Ik haat onredelijkheid bij mensen en zeker bij machthebbers. Ik ben een gevoelsmens, maar de rede is mij eigenlijk nog dierbaarder. Ik walg van machtsmisbruik.

Mijn rechtvaardigheidsgevoel is immens en zeer betrokken op mijn eigen kleine leefwereld. Dat grote delen van Afrika en Azië arm zijn en het Westen rijk, dat kan ik moeiteloos aanvaarden. Dat is geopolitiek gekrakeel en daar kan ik, kleine mens, niets aan veranderen. Maar dat een moeder steevast aan haar ene kind een koekje meegeeft naar school en aan het andere niet zou mij opstandig maken. Misschien komt dat doordat ik zelf een half leven lang het zonderkoekjekind ben geweest.

In het gedicht hebben de vliegen pech. De mepper heeft een valse welwillendheid getoond. Vals omdat hij weet dat vliegen op elkaar gelijken en hij zijn afspraak nooit kan nakomen. Omdat de naïeve muggen ook een dergelijke conventie willen afsluiten, en de mepper beledigen omdat hij voor hen niet dezelfde geste wil doen als voor de vliegen, oordeelt de mepper dat hij zich niet door die muggen moet laten beschimpen en mept hij er flink op los.

Kunt u nog volgen? Ja? Dan is uw leesvaardigheid en uw intelligentie dik in orde. Doe zo voort.

===================

20 jaar dichter (6)

Ik debuteerde in de late herfst van 2002 en in 2005 kwam mijn derde bundel al uit met als prikkelende titel Het ei in mezelf. Te veel, te snel? Ik denk het niet. Ik ben heel tevreden over Het ei in mezelf.

Ook qua opmaak is het een mooie bundel. Voor Inbreng nihil wilde ik geen flappen aan de kaft. Het mocht best eenvoudig zijn, vond ik. Eenvoud siert. De uitgever drong voor Het ei in mezelf aan op flappen. Het heeft een bundel een extra cachet, zo werd gezegd. Ik liet mij overtuigen, maar het moesten brede flappen zijn, niet van die smalle dingetjes die beginnen te fladderen (flapperen) als je de bundel openslaat. Zo is het ook geworden. Toch is er een detailke aan de kaft dat mij stoort. Niemand anders zou erover vallen, een enkeling zelfs die het opmerkt, maar ik dus wel. Wie het weet, mag mij het antwoord bezorgen per gele briefkaart.

Kort na deze publicatie hield mijn uitgeverij, 521, op te bestaan, waardoor deze bundel en ook de vorige veel te snel uit roulatie werd genomen. Het nobele initiatief van twee jongens die het grote Prometheus de rug toekeerden om hun eigen ding te doen, bleek een houdbaarheidsdatum te hebben. Harold en Arjan van 521 gingen aan de slag bij boekenconcerns waarvan ik mij de exotische namen niet meer herinner. Mijn dank voor de drie bundels, die ik bij hen mocht uitbrengen, is immens.

‘Schemertijd’ gaat over een jongen die voor het slapengaan, van in zijn bed, enkele rituelen moet voltrekken. Onder zijn bed kijken, verifiëren of het laken onder zijn voeten strak gespannen is en de muren scannen van vloer tot plafond. Vandaag hebben we daar een woord voor: dwangstoornissen.

SCHEMERTIJD 

Elke avond voor het slapengaan keek ik onder  
mijn bed naar niets anders dan stof en leegte,  
wachtend op een magere maniak met een aks  
die mijn kindertijd voortijdig zou beëindigen.  

Later wilde ik een strak laken onder mijn voeten  
en nog later trokken mijn ogen op de drie muren  
die mij omringden loodrecht ingebeelde lijnen  
van het balatum naar het plafond en terug.  

Een rookmachine spoot de lichtheid onherkenbaar, 
maar ik zag ze wel, de op en neer dansende spoken.  
Ik kneep mijn ogen en mijn lichaam dicht. Nu nog  
pleegt men mij te noemen: zonderling, gesloten. 

Toen ik enkele jaren geleden het gedicht herlas, merkte ik ineens tot mijn ontsteltenis op dat elementen in de laatste strofe zouden kunnen refereren aan incest of kindermisbruik tout court. Die betekenis had ik er niet moedwillig in gestopt, jezusmina neen.

Ik mag dan wel somtijds een beetje assertief worden als ik mijn handen op het klavier zet, enigszins bruuskeren of de querulant uithangen, maar als er iets is waar ik liever niets over wil zien, horen of lezen, dan is dat geweld tegen kinderen, vrouwen of dieren.

De film Casualties of War, om die maar te noemen, heb ik al een paar keer opgenomen, maar nooit bekeken en telkens weer gewist, omdat ik in de beschrijving lees dat er een scène in zit waarin soldaten een Vietnamese vrouw verkrachten. Dat kan ik echt niet aanzien. Die film met Amy Adams, Nocturnal Animals, heb ik wél gezien, maar ik ben daar na afloop toch even niet goed van. Brimstone van Martin Koolhoven staat hier al maanden te blinken op de harde schijf, maar ik lees op IMDB dat die gitzwarte prent niet voor gevoelige zieltjes is. Schitterende film blijkbaar, en daarom zal ik er vroeg of laat willen naar kijken, maar ik houd de boot nog even af. Horror is vanzelfsprekend al helemaal niet mijn ding, dat zult u wel begrijpen.

We dwalen af. ‘Schemertijd’ gaat gewoon over een jongen die aan het begin van zijn leven moeite heeft om zich in dat leven in te passen. Die zich het liefst zou afsluiten van wat zich buiten zijn eigen lichaam en geest afspeelt. Die de wereld niet begrijpt en de wereld hem niet. Onaangepastheid waar je aan went, maar die je een leven lang meedraagt. Onaangepastheid waar je je tegen wapent. Waar je af en toe een halfslachtig geërecteerd middelvingertje naar opsteekt. Door te schrijven bijvoorbeeld.

===================

Beste meneer Bloem,

In 2004 was ik genomineerd voor de tweejaarlijkse J.C. Bloemprijs, voor de beste tweede bundel van een dichter uit ons taalgebied. Ik heb daar toen op dit weblog verslag van uitgebracht. Het weblog als geheugen, prima zo.

Aan elke genomineerde dichter werd gevraagd een gedicht te schrijven dat geïnspireerd is op Bloem. Ik maakte een hilarische parodie van het gedicht Insomnia met als titel ‘Slopersverdriet’

Waar het gedicht van Bloem begint met de regels Denkend aan de dood kan ik niet slapen, / En niet slapend denk ik aan de dood, begon ik mijn gedicht met de regels Denkend aan de daad kan ik niet slopen, / En niet slopend denk ik aan de daad.

Een binnenkoppertje, maar je moet er wel aan denken. Het gaat over een sloper, een man werkzaam in de bouwsector, die te weinig aan zijn seksuele trekken komt. Het gedicht werd acht jaar later opgenomen in mijn bundel Het is fijn om van pluche te zijn.

Een greep uit die aan J.C. Bloem opgedragen gedichten is nu gebundeld in het fraaie boek Beste meneer Bloem, – Een selectie uit 20 jaar op J.C. Bloem geïnspireerd werk. Fijn dat ‘Slopersverdriet’ er ook in staat.

In Knack van 20 juni 2007 wijdde ik een uitgebreid artikel aan de verzamelde gedichten van J.C. Bloem, en zijn biografie door Bart Slijper. Het stuk is hier te lezen, weliswaar alleen voor wie een profiel heeft aangemaakt.

===================

20 jaar dichter (5)

SLOTPLEIDOOI

Ik groeide op in een huis en wereld 
waar welzijn met welvaart werd verward.
Mijn ouders waren kinderen van hun tijd 
die meenden dat je met eten, kleren en 
te weinig zakgeld een kind kon kweken. 
De dingen die er echt toe deden zoals teder- 
en genegenheid waren niet aan hen besteed.

Doe ik het beter? 
Ik denk van wel, vrees van niet, overspeel 
mijn hand, want twee koppen meerder 
dan mijn vader en schijnbaar gezegend met zoveel
meer verstand, is ook mijn inbreng nihil 
en weiger ik alle verantwoordelijkheid
voor wat ik doe en deed.

Edelachtbare, er is geen goed, er is geen kwaad, 
dat zou u toch moeten weten, het spijt me zeer. 
Geef mij het voordeel van de twijfel,
ik ben een exponent van de erfelijkheidsleer.

Ik lees ‘Slotpleidooi’ zo goed als bij elk poëzieoptreden voor. De eerste strofe hakt er serieus in bij het publiek. Na de tweede regel is de zaal stil. Die vijf w’s werken bezwerend. Ik groeide op in een huis en wereld waar welzijn met welvaart werd verward. Ik heb de aandacht meteen vast. En strak.

Na de vijfde versregel wordt de stilte onbehaaglijk. Zo herkenbaar, hoor ik de mensen denken. Na de eerste strofe is de stilte ronduit pijnlijk. Alsof ik er iets aan kan doen, aan al die ongelukkige jeugden. Aan al die drinkende, gewelddadige vaders en die hysterische, zwakzinnige moeders.

De tweede strofe laat zich gemeenzaam samenvatten met het gezegde ‘een aartje naar zijn vaartje’. Vrees niet, lieve lezer van dit weblog. Is de eerste strofe van dit gedicht autobiografisch, de tweede is dat amper. Maar in het gedicht moet ik helemaal op het einde tegenover de rechter mijn vel zien te redden. Ik moet de slechterik in mij naar boven halen, willens nillens.

De eerste twee regels van de laatste strofe lees ik heel luid, ik roep ze bijna. De verontwaardiging van de slechterik die geen fan is van moraliteit, maar beseft dat hij het deksel op de neus zal krijgen.

Met de slotregel sla ik de overeind krabbelende zaal een zoveelste keer K.O. Ik ben een exponent van de erfelijkheidsleer. Bij de eerste voorleesbeurten destijds kreeg ik bij het brengen van de slotregel een niet gespeelde snik in mijn stem.

Ik weet dat ik na dit gedicht altijd iets langer moet pauzeren vooraleer een ander in te zetten. Het publiek mag even naar adem happen, en ik ook. Maar ik heb het gedicht ondertussen zo vaak gebracht op een podium dat de snik weg is. Het is zo langzamerhand theater geworden. Ik wil die diepe stilte horen die na het slotwoord valt, net zoals een voetballer het gejoel van het stadion nadat hij heeft gescoord.

Nochtans vind ik niet dat poëzie vooral emotie moet zijn. Dat heb ik in mijn beginjaren wel eens gedacht, maar dat is niet zo. Een gedicht is een voorwerp van taal. Wat die taal oproept, speelt geen rol, als die taal maar goed zit. Dat kan emotie zijn, maar ook iets anders.

Ik durf na ‘Slotpleidooi’ wel eens vervolgen met een billenkletsgedicht, kwestie van de sfeer terug wat op te krikken. Om het publiek diets te maken: ach, u heeft misschien trauma’s en ik wie weet ook, maar onthoud wat de clown-filosoof Bassie zei. Die zei niet alleen ‘Allememachies’ en in die aflevering met de pannenkoeken ‘Dos calvados’, maar ook zei hij: ‘Altijd blijven lachen’. Blijven lachen, lieve mensen, want we gaan allemaal dood en eenmaal zover heeft het echt geen enkel belang meer of uw leven een hemel was of een hel of iets tussenin.

Nog iets over het woord ‘meerder’ in de betekenis van ‘groter’. Dat zeggen wij zo in ons West-Vlaams dialect. Een Nederlander of een Vlaming uit een andere streek kan dit een fout vinden, maar naar mijn gevoel kon hier alleen maar ‘meerder’ staan en niet ‘groter’.

===================

20 jaar dichter (4)

Bladerend in Inbreng nihil, mijn tweede bundel die volgde anderhalf jaar na Niets met jou, lees ik gedichten die ik me onmogelijk nog herinner. Andere zijn dan weer erg vertrouwd. De ene heb ik nooit voorgelezen tijdens lezingen of festivals, de andere heel vaak.

Een gedicht niet brengen op een podium heeft niets te maken met de kwaliteit ervan. Een dichter moet het de luisteraars niet al te moeilijk maken. Luisteren is lastig. Je moet vermijden dat de toehoorders wegdromen omdat ze niet kunnen volgen. De keuze van voorleesgedichten is daaraan ondergeschikt.

Het valt met de goorheid, waar ik het in deel 3 van deze rubriek over had nog aardig mee in Inbreng nihil. Maar om te tonen dat ik mondjesmaat een gewaagder register opentrok, kies ik uit die bundel voor ‘Er is leven op spuug’.

Er stromen menselijke sappen in dit gedicht. Niet voor de eerste keer en niet voor de laatste keer. Het is een thema dat geen enkele recensent of inleider ooit heeft te berde gebracht. Het gaat altijd over hilariteit en absurde wereld en vervreemding en de bizarre kijk op het gewriemel van de mens.

Dat is allemaal waar. Maar de mens is in de eerste plaats een vochtige zak slachtafval in wording. Misschien is die visie mijn manier om me niet te moeten verzoenen met de dood die vroeg of laat onvermijdelijk zal langskomen. Ik ben vooralsnog geen fan van doodgaan. Meer zelfs, ik ben doodsbang – what’s in a name?

ER IS LEVEN OP SPUUG

De op een na laatste man mijmerde over het gemak waarmee 
hij alles en iedereen had overleefd. Pas jaren later stelde hij 
vast dat de souplesse in wervelkolom hem toeliet om
moeiteloos met de mond zijn genitaliën te beroeren. 

Aanvankelijk hield hij niet zo van de smaak, maar het wende, 
en in de herfst van zijn bestaan spoog hij zich een zoon die 
evenmin de laatste zou zijn geweest, ware het niet dat de jongen 
qua spinale mogelijkheden minder bedeeld was dan zijn vader. 

De werkelijk laatste man rochelde zich de pleuris en herschiep 
de aarde in één grote klodder spuug. In het schuimende speeksel 
ontwikkelde zich de primaire vorm van iets wat eerder niet bestond. 
Jakkes was de gedachte. Evolutie het woord. 

                                                 ===================

20 jaar dichter (3)

20 jaar geleden verscheen mijn debuutbundel Niets met jou. Als het eerste nummer in de prestigieuze Sandwich-reeks onder redactie van Gerrit Komrij, werd daar dan altijd aan toegevoegd, zeker in de tijd dat Komrij nog leefde.

Ik heb eerder op dit weblog al eens gedichten uit Het dikke meisje en de ziener van commentaar voorzien. Het is not done, maar het werd gesmaakt. Ik wil nu hetzelfde doen met een aantal gedichten die ik de voorbije 20 jaar publiceerde, gespreid over 7 bundels.

OEVERS 

Ik probeer het mij soms voor te stellen: 
thuiskomen bij jou,  
je hangt het natte goed te drogen,  
groet me zacht zonder zoen 
met roodomrande ogen.  

Je zoon roept pang pang en om zijn vader  
terwijl hij met zijn vinger naar me schiet.  
Je zegt het wordt wel beter later,  
ik knik van ja maar vrees van niet

want hoezeer ik jij en jij mij graag ziet  
bestaat evenveel als een mens uit water  
de liefde uit verdriet. 

Een gedicht wordt sterker als je het in de ik-vorm schrijft, heb ik altijd beweerd. In nieuw werk, dat mijn werkkamer nog niet verlaten heeft, probeer ik af en toe wat komaf te maken met dat Everyman-gedoe. Je kunt ook een Pol, Barbara of Abdullah opvoeren. Of de hond Fifi, of de kat Fluffie.

In ‘Oevers’, in mijn beginjaren een van mijn lievelingsgedichten, kruip ik in de huid van een man die in een nieuw samengesteld gezin met stiefkind is beland. Dat stiefkind lust hem niet en de relatie tussen de partners lijdt daaronder. Relationele sores heeft mij altijd geboeid. Dat hoeft niet te verwonderen. Zowat alle boeken, films, popsongs … gaan over relationeel gedoe.

‘Oevers’ was een van mijn lievelingsgedichten omwille van de tweede strofe die ik nog altijd fantastisch vind. Maar in strofe drie maak ik het gedicht beduidend minder sterk. Stel dat de wijsheid die erin voorkomt waar zou zijn, dan nog heeft de dichter, ik dus, er zich al te gemakkelijk van af gemaakt. Het gedicht verdiende na die beeldende tweede strofe een betere uitwerking.

Ik had misschien ook de omwille van de klank bewuste taalfout ‘ik jij’ niet moeten maken. Er zijn poëziewatchers die begrippen als ‘graag zien’, ‘liefde’ en ‘verdriet’ onduldbaar vinden in poëzie. Ik ga niet zo ver. Als het past in een gedicht kun je dergelijke ‘grote woorden’ gebruiken.

Ideaal is dat je de ongeschreven wetten van de poëzie een neus zet door met die verboden woorden iets groots uit de mouw te schudden. Dat had ik in gedachten, maar hoewel de slotstrofe niet superslecht is, had ik dit beter moeten doen. Ik had het beeldende van de tweede strofe moeten voortzetten. Show, don’t tell, weet je wel.

‘Oevers’ werd niet opgenomen in mijn verzamelbundel Grootste Hits! De Jaren Nul, die een nochtans ruime selectie bevatte uit mijn eerste drie publicaties. Dat had te maken met die mindere strofe, maar ook met mijn ontwikkeling als dichter.

Tegen de tijd dat Grootste Hits! De Jaren Nul verscheen, eind 2009, had ik mijn poëtische invloeden al lang de rug toegekeerd. In de loop van het eerste decennium van deze eeuw ontdekte ik dat poëzie ook onnozel en goor mag zijn in plaats van lieflijk en sereen. Liefst zelfs.

Mijn statuut veranderde gaandeweg van ‘Ontdekking van de Dichter Des Vaderlands’, voor wie een journalist van De Morgen in het holst van de nacht – nou nou, het was laat, winter en donker, maar toch niet het holst van de nacht, overdrijf je nu niet een beetje, Hoorne? – allerijl het Vlaamse land doorkruiste om mij toch maar als eerste te kunnen interviewen, naar poëtische outcast. Daarover meer in de volgende afleveringen.

===================

20 jaar dichter (2)

20 jaar geleden verscheen mijn debuutbundel Niets met jou. Als het eerste nummer in de prestigieuze Sandwich-reeks onder redactie van Gerrit Komrij, werd daar dan altijd aan toegevoegd, zeker toen Komrij nog leefde.

Ik heb eerder op dit weblog al eens gedichten uit Het dikke meisje en de ziener van commentaar voorzien. Het is not done, maar het werd gesmaakt, zo leerde ik uit de vele reacties. Ik wil nu hetzelfde doen met een aantal gedichten die ik de voorbije 20 jaar publiceerde, gespreid over 7 bundels.

WINTERAVOND

Hoe dit huis bij zichzelf naar binnen kijkt 
en wij amper meer zijn dan spiegeling 
onwetend van wat beweegt buiten 
het schijnsel van de straatlantaarn,

hoe wij naar buiten naar binnen zien 
al die donkere uren onszelf aanschouwen 
als vreemden die steeds weer passeren,

hoe wij in ogen kijken en ons afvragen wie 
wij zijn en waarom precies wij,

en of het ooit weer lente wordt. 

Er schuurt iets tussen de protagonisten die de 'wij' vormen. Ze zijn veroordeeld om hun tijd in dezelfde ruimte door te brengen. Als ze naar buiten kijken, zien ze wat zich onder de straatlantaarn bevindt, en in de reflectie van de ramen zien ze zichzelf en de ander. 

De confrontatie met zowel zichzelf als met die ander is niet prettig. Degene die je vertrouwd is, lijkt in de vorm van een weerspiegeling ineens een vreemde. En ook de eigen spiegeling voelt onprettig aan.

In de derde strofe wordt er door het raam in ogen gekeken. De eigen ogen en die van de ander. Er rijzen vragen als daar zijn: wie zijn wij, wat doen wij hier? Waarom precies wij? Het is de kern van het gedicht. Waarom precies wij hier en nu samen?

Strofen van eerst 4, dan 3, dan 2 regels en tenslotte nog één eenzame regel. Een gedicht als een leeglopende ballon, die mogelijk symbool staat voor de relatie tussen de twee in het gedicht figurerende personen.

De eerste strofen beginnen met hetzelfde woord, een trucje dat soms werkt, soms niet. In dit geval een vragende ‘hoe’ die geen vraagteken behoeft.

Wordt het ooit weer lente? In het gedicht komt geen ‘ik’ en geen ‘jij’ voor, alleen een ‘wij’.

Een klassiek gedicht, zowel qua vorm als qua inhoud, dat mij nog altijd zeer bevalt. Braaf en zonder weerhaken en geheel gespeend van absurdisme. Toen nog wel.

===================

20 jaar dichter (1)

In november is het 20 jaar geleden dat mijn eerste dichtbundel verscheen. Niets met jou. Daar wordt dan soms aan toegevoegd: ‘het 1ste deel in de Sandwich-reeks, onder redactie van Gerrit Komrij’.

Ter gelegenheid van die 20ste verjaardag wil ik de komende weken even terugblikken op de zeven bundels die in die 20 jaar verschenen. Ik zal dat terug doen door geregeld een gedicht te posten met daarbij enig commentaar van mezelf.

Het is not done om als dichter commentaar te geven op je eigen werk, wordt wel eens gezegd, maar hé, in de muziek en in andere kunsten gebeurt het voortdurend.

===================

Buren bij Kunstenaars – 15 & 16 oktober

Ik neem deel aan Buren bij Kunstenaars op 15 en 16 oktober in het Ontmoetingscentrum van Marke. Het is een groepstentoonstelling. Hieronder alle namen van de deelnemers en hun discipline.

Een groepstentoonstelling is niet alleen leuk voor de kunstenaar, die een locatie krijgt aangeboden, maar ook voor u, de bezoeker. Als u individuele kunstenaars bezoekt bij hen thuis of in hun atelier, dan moet u uw dag goed plannen. Reken snel een uurtje per kunstenaar en dan moet u zich tussendoor nog verplaatsen van locatie naar locatie. In het OC van Marke krijg je een stuk of 30 kunstenaars in één klap. En dat dankzij de Culturele Werkgroep Marke.

Ik stel foto’s tentoon die vorig jaar te zien waren in K-Trolle te Roeselare. Wie daar kwam kijken, heeft het dus al gezien, maar is natuurlijk nogmaals welkom. Wie Roeselare gemist heeft, krijgt hier een nieuwe kans.

Ik nam al eens deel in 2020. Hier een impressie.

====================

Ik heb geen smartphone en ben toch redelijk normaal

Het moet gebeurd zijn luttele jaren vóór coronatijd. De wereldwijde afspraak dat iedereen altijd en overal een smartphone binnen handbereik moet hebben. De gsm’kes waarmee je alleen kon bellen en sms’sen verdwenen.

In welke roman, uit welk jaar, schrijft Herman Brusselmans ook alweer dat ook hij, met lichte tegenzin, allicht onder druk van zijn jonge vriendin, overstag ging voor zo’n ding? En hoe lang is die bewuste personeelsvergadering geleden? In de uitnodiging stond: breng uw smartphone mee, als je die niet hebt, dan je laptop. De organisator deed iets met de interactieve polltool Mentimeter. Mijn collega Rudy V. had toen ook nog zo’n mobiel niemendalletje. Ik weet nog dat we onze niemendalletjes aan elkaar toonden, die gsm’s dus, en in een lach schoten.

Nog niet zo bijster lang geleden weer zo’n Mentimeter-moment meegemaakt. De vraag smartphone of laptop werd niet meer gesteld. De organisator ging ervanuit dat iedereen een smartphone had. Daar zat ik dan, als een soort digitaal geamputeerde, tussen collegaatjes die mijn kinderen konden zijn en mij meelijwekkende blikken toewierpen. Er bekroop mij een gevoel dat balanceerde tussen gêne en rebellie. Uiteindelijk overwon bij mij een heldere en eenvoudige gedachte en die luidde: steek uw interactieve poll in uw gat.

Het is geen kwestie van opstandigheid, nostalgie of zuinigheid. Ik heb gewoon geen smartphone nodig. Ik heb genoeg aan mijn pc en laptop, waar ik (te) veel uren achter zit. Voor mijn interviews heb ik een dictafoon. Drukken op REC en klaar. Drukken op PLAY en wederom klaar. Voor in de auto hebben we een TomTom.

Ik heb voor noodsituaties nog zo’n ouwerwetse criminelen-gsm, zoals iemand het ooit omschreef, omdat boeven ze gebruiken om hun louche zaakjes te regelen, waarna ze het ding in tweeën kraken, verpletteren met hun voet of in het kanaal dumpen samen met het afgehakte hoofd van de een of andere rat, niet het dier.

Als ik in een stad op straat de weg vraag aan iemand, dan schrikt de aangesprokene zich een aap. Daar staat een vent voor zijn of haar neus van 1 meter 87 centimeter groot en een eenmanskleerkast breed, die de weg vraagt. Een overvallerstruc? De weg vragen, zie ik die denken, als er terug kleur op de wangetjes verschijnt, dat doe je toch niet meer in 2022, kijk op je smartphone, man. Dan vermeld ik altijd spontaan dat ik geen smartphone heb. Ik moet me jandorie verontschuldigen omdat ik iemand vriendelijk de weg vraag in gesproken taal en niet met een whatsappje of hoe die dingen ook mogen heten.

Er zijn mensen die een smartphone hebben, maar er amper mee overweg kunnen. Zielig hoor, iemand die kromgenekt met een stramme wijsvinger over zo’n glasplaat heen en weer schuift, met een hulpeloze blik in de ogen, want ja, zo’n smartphone, was die niet bedoeld om het leven sneller en gemakkelijker te maken? Wat sta je daar te klooien, joh? Moet ik even naar de bibliotheek rennen, wat we nodig hebben opzoeken in de Grote Winkler Prins en je het antwoord brengen?

Ook geinig: iemand die een routebeschrijving volgt op de smartphone, maar geen kaart kan lezen. Op elke hoek van de straat stilstaan en vertwijfeld straatnaambordjes zoeken. Daar moeten we heen, eindje in die richting lopen, en dan, neen, het is toch de andere kant uit.

Zelfs mensen die twintig jaar ouder zijn dan ik, en dus echt wel oud, zitten verweesd en ietwat onbeholpen naar zo’n plat ding te staren. Vermoedelijk heeft een zoon of dochter gezegd dat ze het nodig hebben, of hebben ze het van diezelfde zoon of dochter cadeau gekregen. Het moet niet altijd een Bongobon zijn, en pépé wordt maar één keer 80 jaar. En met die digitale stress die we hem in geschenkverpakking aanbieden, zal hij wis en zeker de 81 niet halen. Erfenis, yeah!

Mogelijk denken sommigen dat ik arm ben. Dat ik mijn smartphone heb verkocht om mijn energiefactuur te betalen. Gelukkig heb ik een leeftijd bereikt waarop het me nog amper kan schelen wat mensen over mij denken. Dat zal in de toekomst nog verminderen. Nu weet je ook meteen waarom oude mensen koppig en eigenzinnig en soms lastig zijn. Dat zijn ze niet, ze zijn oúd. Dat zijn ze geworden door zich elke dag opnieuw niet onder een trein te gooien. Zoiets verdient respect.

En ik heb gewoon ook niet graag spullen op zak. Ga je ergens heen in de zomer in je hempje en je korte broek, dan moet je zien weg te moffelen: huissleutel, autosleutel, identiteitskaart, rijbewijs, bankkaart, geld, gsm, leesbril in zijn koker, zonnebril in zijn koker. Vreselijk. Ik heb het liefst geen polonaise aan mijn lijf. In de winter kun je alles wegmoffelen in jaszakken, maar dat gaat dan weer ten koste van mijn, ahum, gestroomlijnde verschijning.

Maar het allermooiste en ook best wel zielig, dat zijn al die mensen, vooral jongeren, op perrons, op straat, whatever, waar je maar komt, die op hun ding staan te staren. Aan de achterkant van het station van Kortrijk is een doorsteek die overgaat in een trap naar de sporen. Die doorsteek is ongeveer drie meter op drie. Daar zag ik ooit eens negen jonge jongens en meisjes staan, dicht bij elkaar. Ze konden bij wijze van spreken hun vinger in elkanders reet steken zonder hun arm te strekken, zo dicht. Allemaal te kijken op hun foon. Kenden ze elkaar of kenden ze elkaar niet? Wie zal het zeggen? In elk geval was er nul interactie. Geen interesse in wie de mens is die in hun nek ademt, maar wel scrollend doorheen de beelden van de home made pasta van tante Jeanette, die trots haar kleverige brij vanuit alle hoeken heeft gefotografeerd en die plaatjes per se met de mensheid wil delen.

Toch ben ik af en toe fan van andermans smartphonegebruik. Daar stapte onlangs een groepje van vier allochtone jongeren op de trein, dat door luidkeels in hun broebeltaaltje te swatelen demonstreerde hoezeer het lak had aan integratie. Konden die gatverdamme niet in stilte hun smartphone betokkelen? Zaten hier nu echt de laatste vijf mensen op aarde zonder smartphone in één en dezelfde coupé verzameld?

Enkele maanden geleden was ik aan het nordiccen langs de Leie toen plots in de berm een rinkel weerklonk. Daar lag een smartphone in het gras. Op het scherm stond in grote cijfers: 05:00. Wat was dat? Het was tegen de middag, een klok kon het niet zijn. De cijfers veranderden ook niet. Ik ging even zitten op een bankje, met dat ding, in een zwart hoesje gestoken, in mijn poten, maar ik durfde op geen knopjes te drukken. Ik zag ook helemaal geen knopjes, mijn leesbril had ik niet bij en het helle licht scheen op de glasplaat. Dit ding moest zo snel mogelijk bij de eigenaar geraken. Erezaak, want ik ben een goededadenman. Het verhaal is te saai om te vertellen, maar na amper een kwartier was de foon, dankzij enige doortastendheid en een flinke scheut probleemoplossend denken van mijnentwege, terug bij de moeder van het kind dat hem verloor. Eeuwige dank van echte mensen, dat is pas leuk.

Stel dat we morgen elkander wijsmaken dat we een schietwapen in huis moeten halen. Doen we dat dan? Gekke vraag, zegt u? Niet gekker dan het smartphonecomplot. Die tijd komt eraan. Kunt u uw wijsvinger voor iets anders gebruiken. Of beter: hopelijk niet.

===================

Inleiding bij de dichtbundel ‘Waagzin’ van Geert Viaene

Op zaterdag 1 oktober werd in O666 te Oostende de nieuwe dichtbundel van Geert Viaene voorgesteld. Ik mocht de inleiding verzorgen.

Beste Geert, Samira, geacht publiek

Ik leerde Geert Viaene kennen in het voorjaar van 2012. Hij was ingeschreven voor een poëziecursus die ik gaf in de lokalen van Avansa Brugge, toen nog VormingPlus. Geert is op dat moment tamelijk nieuw in het dichterswereldje. Op 16 maart 2012, dat moet na de derde van vier cursusavonden zijn, vraagt hij me in een e-mail wat de Dikke Komrij is. De Dikke Komrij is de troetelnaam voor de lijvige poëziebloemlezing samengesteld door Gerrit Komrij zaliger. Een week later vraagt hij me, alweer in een mail, wanneer ik de stap heb gezet om gedichten te publiceren en hoe het was om kritiek te krijgen. Hij vraagt hoe het voor mij voelt om recensent te zijn. Nog in dezelfde mail zegt hij dat hij mijn feedback en die van de andere cursisten heel leerrijk vond, en dat de cursus wat hem betreft veel langer had mogen duren. Het is duidelijk dat ik hier te maken heb met iemand die honger heeft. Grote honger, poëziehonger.

Geert zit tijdens de cursusavonden steevast dicht bij mij, aan mijn linkerzijde. De streber van de groep. Ik houd van strebers. Ze illustreren perfect mijn levensmotto: ‘Als je iets wil doen, doe het dan goed, of doe het niet’. Wat meteen verklaart waarom ik heel veel dingen niet doe, maar dit terzijde. De cursisten krijgen tussen de sessies door opdrachten te verwerken. Geert doet meer dan wat hem verwacht wordt. Hij is een schrijfbeest. Er is een website, waar dichters ongefilterd hun werk mogen publiceren. Als ik Storees bezoek, zo heet die site, en hij bestaat nog steeds, dan is daarop één naam prominent aanwezig: Geert Viaene.

Ooit stond op de voorpagina van een Vlaams poëzieblad de hovaardige uitspraak van een dichter, nog niet eens half zo goed als Geert Viaene, die van zichzelf zegt dat hij de Lionel Messi van de poëzie is. Wel, laat Geert Viaene dan de Cristiano Ronaldo van de poëzie zijn. Ik verklaar me nader. Cristiano Ronaldo komt ondanks zijn staat van dienst nog altijd als eerste aan op de club en vertrekt als laatste. Bekend is het verhaal van een Zuid-Amerikaanse voetballer, ploegmaat van Ronaldo, die op zijn eerste werkdag bij zijn nieuwe club indruk wilde maken op de trainer door heel vroeg de fitnesszaal op te zoeken. Toen hij die betrad werd hij begroet door Cristiano Ronaldo, die er net een flinke work-out had op zitten.

Ik wil maar zeggen: ik hou van mensen met een gezonde arbeidsethos, die hun vak bijzonder ernstig nemen, er volledig voor gaan en niet beschaamd zijn om dat toe te geven. ‘Poëzie is als een drug, ik kan niet meer zonder,’ zegt Geert op een Nederlandse website. Zijn werklust legt hem geen windeieren. Geert neemt vaak deel aan poëziewedstrijden en gaat geen schrijfopdracht uit de weg. Zo scherpt hij zijn metier almaar aan. Gooi hem een onderwerp voor de voeten en hij maakt er poëzie van. De gedichten van Geert Viaene werden veelvuldig bekroond en vandaag vieren we de geboorte van zijn derde bundel sinds 2016. Dat is een fraaie frequentie.

Ik sta hier niet op mijn gemak. Net als ik is Geert een perfectionist. Hij verwacht ongetwijfeld dat ik de thema’s uit Waagzin hier een voor een omstandig uit de doeken doe. Om mij alvast een beetje in te dekken voor het geval ik er een potje van maak, zeg ik u dit, geacht publiek: thema’s, moeten wij ons druk maken om zoiets als thema’s? Stel dat ik u twee romans zou aanbieden. De eerste roman handelt over iemand die een wereldreis maakt, op die reis tal van leuke en spannende dingen beleeft et cetera et cetera. Klinkt aantrekkelijk, maar elke zin is gruwelijk mismeesterd en doet pijn aan de ogen. Het boek lijkt wel geschreven door een kind van het derde leerjaar. De tweede roman die ik u voorleg handelt over een man die een schilderijtje ophangt aan een muur. Er gebeurt niets anders dan dit: een man hangt een schilderijtje op aan een muur. Deze roman is briljant geschreven. Bij elke zin gutsen de tranen uit uw ogen, van het lachen, van het huilen, maar vooral omdat u zichzelf vervloekt omdat u nog niet over één procent van het talent beschikt van de auteur van het boek met als titel De man die een schilderij ophangt.

Geert Viaene combineert het beste van beide werelden. Zijn taal is krachtig, zijn stijl verzorgd en zijn thema’s veelzijdig. Geert had het mij gemakkelijk kunnen maken door een eendimensionale bundel te schrijven. Dan had ik kunnen zeggen: dames en heren, Geert Viaene heeft een bundel geschreven over de teloorgang van de koekoeksklok, over de penibele arbeidsomstandigheden van de mijnwerkers in Chili of over de invloed van The Spice Girls op de genderproblematiek van de 21ste eeuw. Niets van dat alles.

Ik besloot mijn queeste te beginnen bij de titel en de cover, want reken maar dat Geert voor beide niet over één nacht ijs is gegaan. De titel. Waagzin. ‘Waagzin’ is een neologisme dat refereert aan ‘waanzin’. ‘Waagzin’ is zin om iets te wagen. ‘Wagen’ betekent volgens Van Dale ‘op het spel zetten’. Je niet door angst of onzekerheid laten tegenhouden. ‘Waagzin’ is goesting hebben om iets te doen waarvan je niet weet of het goed zal aflopen.

De coverfoto is gemaakt door Koen Demuynck, een bevriend fotograaf. Een man staat in de duinen, hoog op een ladder. In de verte is de zee te zien. De ladder wordt op de grond vastgehouden door een andere man. De man op de ladder maakt een foto van een vogel. De ladder is uit balans. Het zal maar even duren vooraleer de man op de ladder ter aarde stort, terwijl de vogel onverstoorbaar in de lucht blijft hangen.

Er wordt in deze bundel enkele keren gevallen, maar zonder veel erg. In het gedicht ‘Stoom jezelf klaar’ is het vallen, ik citeer, ‘het begin van je show’. Eén gedicht verder is het vallen geruisloos. In het gedicht ‘Hoe massief is waagzin’ staat dan weer dat iedereen kan leren vallen. Om dan langzaam weer recht te krabben. ‘Krabben’ staat er, niet ‘krabbelen’. Krabben is met poten of nagels krassen. Het is ook het meervoud van krab. Geen toeval allicht dat Geert hier koos voor krabben in plaats van het meer voor de hand liggende krabbelen. De liefde voor de zee, voor de natuur is door heel de bundel verweven.

In sommige uitgeverijen worden de flapteksten geschreven door een redacteur. Meestal is de dichter daar niet helemaal tevreden over. Ik voel aan mijn water dat Geert zijn flappen zelf schrijft. Flappen zijn belangrijk. Het is de flaptekst die potentiële kopers moet bekoren. Ik lees de zijflap vooraan: We zetten alles in op de twijfel. Jij bent het experiment. Je durft het aan je onder te dompelen in een ander soort zin. Dit is je bestemming: Anarchipel, een utopisch oord waar iedereen welkom is, waar je het gevoel krijgt er bij te horen. Er is plaats voor het menselijk tekort. Is die jij de vallende mens, vraag ik me af. Moet de mens gereset worden? Is het daarom dat vallen quasi pijnloos is, omdat er na het recht krabben een land, Anarchipel genaamd, op ons wacht? ‘Welkom in Anarchipel’, lezen we op pagina 16. Is Anarchipel een Atlantis 2.0? In elk geval zit er een verwijzing in naar Archipel, de dichtbundel van Paul Snoek. Het motto van de bundel komt van Snoek: ik ben een ruïne van de zee / omringd door alle namen van het water / waar elke droom een eiland wordt. De tweede afdeling van Waagzin heet ‘Zeeruïnes’. Daarover straks meer. Het is sowieso een plek waar iedereen welkom is. Hier spreekt Geert Viaene, de wereldburger, de globalist.

Het eerste deel van de bundel heeft als titel ‘Een waagzinnige reis’. Het is geen rechtlijnige reis van punt A naar punt B. Er worden nogal wat lussen getrokken en loopings gemaakt. Welkom in Anarchipel. Mag ik de plaatsnaam lezen als de samentrekking van anarchie en archipel? Heeft de dichter het zo bedoeld? Een geromantiseerde anarchie misschien. Nogmaals: wat voor een wereld is Anarchipel? De flaptekst zegt: een oord waar iedereen welkom is, waar je het gevoel krijgt er bij te horen en ook nog er is plaats voor het menselijk tekort.

Dat laatste houdt mij bezig. Het menselijk tekort is de Nederlandse vertaling van La condition humaine van André Malraux, een boek over revolutie. De Engelse titel luidt overigens Man’s fate, het lot van de mens. Moet de mens vallen om zich nadien onder te dompelen in een ander soort zin? Zin, zo staat het in de flaptekst. Drie letters, een woordje dat we allemaal kennen, maar ik weet, dit is een bundel van Geert Viaene, ik mag nergens zomaar overheen lezen. Zin betekent volgens Van Dale zowel verstand, gevoel, begeerte als nut. Ziehier het genie van Geert Viaene. Je denkt als lezer: een ander soort zin, wat is dat nu voor een zin, maar ontcijfer ze en je schiet een heel eind op. Het gedicht ‘Iedereen kent iedereen’ over de begrafenis van een moeder eindigt met de regels ‘mama, ik moet het toegeven / je doet je best aanwezig te zijn / je bent een vogel die migreert // je kent geen grenzen, je vindt zin / buiten de straat het dorp de stad / je vliegt over grijze blokkendozen.’

O, hoor ik u denken, is dat het? Heeft Geert Viaene een bundel gemaakt over het leven in een nieuwe, geïdealiseerde wereld? Een wereld waar we heen gaan als we van een ladder vallen omdat we te hoog hebben geklommen en onze nek breken? Neen, zo eenvoudig is het niet. De bundel start met een aantal gedichten die kunnen gelezen worden als gedichten over ziekte. Maar die ziekte kan ook staan voor het zich klaarmaken voor het vertrek naar Anarchipel. Ik stel mij te veel vragen, merkte ik, terwijl ik de bundel voor de zoveelste keer las.

Het is heerlijk rondstruinen in Waagzin. Sommige gedichten hebben een science-fiction-uitstraling, andere zijn dan weer zo aards en volks als maar zijn kan. Pinball Wizard van The Who passeert de revue, alsook L’Origine du Monde, het vaginaschilderij van Gustave Courbet, maar het kan ook de film zijn. De film L’Origine du Monde gaat over een man die ineens merkt dat zijn hart niet meer klopt. Hij is echter bij bewustzijn, hij spreekt, hij beweegt. Leeft hij nog? Is hij al dood? Het onderwerp van de film sluit aan bij Waagzin. Verder botsen we in de bundel op een aantal figuren zoals Mehmet die nog altijd wacht op zijn universiteitsdiploma uit Damascus, Ganjargal en Mumtaaz uit Mongolië en niet te vergeten Tania, die een cabardouche uitbaat en in meerdere gedichten haar opwachting maakt.

Over naar het tweede deel van Waagzin met als titel ‘Zeeruïnes’. De zijflap achteraan maakt melding van de film Making a splash van de Britse regisseur Peter Greenaway. Greenaway maakte veel films waarin water centraal staat. Hij woont in Amsterdam, onder zeeniveau. Hij zegt het volgende over water: Water is een nuttige vriend, een verschrikkelijke meester. De Bijbelse zondvloed vernietigde de schepping. Het zou zo weer kunnen. En hij zegt ook nog dit: Het eerste waar we naar zoeken in ons verlangen om contact te maken met buitenaardse wezens is de aanwezigheid van water. We kunnen anticiperen op de komende wateroorlogen. De zeeën stijgen, delen van de wereld staan ​​al onder water. Einde citaat. Kortom, beste mensen, water is alles. U en ik zijn vooral water, we zijn het en we kunnen niet zonder.

Badparels komen in zee terecht / oesters verslikken zich in hun eigen / luchtbellen, al in de eerste regel van de afdeling ‘Zeeruïnes’ uit Geert Viaene zijn bekommernis om de zee en alles wat zich onder het wateroppervlak bevindt. Met het gedicht ‘Akkoord voor de Noodzee 2030’ was Geert Viaene een van de drie winnaars van de schrijfactie ‘Zo spreekt de zee’. De dichter trekt in een aanklacht tegen het mismeesteren van de zee een nieuw register open, met neologismen en een speelse taal die eigenlijk dwars op de inhoud staat en precies daardoor opvalt en bekoort. Ik citeer: we zijn akkoord // om met je te lunchen, je te lynchen / je gezamenlijk te vermoorden, zee // met je vissige vissen in die wijde / weide, je meent, je meent het, je // meent het toch niet, de kinderen / spelen, beminnen, aanbidden je // opgedroogd zout, wie blijft er aan / boord terwijl de hele vloot vergaat // vraag het aan het water, vraag ‘t / vervaag het, waag het allemaal. En zo komen we terug uit bij Waagzin.

‘Laat de zee de zee’ luidt de titel van het navolgende gedicht. Het gaat om meer dan de zee. De bekommernis gaat uit naar de gehele planeet en de universele mens. Noem Waagzin alstublieft geen klimaatbundel, noem dit geen natuur- of landschapspoëzie. Dat zou een belediging zijn voor dit formidabele en gevarieerde werkstuk waarin gedichten staan die effenaf perfect zijn. Centraal in de bundel staat de mens. Mensen van hier, mensen van elders. Geert Viaene is een uomo universale. Een definitie die ik vond van uomo universale luidt: iemand met een goed ontwikkeld atletisch lichaam, een scherp verstand en bekwaamheden op veel gebieden, met name in de kunsten. Klopt helemaal, want Geert is behalve dichter ook straatmuzikant, langeafstandsloper en opvoeder.

Ik wil graag, alvorens nog iets te zeggen over de vorm, een van die perfecte gedichten voorlezen. De titel is ‘Door de aders van bloesemwitte lakens’.

DOOR DE ADERS VAN BLOESEMWITTE LAKENS

het matras is nog lauw en lichtjes ingezakt waar zij lag
zij houdt eraan na het vrijen op te staan om te plassen
en zich daarna in te zepen, wat kan er mooier zijn dan

haar arm die op en neer glijdt, het washandje dat drupt,
dat zich tussen haar benen wringt of het zweet uit haar
oksels spoelt, dat rond haar borsten walst en haar buik

besprenkelt, waarna zij terug naast jou komt liggen, zij
dampt nog een beetje, zoals paarden ‘s morgensvroeg
in de weide briest zij, zij schudt haar lange zwarte haar

heen en weer voor zij haar hoofd op het kussen schikt
traagjes herneemt het opzwepen zich van voor af aan
het matras beweegt en is opgeschrikt, heel even maar

Mocht u het gedicht dat ik net las op papier kunnen zien, dan zou u merken dat het zich tussen twee quasi volmaakt verticale denkbeeldige lijnen bevindt. U denkt misschien, o dat is gemakkelijk, daar bestaat in Word de functie ‘Uitvullen’ voor, Ctrl-J. Maar die gebruikt Geert helemaal niet. Probeer maar eens een gedicht te schrijven zoals ‘Wij jubelen het schuim op onze mond’ dat bestaat uit 22 regels die, op een luttele millimeter na, allemaal even breed zijn. Met enjambementen alleen red je het niet. Hier is over nagedacht. De strofen bestaan bijna overal uit twee of drie versregels. Zelden wordt hiervan afgeweken. Geert gebruikt geen hoofdletters en punten, wel komma’s en dubbelepunten.

Dit is geen ik-bundel. Het woord ‘ik’ komt nauwelijks voor. Het woord ‘je’ des te meer. 166 keer, dat is het totaal van de ‘je’ als persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord. Als ‘je’ zo vaak gebruikt wordt, dan wordt dat een soort synoniem van ‘ik’, maar minder ikkerig dan dat er ‘ik’ zou staan. ‘Je’ is bescheidener. ‘Je’ vraagt betrokkenheid van de lezer. Maar die lezer is ook maar een mens. Hij mag getutoyeerd worden. Het persoonlijk voornaamwoord ‘u’ komt geen enkele keer voor. ‘We’ en ‘wij’ komen samen 38 keer voor en dan nog voornamelijk geconcentreerd in een luttel aantal gedichten.

Ik moet het nog even hebben over de titels van de gedichten. De titels nodigen uit om het gedicht te lezen. Ze vatten het gedicht niet samen waardoor je de inhoud van het gedicht al op voorhand kent. Evenmin zijn ze nietszeggend en er bij de haren bijgesleurd als een soort klus die moet volbracht worden. Titels zijn belangrijk en ze zijn net goed. Ze zijn pittig en geven iets prijs. Ze maken nieuwsgierig alsof je binnenkomt in een huis waar het heerlijk geurt naar lekker eten. Je wil zien wat er bereid wordt en meer nog, je wil zo snel mogelijk aan tafel aanschuiven. Enkele voorbeelden van titels: ‘De strikte richtlijnen om te genezen van muziek’, ‘Het uitzicht van iemand die valt’, ‘Tania’s papegaai houdt absoluut niet van willekeur’ of ‘De verf zit nog onder de nagels’.

Geert Viaene, mijn pupil van tien jaar geleden, heeft met Waagzin een dichtbundel afgeleverd die de komende weken in de gespecialiseerde en hopelijk ook andere media alom zal bejubeld worden. Ik schroom me om hem ‘mijn pupil’ te noemen. Heb ik, omdat Geert destijds één of twee kortlopende poëziecursussen bij mij volgde, een verdienste aan zijn ontwikkeling? Jazeker. Een half procentje misschien. Maximum. De andere 99,5 procent is de verdienste van mogelijk anderen en vooral van Geert zelf. De taalvaardigheid die Geert Viaene in zijn poëzie etaleert, die was er al, die is er altijd geweest en die zal er altijd zijn. Taalgevoel is zoals balgevoel of een rekenknobbel. Je krijgt het mee met de geboorte. Je kunt het talent ontwikkelen of in de grond stoppen. Geert Viaene stortte zich resoluut op het eerste. Ik wil eindigen met een cliché dat vandaag allerminst een cliché is: deze poëzie verdient veel lezers. Ik zou zeggen: aanschuiven straks bij Leo om de bundel op te halen. Ik dank u voor uw aandacht.

Philip Hoorne
1 oktober 2022

===================

Oude voetbalactualiteit

Hieronder twee oude voetbalberichten die dateren van anderhalf tot twee jaar geleden, maar terug hyperactueel zijn.

Ik las onlangs een commentaar van iemand die beweert dat hoe langer hoe meer Belgen stilaan niet voor maar tegen de Rode Duivels supporteren. Ik kan me daar helemaal in vinden. De laatste keer dat ik voor onze nationale ploeg supporterde moet de halve finale van het WK in Rusland geweest zijn.

De gouden generatie, zoals ze wordt genoemd – klatergoud – werd en wordt helemaal mismeesterd door de bondscoach Roberto Martinez.

Hein Vanhaezebrouck, vrijspreker par excellence, vroeg zich onlangs publiekelijk af of het toeval is dat Martinez vooral nieuwe spelers haalt bij het sukkelende Anderlecht. Of zit daar meer achter? Dan krijgt Hein de wind van voren van mensen die de man spelen en niet de bal, maar velen geven hem gelijk. Trouwens, als Hein iets zegt, heeft hij meestal gelijk. Het is moedig dat hij de controverse niet schuwt in de wetenschap dat hij, zelf deel uitmakend van het wereldje, daar nadelige gevolgen van zou kunnen ondervinden.

Veel meer dan dat is er aan de hand, maar laten we er verder geen woorden aan vuil maken en ons straks verkneukelen in de roemloze aftocht van de Duivels (sic) in Qatar. Ik wil het voor geen geld ter wereld missen.

===================

Retoriek moet je bestrijden met retoriek

Toen zijn baas eindelijk een einde breide aan zijn reprimande en zelfvoldaan achterover leunde om nog wat na te genieten van zijn kordate welbespraaktheid, liet Abel Landsheere een strategische stilte vallen. Toen de directeur nog verder achterover leunde en zijn prooi monkelend monsterde, kreeg Abel ineens zin om hem een trap in zijn ballen te geven, maar Abel liet dat na, want hij was een zachtaardig type en bovendien van mening dat retoriek met retoriek moet worden bestreden.

Hij haalde diep adem en zei toen met vaste stem: ‘Mijnheer de directeur, wat u mij verwijt is wel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel vooringenomen en heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel heel erg niet op feiten gebaseerd en nog veel meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer …’

Dat de grote baas Abel tijdens diens repliek een keer of vijf probeerde te onderbreken, vond Abel bijzonder onbeschoft. Maar Abel liet zich het woord niet ontfutselen. Hij had het recht om zijn visie op de feiten weer te geven.

‘… meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer meer…’

Omstreeks lunchuur zuchtte de directeur diep, stond op, nam zijn jas en verliet de kamer. Abel liet zijn woorden uitfaden, hij kon toch moeilijk tegen de muren praten, en toen werd het stil, op het geklingel van een verre kerkklok na. Mij onderbreken, tot daar aan toe, dacht Abel, maar mij niet eens laten uitspreken, hoe durft hij, de brutale vlerk. Ik had mijn zachtmoedige inborst en mijn zin voor redelijkheid beter opzij gezet en hem alsnog die trap in zijn ballen moeten geven.

===================

Het voor de Belgen succesvolle WK Wielrennen bij de profs in Wollongong nu al voor u samengevat

Mee schuiven in elke ontsnapping.

Eten en drinken en andermans bord leeg eten.

Geen trap te veel geven.

Remco gaat op 45 km van de aankomst.

Eten en drinken en andermans bord leeg eten.

Geen trap te veel geven.

Remco wordt gegrepen.

Eten en drinken en andermans bord leeg eten.

Geen trap te veel geven.

Beginnen trappen als zot.

Wout in stelling brengen.

Wout maakt het af (in een klein groepje).

Hoe moeilijk kan het zijn?

===================

Moet er nog gecanceld worden (slot)

Malle Babbe kom
Malle Babbe kom hier
Lekker stuk, malle meid
Lekker dier van plezier
Malle Babbe is rond
Malle Babbe is blond
Een zoen op je mond
Malle Babbe, je lekkere kont

Soms zoekt men het een beetje zelf. Zou dit lied van Robe de Nijs nog gedraaid worden op de radio? Neen toch zeker? Nu nog? Kan niet, onmogelijk!

Laten we het refrein eens onder de loep nemen. Een vrouw Babbe genaamd, wat een bijnaam kan zijn voor Babette of Barbara of iets van die strekking, wordt door een manspersoon gevraagd bij hem te komen. Babbe wordt mal genoemd. Mal betekent dom, gek. Babbe wordt niet alleen mal genoemd, maar ook omschreven als een lekker stuk en een lekker dier van plezier.

De tekstschrijver maakt de link tussen dom, dik en blond zijn, daarmee een aantal kwetsende vooroordelen voedend. U moet er trouwens eens op letten hoe vaak men in films of series een niet al te snuggere dikzak opvoert die de held voor de voeten loopt of hem door zijn stommiteiten ongewild dwarsboomt. Meestal is die dikkerd altijd aan het eten en aan het zweten, is hij moeilijk tot enige beweging aan te sporen, is hij ook nog eens arrogant en onbeleefd, of integendeel, is hij zo soft en wollig als het wolligste watje en banger dan de grootste angsthaas. Met de regelmaat van de klok maakt hij zich onsterfelijk belachelijk.

Terug naar het lied van Rob de Nijs. Babbe krijgt op het einde van het refrein nog een heel waarschijnlijk ongewenste zoen op haar mond en zonder ook maar enige schaamte wordt en plein public gesteld dat zij een lekkere kont heeft. Yep, alsof al het voorgaande nog niet erg genoeg was, kon dit er ook nog wel bij.

Dit is toch al gecanceld? Dit kan toch niet anders? Eilaas. Wat kopt de kwaliteitskrant De Morgen op 11 januari 2020? Rob De Nijs gaat met pensioen, maar ‘Malle Babbe’ blijft onsterfelijk. Gatverdamme. Het wordt nog voorgesteld als een van zijn grootste klassiekers ook! De tenenkrullende willekeur van de cancelcultuur.

Genoeg! Deze reeks, waarvan de ironie u hopelijk niet is ontgaan, stopt hier. Ik wil de cancelmaffia niet op ideeën brengen.

Even ernstig nu. Blijf af van de culturele geschiedenis. Voed liever de mensen op, onderwijs ze, geef ze duiding, leer ze hun geschiedenis en dé geschiedenis. Kijk niet naar het verleden met de ogen van vandaag, maar trek lessen uit dat verleden. Als alles wordt uitgeveegd, zijn er geen lessen meer te trekken.

Wat een hel zou het niet zijn als morgen iedereen met een uitgewist geheugen wakker wordt in een blanco wereld. Geen moraal, geen waarden, noppes. Je gaat naar de bakker, bestelt een achtgranenbrood en de klant achter jou in de rij hakt je hoofd eraf. Ah ja, weet hij veel of dat mag of niet. Het ging sneller, vond hij, als het hoofd dat op jouw romp stond ophield met praten, dus chop chop, dat soort toestanden zouden we meemaken. Als we de barbarij van het verleden wegmoffelen, krijgen we alleen maar nieuwe barbarij in de plaats.

Cancelen kun je vergelijken met het aanleggen van een verkeersremmer. Omdat sommige automobilisten zich niet houden aan de regels, brengen we bulten aan op onze goed berijdbare wegen. Mocht iedereen zich aan de maximumsnelheid houden, dan moesten we die obstakels niet aanbrengen. Denk daar maar eens over na.

===================

Straffe Roger stopt ermee

Straffe Roger, zo noemde ik hem bij mezelf. Spreek uit: Roozjee.

De schoonste eenhandige backhand van het circuit. Een en al elegantie. Het mannelijk equivalent van Justine Henin.

Het mooiste was dat hij bij het slaan van die backhand met zijn rechtervoet heel even op de tippen van zijn tenen stond. De rechterarm helemaal uitgezwaaid en met de linker het evenwicht herstellend, keek hij voor een fractie van een milliseconde naar de plek in het heilige gras waar daarnet nog de bal stuiterde.

Een ballerina op Wimbledon.

===================

Moet er nog gecanceld worden? (7)


‘k Weet nog hoe je zei ‘hé lekker beest’
Klonk toen in mijn oren als een feest

Of de aanspreking ‘hé lekker beest’ nu wordt uitgesproken door een man, een vrouw, een onzijdige, een dubbelzijdige of een baviaan met een voorbindpenis, dit is nooit, maar dan ook nooit oké.

Who’s side are you on, mevrouw A? Wat was het plan toen u dit lied met uw gat schuddend playbackte op het Tien Om Te Zien-podium in Blankenberge of all places, sowieso al de goorste kustplaats tussen Kaap Sint-Vincent en de Barentzzee? Anderhalve eeuw feminisme kelderen, of wat?

Oké, u was een kind nog, u deed wat anderen u opdroegen. En die anderen dachten: hé, laten we even, hihi, een liedje maken, haha, met een, huhu, ondeugende titel, bloosbloos. En ene zei: luister eens mannen, luister eens, we laten het liedje zingen, luister goed hé, we laten het liedje zingen door een bakvis. Applaus alom. Dat zal geheid een hit worden, riep een ander, en het applaus zwol aan tot iedereen aanwezig een hartverzakking nabij was.

Het werd een hit. Maar we zijn nu 32 jaar later. ‘Hé lekker beest’ zeggen tegen een homo sapiens, neen, dat doen we niet meer. ‘Hé lekker beest’ zeggen tegen een dier is trouwens ook wel best gestoord. Bij elke zin die we vandaag uitspreken, moeten we eerst drie keer onze mond spoelen met Hextril. 32 jaar geleden kon je nog op de Meir op een stoeltje gaan zitten en ‘neger’ roepen naar iedereen die eruitzag als een te lang aangekorst biefstuk of ‘bleekscheet’ naar iedereen die eruitzag als een doos vanille roomijs. Bedoeld als een vorm van minimalistisch straattheater uiteraard.

De aanpassing in Van Dale moet nog gebeuren, maar tegenwoordig schrijven we ‘neger’ als ‘n***r’. En ‘bleekscheet’ als ‘bl**ksch**t’. Alsof we in een opname van Rad van Fortuin leven en de bordjesdraaier is halverwege het spel onwel geworden en er is geen vervanger voorhanden.

===================

Moet er nog gecanceld worden? (6)

Ik kan niet naar Duitsland, daar zijn ze zo streng
Waar kan ik heen, ik kan niet naar Chili
Ik wil niet naar Chili, daar doen ze zo eng

[…]

Waar kan ik heen, ik kan niet naar Noord-Ierland
Niet naar Noord-Ierland, daar gaat alles stuk
Waar kan ik heen, ik kan niet naar China
Ik ga niet naar China, dat wordt me te druk
Ik wil niet wonen in Schotland
Want Schotland dat is me te nat
En de U.S.S.S.R. Dat gaat me net te ver

Je moet het maar doen. In een en hetzelfde lied refereren naar Nazi-Duitsland, de Chileense dictatuur, de Noord-Ierse burgeroorlog en in een moeite door ook nog even de afschaffing van de Chinese eenkindpolitiek op de korrel nemen, de Schotse toeristische dienst schofferen en het verlangen van Vladimir Poetin naar een groot Russisch rijk nog wat meer aanwakkeren door in de naam U.S.S.R. een extra S in te lassen.

De naties die zich beledigd voelen, wil ik op het hart drukken: Het Goede Doel is een Nederlandse band, geen Belgische. Ik herhaal: een Nederlandse, geen Belgische. België heeft hier niks mee te maken. Die hoes, dat is fake news! Die is zo ontworpen om u te misleiden. Hollanders, ja, die hebben het gedaan. The Netherlands, yes, daar moet u wezen met uw tanks en uw mortieren.

===================

Moet er nog gecanceld worden? (5)

Zeg ‘ns meisje
Waar ga jij vanavond heen
Zeg ‘ns meisje
Ben je zo alleen
Zeg ‘ns meisje
Ik heb een idee

[…]

‘k Wil je leren kennen
Jou eens fijn verwennen

Zeg ‘ns meisje van Paul Severs kwam uit in 1991. Dat is vijf jaar vóór de zaak Dutroux. Dat is jaren vóór je als meisje niet langer in de buitenwereld kon rondlopen zonder door kerels van divers pluimage te worden lastiggevallen. In de loop van dit millennium heeft een verval van zeden opgang gemaakt in onze samenleving. Die ging bij velen gepaard met een toenemend gebrek aan respect jegens alles en iedereen, ten faveure van narcisme, egoïsme, hedonisme en nog wel een aantal laakbare -ismen.

De tijdsgeest heeft dit nummer met een dubbelzinnigheid beladen, die de brave borst Paul Severs – God hebbe zijn ziel – nooit zo bedoeld heeft. Maar helaas staat er wat er staat. Een meisje wordt aangesproken door een man, die vraagt of zij alleen op stap is. Na bevestigend antwoord, tussen de regels te lezen, stelt de man voor haar eens fijn te verwennen.

In 1991 kon dat nog met een ijsje, een lolly of een banaan, waarmee ik ook echt bedoel de etenswaren ijsje, lolly of banaan. Tegenwoordig zet je het als jongedame maar beter luidkeels op een lopen en grijp je snel in je handtas naar een scherpe sleutel of naar je surrogaatpepperspray, een busje haarlak, als de een of andere manskerel je vraagt waar je heen gaat, of je alleen bent, zegt dat hij een idee heeft, je wil leren kennen en je eens fijn wil verwennen. Want dat idee zal wis en zeker niet zijn om samen met hem even de ter discussie staande eindtermen van het middelbaar onderwijs onder de loep te nemen.

Het spijt me, waarde Paul, maar dit is 2022, het jaar van de bordenwisser, de Swiffer en de delete-knop. Het maatschappelijk belang primeert op de individuele artistieke vrijheid. Uw tekst die in 1991 nog als suf, idioot en vooral onschuldig werd aanzien, kan tegenwoordig mogelijk enige ongeleide testosteronprojectielen op ideeën brengen. Dat risico kunnen we echt niet nemen. Het is dan ook met pijn in het hart dat ik niet anders kan dan het stempel ‘Cancelled’ op de hoes te slaan. Voilà, het staat erop.

===================

Moet er nog gecanceld worden? (4)

Drink rode wijn, dan vergeet je al je zorgen
Drink rode wijn, want dan denk je niet aan morgen
Doe net als ik want de eenzaamheid kan vreeslijk zijn, mijn hart doet pijn

Ik weet niet of Joe Harris nog leeft of al aan levercirrose is overleden. In het laatste geval wil ik innig mijn deelneming betuigen door te zeggen: eigen schuld, dikke bult, wino.

Eén glaasje rode wijn per dag zou niet slecht zijn voor de gezondheid, maar het is duidelijk dat de heer Harris aanspoort om grote hoeveelheden van die geestesvernietigende drank in de slokdarm te kletsen. Let op de imperatieven. Drink! Doe net als ik! Klinkt het niet dictatoriaal?

Je zorgen vergeten, oké, maar daarmee zijn die niet van de baan. Niet denken aan morgen, al goed en wel, maar wat doen we met overmorgen en de dagen daarna?

Zijn hart doet pijn, haha, en dat wijt hij natuurlijk aan de eenzaamheid. Die goeie ouwe eenzaamheid heeft het weer gedaan. Een eenzame plek opzoeken om in stilte wijnflessen soldaat te maken, dat is geen eenzaamheid. Zoiets noemen we thuisdrinken. Zijn hart doet pijn! Van te veel te zuipen, ja.

Dag, enige hit van Joe Harris, tot nooit meer!

Alweer een diabolisch plaatje afgevoerd. Santé!

===================

Moet er nog gecanceld worden? (3)

Meisjes met rode haren
Die kunnen kussen, dat is niet mis
Meisjes met rode haren
Kunnen je zeggen, wat liefde is 

Ai, ai, ai. Dit is pijnlijk, bijzonder pijnlijk. Fout, fouter, foutst.

Of moet ik zeggen: Faust, want het illustere heerschap Arne Jansen ontpopt zich hier als de baarlijke duivel zelve door de haarkleur van meisjes, waarvan ik mag hopen dat ze ouder zijn dan 18, te linken aan hun intieme vaardigheden. En daarenboven die intieme vaardigheden in rechte lijn gelijk te schakelen met zoiets groots als de liefde, die voor zover ik weet meer inhoudt dan alleen maar muilen.

Kunnen meisjes met rode haren goed strijken, afwassen, thee zetten, appels schillen, onkruid wieden, de kelder witten en eitjes bakken? Dat zegt mijnheer Jansen er allemaal niet bij. Kussen is het enige wat hem interesseert. Gekloven, kapot gesabbelde lippen? Je verdiende loon, enge man!

En hoe moeten meisjes met bruine, zwarte, blonde, blauwe en purperen haren zich wel niet voelen? En de ietwat oudere grijze vrouw die haar manen rood verft en de term meisje ontgroeid is? Daar al eens aan gedacht, viespeuk?

Mogelijk is dit het lijflied van Midas Dekkers, hevige fan van roodharige deernen, maar ik laat mij in deze niet vermurwen door de voorliefdes van mijn favoriete bioloog. Dit wansmakelijke lied gaat per direct de vuilniszak in en die draag ik vandaag nog hoogstpersoonlijk naar de afvalbelt waar ik hem eigenhandig bij het grofvuil zal uitkieperen.

===================

Moet er nog gecanceld worden? (2)

Hoezo, arme Joe?

Er zijn geen armen, net zo min als er gehandicapten en daklozen zijn. Een mens is meer dan het beklagenswaardige label dat we gedurende decennia als een cynische aprilvis aan zijn rug hebben gehangen.

We spreken in deze wakkere tijden niet langer over een arme, maar over een mens in armoede. Niet over een gehandicapte, maar over een persoon met een handicap. Niet over een dakloze, maar over een mens in dakloosheid. Waarom het makkelijk maken als het moeilijk ook kan?

We spreken niet over een gulzigaard, maar over een mens die vaak honger heeft. Niet over een geilaard, maar over een persoon met te veel sperma in zijn ballen. Of haar ballen. Of de ballen van het. Whatever. De ballen van iemand van de LGBTQSIUYTKLA-+:*#. Is dat oké? Heb ik iedereen nu genoemd?

Deze en andere gevoeligheden kon u in 1967 allemaal nog niet bevroeden, meneer Blanckaert, maar dat is geen excuus. U mag ginds aansluiten, in de rij waar u onder andere Kuifje, Jef Geeraerts, de zwarte Zwarte Pieten en de scenarioschrijvers van FC De Kampioenen zult aantreffen. Die staan daar voor andere overtredingen dan de uwe, maar cancelen is cancelen.

Arme Will. Correctie: Will waarvan er voortaan één plaatje minder op de radio te horen zal zijn. Minstens één, want de rest van uw oeuvre wordt ook nog gecancelscreend. Misschien heeft u ook wel ergens in een liedje het woord dat begint met ne- en eindigt op -ger gebruikt. Grondig onderzoek zal dit uitwijzen.

In het ergste geval zou uw muzikale nalatenschap wel eens heel erg hopeloos kunnen worden. Doch vooralsnog geen paniek. Hoop doet leven. En stop met Moa Ven Toh te zeggen. Welkom in 2022, Will.

===================

Moet er nog gecanceld worden? (1)

Zeven anjers, zeven rozen
Een bruidsboeket voor jou

Een bruidsboeket, Willy? Waarom geen bruidegomsboeket? Of een jij-moet-jouw-gender-nog-ontdekkenboeket?

U hield, niet gehinderd door enige vorm van toekomstvisie, in 1971, toen deze vermaledijde hit op de argeloze Vlaming werd losgelaten, vast aan het heterohuwelijk als enige mogelijke echtelijke verbintenis, en moest dit per se op radio, televisie, braderieën en pensenkermissen uit de luidsprekers laten knallen?

Zo zijn we niet getrouwd, mijnheer Sommers. We zullen uw plaatje veilig en voorgoed opbergen achter slot en grendel. Als een leeuw in een kooi.

===================

Piet Piryns klopt zich op de borst in Knack en heeft niks zinnigs te zeggen over woke

‘Hoe kijkt Piet Piryns naar de cancelcultuur’ staat er uitdagend in de inhoudstafel van Knack nr. 32 van het jaar 2022. Ha, die Piet, interessant, denk ik, dat wil ik wel lezen. Maar in tegenstelling tot Dyab Abou Jahjah, die enkele nummers eerder het hele woke-ding fileerde en afschoot, mét een karrevracht argumentatie, zegt die goeie ouwe Piet helemaal niets over de cancelcultuur, alleen dat hij het ‘een beetje gehad heeft met dat gekakel over woke’.

Piet krijgt daarentegen een forum om het nog eens te hebben over de ‘Summer of Love’, mei ’68, Cambodja, Provo, de witte fietsen (die van Amsterdam, niet die van de Veluwe) en over de zalige tijd toen iedere journalist een kettingrokende alcoholieker was. Hij debiteert spitse zinnen die hij uitsprak in rouwspeeches voor overleden vrienden. Kijk eens hoe welbespraakt ik ben.

En het gaat natuurlijk over hoe kritisch hij als journalist was, altijd vergezeld van een al even kritische collega, want met twee kun je je prooi helemaal kierewiet kietelen. Lees: kritisch voor hen die niet in zijn (politieke) plaatje pasten, wat men tegenwoordig een gebrek aan onafhankelijkheid zou noemen, terwijl dat toch een eerste vereiste is voor een journalist.

Hij laat in het artikel niet na om een prik uit te delen aan de ‘tsjeven’, door te zeggen dat Herman Van Rompuy, die toch een beetje bekend staat als de opper-tsjeef, ooit eens te lang gluurde naar het korte rokje van zijn vriendin, Piryns’ vriendin welteverstaan. Echt wel een heel flauwe anekdote, die blijkbaar dateert van bijna zestig jaar geleden. Eigenlijk bedoelt Piet: zie je wel, in hun bedorven geesten zijn al die devote pilaarbijters geen haar beter.

Natuurlijk komt Herman, die andere, ter sprake, maar dat mag best. En zijn liefde voor Nederland, terecht. Ik zou het nog kunnen hebben over het feit dat Piet Piryns de vader is van een alleraardigste Groen-politica. Dat alleraardigst zijn ooit zelf mogen vaststellen toen mijn vrouw en ik haar spraken op de Antwerpse Boekenbeurs lang lang geleden. Vader dus van een Groen-politica en zodoende moet hij een beetje op zijn woorden letten wil hij geen veeg uit de pan krijgen tijdens de zondagse thee met beschuit-kransjes of tosti’s-met-pindakaas-familieontbijtjes.

Piet Piryns is een fossiel en dat was hij eigenlijk al toen ik hem voor de eerste keer ontmoette, ook lang lang geleden. Hij zwelgt in nostalgie en kijkt altijd een beetje zuur. Daar is niks mis mee. Ik doe hier op dit weblog ook aan nostalgie en ik heb ook geen smoel om op de cover van Vogue te staan. Als hij zijn ogen sluit, dan ziet Piet zichzelf met wapperende manen op een witte fiets langs de Amsterdamse grachten scheuren om ergens de vrije liefde te nuttigen. Die tijd is voorbij, daar is geen lievemoederen aan. Wil iemand dit even melden aan Piet?

De journalist die het interview deed, legt zure zeurpiet Piet niets in de weg. Geeft zelfs voorzetjes die Piet nog meer aan het kakelen brengen. Vrienden onder elkaar. Of zoals Piet het zelf zou omschrijven: ouwe-jongens-krentenbrood.

===================