Al Bundy

Ed O’Neill, de acteur die gestalte gaf aan Al Bundy, de immer onfortuinlijke shoe salesman in de sitcom Married… With Children wordt overmorgen 75. Het is mooi dat VRT NWS dit niet onopgemerkt laat voorbijgaan. Married… With Children is de beste en grappigste serie aller tijden. Althans, voor wie tegen een stootje kan. De humor is nogal, hoe zal ik het zeggen… grof. De platvloerse laag is zo dik dat je amper de ernstige laag die eronder ligt kunt ontwaren. Maar die is er wel degelijk. De eerste seizoenen waren soms een beetje sloom. Met de intrede van de gladde Jefferson als de man van Marcy en Griff als Al’s hulpje in de shoe store werd de serie pas echt een knaller.

Sponsored Post Learn from the experts: Create a successful blog with our brand new courseThe WordPress.com Blog

WordPress.com is excited to announce our newest offering: a course just for beginning bloggers where you’ll learn everything you need to know about blogging from the most trusted experts in the industry. We have helped millions of blogs get up and running, we know what works, and we want you to to know everything we know. This course provides all the fundamental skills and inspiration you need to get your blog started, an interactive community forum, and content updated annually.

Er was een stoel te weinig, maar het eten was lekker

Alle gekheid op een stokje…. Een politieker op het internationale forum is als een doelman in een Champions League-wedstrijd. Hij moet voortdurend alert zijn. Eén seconde onoplettendheid, één foute beslissing, en de gevolgen zijn niet te overzien. De hoofdrolspeler op bovenstaande foto’s is Charles Michel, de Mister Bean van eerst onze nationale en nu de Europese politiek. Hij had uit die stoel moeten opveren, hem met zijn zakdoek afstoffen, vervolgens de stoel aanbieden aan Von der Leyen, zijn schoenen uittrekken en languit in de zetel gaan liggen. Waar helaas de onfortuinlijke Ursula moest plaatsnemen, omdat Charles – zullen we hem voortaan Karius noemen? – de bal niet uit zijn doelvlak kon houden.

Overigens siert het Ursula von der Leyen dat ze hier geen relletje van maakt. Always be the bigger person. Erdogan had zijn moment de gloire, maar op lange termijn zal blijken dat het wel degelijk Ursula is die deze wedstrijd won.

Equal Idiots

Zij die dit weblog regelmatig bezoeken, weten dat ik hier graag eens een item post over popmuziek ‘van in mijnen tijd’. Die periode strekt zich uit van pakweg 1973, toen ik acht was en me bewust werd van de kracht van muziek, tot pakweg het einde van de vorige eeuw.

Weet ik dan helemaal niks van de evoluties in de popmuziek van de voorbije twintig jaar? Weinig. Ik ga er ook niet naar op zoek. Kendrick Lamar, Angèle, Whispering Sons, Stereophonics, Charlotte Adigéry, Dua Lipa, Billie Eilish, Goose, The War On Drugs, Trixie Whitley, SX… behalve dat ik de namen al eens hoorde of las zeggen ze mij verder niks. Als iemand mij een paar extra levens schenkt, wil ik het allemaal graag leren kennen, maar die extra levens, ik reken er niet op. Ik heb het namenlijstje gemaakt met acts uit de line-ups van Torhout-Werchter van de voorbije jaren. Sorry, Rock Werchter. Correctie, SX zegt me wel iets. Benjamin Desmet van SX is de zoon van Marc Desmet, een oud-leraar van mij en every inch a nice chap.

Bij toeval ontdek ik wel eens iets en als ik erdoor verrukt geraak, dan deel ik dat graag op dit medium. Equal Idiots bijvoorbeeld is een band die rockt als de neten en wat mij betreft een verademing in het hedendaagse Belgische muziekwereldje, dat ik waarschijnlijk niet helemaal terecht, wegens een gebrek aan grondige kennis ervan, een zekere mate van stoffigheid toedicht. Die stoffigheid wordt in mijn brein geëvoceerd door Milow, muziek die ik associeer met de laatste avond van een Chirokamp. Het kampvuur brandt welig en de bruinbroekskes wringen afwisselend Kumbaya en “hits” van Milow uit hun baard-in-de-keel-keeltjes.

De cover van Equal Idiots is stukken beter dan het origineel van blink-182, zo’n typisch Amerikaanse High School-testosteron pop-punkband die wars van enige originaliteit een andere Amerikaanse High School-testosteron pop-punkband imiteert. Wie kent ze niet, de Sum 41’s, The Offspring’s, Good Charlotte’s en Alien Ant Farm’s van deze wereld? Alle spelen ze even snel en slordig. Ze zien er ook allemaal eender uit: petje of mutske op het hoofd – waar anders? – , piekjeshaar, bij voorkeur geblondeerd (indien geen petje of mutske op het hoofd), T-shirt met schreeuwerig opschrift of basketbaltruitje, ijzerwerk in het oor en niet te vergeten de prominent zichtbaar spuuglelijke tatoeages.

De clip in de bocht van Van Kooten en de stok van De Bie

In ‘De bocht van Van Kooten en De Bie’, dat te zien was op de Nederlandse televisie, omroep VPRO, op 6 maart van dit jaar, zit een fragment waarin Kees van op zijn ziekbed de camera toespreekt, terwijl achter hem op tv een muziekclip te zien is.

De clip die getoond wordt, is ‘Breakout’ van Swing Out Sister, een parel uit de eighties. ‘De bocht van…’ bevat de aflevering van Van Kooten & De Bie van 1 februari 1987. ‘Breakout’ kwam uit in het najaar van 1986. Het is dus heel waarschijnlijk dat, voor de opname van deze scène, Kees van Kooten de tv aanzette en dat dit nummer net voorbijkwam. Indien men de scène opnieuw had moeten doen, was er een andere clip te zien geweest. Hoewel, ziek te bed, breakout… zou de clip in het programma toch een bewuste keuze zijn? Ik denk het niet.

Mark Rutte groet ’s morgens de dingen

Het gebeurt niet vaak dat ik moet lachen met een artikel dat handelt over de politiek, maar met dit artikel over de verkiezingsoverwinning van Mark Rutte in Nederland heb ik veel lol gehad.

Ik ken niks of quasi niks van het politieke landschap bij onze noorderburen, laat dat duidelijk zijn. Waar Mark Rutte precies voor staat, weet ik niet, maar luidens het artikel staat hij eigenlijk nergens en overal voor. Mark Rutte is blijkbaar alleen maar Mark Rutte, en Mark Rutte zijn, dat kan hij als de beste.

Enkele citaten uit het artikel: “Hij is altijd vrolijk, altijd monter. Alles ketst van hem af.” – “Rutte is een meester in het zo verkopen alsof hij er niets aan kan doen.” – “Je kunt niet meer Nederlander zijn dan Mark Rutte. Zijn optimisme, humor, eenvoudige stijl. Dat is op en top Nederland. Om maar een voorbeeld te geven: Rutte laat zich niet constant rondrijden, maar rijdt zelf met de fiets door Den Haag, de politieke hoofdstad van Nederland, en zwaait naar Jan en alleman.” – “Het is een politicus die alles gladstrijkt en overal de angel uithaalt.” – “Een probleem is nooit een probleem, maar een ‘probleempje’. Hij brengt alle ideeën, alle grote kloven in de politiek terug tot kleine, overzichtelijke managementproblemen. Het is ook iemand die geen talent voor het sombere heeft, zoals hij het zelf zegt. Hij is permanent monter, permanent vrolijk. Hij komt altijd lachend aan.” – “Hij heeft het heel bijzondere talent dat mensen problemen niet met hem associëren. En dan kom je toch weer bij dat vrolijke dat hij altijd uitstraalt. Het ketst gewoon van hem af.” – “Hij rolt nooit heel nadrukkelijk een visie voor de samenleving uit. Het is niet iemand die de problemen op een grootse manier wil oplossen, maar iemand die echt gewoon een beetje lekker zin heeft om te managen.” 

Misschien hebben al die citaten als doel Rutte te beschadigen, maar op mij hebben ze een averechts effect. Ik vind al die uitspraken bijzonder geinig. Ik word ook altijd een beetje blij als ik Rutte op tv zie, een blijdschap die alleen maar gebaseerd is op perceptie en niet op diepgang. Mag het even, voor één keer?

Vóór Rutte hadden ze in Nederland Jan Peter Balkenende, door de immer norse Karel De Gucht ooit “een mix van stijfburgerlijkheid en Harry Potter” genoemd. De gebuisde inteeltpolitica Freya Van den Bossche deed daar nog een schepje bovenop. “Hebben jullie in jullie kranten een personeelsadvertentie staan: als je niet stijf, truttig en kleinburgerlijk bent, kom je niet in aanmerking voor een ministerspost?” vroeg ze zich af in een interview met het Nederlandse blad Vrij Nederland, een uitspraak waarvoor ze zich later excuseerde. Natuurlijk diende ze zich te excuseren, want zowel De Gucht als Van den Bossche maakten zich oeverloos belachelijk. Mensen die vrolijk en onbekommerd door het leven stappen, en aan wie je ziet dat het echt is en niet gespeeld, zijn onaantastbaar. Daar norsheid en verbale agressie tegenover zetten, werkt contraproductief. Je krijgt al die bad vibes als een boemerang in je gezicht terug gekatapulteerd, want de vrolijke onbekommerden gaan gewoonweg verder met vrolijk en onbekommerd zijn.

Heerlijk volkje, die Nederlanders, en zolang vendelleider Mark met zonlicht blijft strooien, kan hen niks overkomen.

Maar oeps, de inkt van deze letters was nog niet droog of daar wordt ineens alsnog een kras getrokken in Teflon Mark, zoals een paar Belgische kranten hem vandaag noemen. Over iets wat hij zou gezegd hebben, weet ik veel. Een gelegenheid die de andere partijen te baat nemen om hem eens flink het vuur aan de schenen te leggen. Maar Teflon Mark – zalige naam toch? – zal dit keukenbrandje wel overleven. Met de glimlach.

Roer

Elke maand breng ik op het literaire platform Roer, in de rubriek Uitgelicht, een ongepubliceerd gedicht onder de aandacht.

Passeerden al de revue: Twan Vet, Koen Moerman, David Troch, Antony Samson en Rik Dereeper. Een volgende Uitgelicht is voorzien voor de eerste helft van april.

Dichters worden uitgenodigd om ongepubliceerd werk in te sturen naar roer.inzendingen@gmail.com of rechtstreeks naar mij middels de contactpagina.

Waarom ik geen Lieven Scheire werd

Ik weet bitter weinig af van chemie, of scheikunde zoals we het pleegden te noemen in de middelbare school. Mijn gebrek aan kennis over deze ongetwijfeld boeiende wetenschap is te wijten aan R.V., een leraar met een oogaandoening, een omfloerste term om niet te moeten schrijven dat de man in kwestie zo scheel keek als een bijziende otter.

Scheikunde kwam pas aan bod in het laatste jaar van de middelbare school en maakte samen met fysica en biologie deel uit van het vak Wetenschappen. In het eerste en het tweede trimester kregen we afwisselend les fysica en scheikunde, en in het laatste trimester werden die twee vervangen door biologie.

R.V., een mij aan het begin van het schooljaar onbekende leraar, ontzegde me de toegang tot de eerste les scheikunde. Ik moest tot mijn grote verbazing in de gang blijven staan. In die tijd deed een scholier wat hem werd opgedragen, hoe onrechtvaardig het ook leek. Stennis maken kon de zaak alleen maar verergeren en bovendien, ik ben nooit een lastpost of relschopper geweest. Ik was eerder een salonrebel, en dat woord gebruik ik vooral omdat ik het een heel mooi woord vind. Wacht, ik zal het nog eens schrijven. Salonrebel. Ik was van mening dat een leerling zich op school het best zo onzichtbaar mogelijk maakte, voor de leraren althans. Hoe langer het duurde voor ze je naam kenden, hoe beter. Medeleerlingen die graag in de kijker liepen werden voor hun branie en ondernemingszin wel eens geprezen door leraren, vooral tijdens buitenschoolse activiteiten, maar die haantjes stonden van zodra het weer business as usual was op de eerste rij om strafwerk te krijgen. Zonder strafblad bleef je langer ongestraft en vice versa, wat een mooie in zijn eigen staart bijtende stelling is.

Les 1 Scheikunde en ik vloog aan de deur nog voor ik door het deurgat was gepasseerd. Hé jij daar, en dan een vingertje dat naar de gang wees. Niet fijn, zoiets is mij zo heel zelden overkomen dat ik op het moment zelf moet gedacht hebben: oké, buitenvliegen uit de les, of beter, niet mogen binnenvliegen, dit moet ik ook eens meegemaakt hebben in mijn schoolse bestaan, en het is nog altijd minder erg dan een pandemie. Haha, een pandemie, Hoorne, jij met je fantasie altijd, hoe kwam je erbij daaraan te denken aan het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw, gekkerd! Anderzijds, dat in de gang staan en door de muur die jou van hen scheidt de holle stemmen van je klasgenoten horen, alsof die zich in een waterput bevinden, is ronduit akelig. Je wil ook in de klas zitten of je wil weg uit de school, maar noch het ene noch het andere is mogelijk. In die gang staan en vijftig minuten lang wachten, meer kun je niet doen. We hadden in die tijd nog geen smartphones of ander speelgoed om ons bezig te houden. Het is een vorm van eenzaamheid die heel diep snijdt. Dit schrijf ik om mijnheer R.V., mocht hij dit lezen, tot aan zijn dood met een schuldgevoel op te zadelen. Maar misschien is de man al dood, misschien geveld door schuldgevoel. Ach, mijn beste R.V., had mij toch eens gecontacteerd om dit bij te leggen in plaats van in je kist te kruipen met al die wroeging in je vege lijf.

Ik vroeg R.V. na mijn eerste les scheikunde aller tijden, die dus eigenlijk niet mijn eerste les scheikunde was omdat ik ze niet had bijgewoond, waarom ik aan de deur had moeten staan. Hij zei dat ik bij het betreden van het lokaal aan het babbelen was. Oké, dat wisten we dan ook weer, kan gebeuren. Ik kon het niet bekennen en ook niet ontkennen, ik wist het toen niet en ik weet het nog altijd niet, maar het is best mogelijk dat ik nog in een lachkramp zat van iets wat zich op weg naar het scheikundelokaal had voorgedaan. Er viel in die laatste jaren van het middelbaar onderwijs altijd wel iets te schertsen of te ginnegappen. Flauwekul moest gecelebreerd worden. De slappe lach lag voortdurend op de loer, veelal opgewekt door situatiehumor. De uitdaging bestond erin om, als die kwam opzetten tijdens een les, de controle over die slappe lach te behouden, telkens weer een oefening in zelfbeheersing. Maar vergis je niet, ik kon ook heel ernstig en rationeel en saai zijn. Slappe lach al goed en wel, maar Ordnung muss sein gatverdamme, dat had ik ook wel in mij. Structuur, controle, plichtsbesef, al die dingen. Soit, ik weet eigenlijk niet goed meer wat voor iemand ik bijna veertig jaar geleden was. Hoe dan ook, ik had gebabbeld, of iemand had gebabbeld en R.V. had gedacht dat ik het was, en zodoende werd mijn eerste kennismaking met scheikunde, zeg maar chemie, een weekje uitgesteld. No big deal. Toch?

De week nadien, zelfde plaats zelfde tijd, les 2 scheikunde. Beleef ik me daar een ongelofelijke déjà-vu. Ik geraak weer niet door het deurgat. R.V., nog scheler kijkend dan de week ervoor, sommeert mij in de gang te blijven staan. Dat maakte indruk, want ik had helemaal niks mispeuterd. Mijn klasgenoten waren verbaasd en verontwaardigd en ik meen mij zelfs te herinneren dat Stefaan D., het geweten van de klas, een jongen die op het vlak van volwassenheid drie stappen verder stond dan al de rest, iemand die ik onmiddellijk zou willen als premier van ons land, klasverantwoordelijke, vanzelfsprekend, omdat hij alle eigenschappen had waaraan een leider moest voldoen, hardop zijn onbegrip uitte omdat ik ook mijn tweede les scheikunde, die in feite mijn eerste zou zijn, in rook zag opgaan. Het mocht niet baten. Toen, daar in die gang, wist ik het al, de Lieven Scheire in mij was definitief geknakt. De chemie tussen mij en chemie zou nooit tot stand komen. Had men mij gevraagd: ‘Wat vind je van de Tabel van Mendeljev?’ dan had ik geantwoord: ‘Hun eerste plaat vond ik beter.’ Neen, grapje, ik wist heus wel wat de Tabel van Mendeljev was en dat een kilo pluimen evenveel weegt als een kilo lood (in mijn kindertijd was dat een alom verspreide, strontvervelende running gag, de vraag wat er meer weegt, een kilo pluimen of een kilo lood, keiharde humor uit de jaren zeventig). Om een lang verhaal kort te maken, na de les zocht ik de leraar op en keek hem recht in de ogen. Hij keek me krom in de ogen terug. ‘Waarom?’ vroeg ik. ‘Ik zou graag uw kijk op deze zaak onder ogen zien. Laten we samen een heldere blik werpen op deze troebele situatie om te vermijden dat deze voor eeuwig en altijd op onze netvliezen gebrand staat.’ Omdat ik me na les 1 niet had verontschuldigd voor het feit dat ik bij het binnenkomen zogezegd gebabbeld had, vloog ik bij aanvang van les 2 terug aan de deur, dat was zijn uitleg. ‘Ah zo, oké. Had dat dan gezegd, mijn excuses, beste man, ik aanvaard dat uw zicht op de wandaad van deze pupil de enige juiste was. Laten we elkander niet verder een rad voor de ogen draaien, noch het wit uit elkanders ogen kijken. Ik maak het volgende week goed met een bosje irissen.’ Even goeie vrienden.

De derde les scheikunde, die mijn initiatie in het vak zou worden, werd ik wel tot het chemielokaal toegelaten. Maar het klikte niet. Ik hoorde daar niet. We zaten in het handboek al op bladzijde elvendertig. Op die manier kan ik niet functioneren, ik heb structuur en houvast nodig, dat zei ik al. Ik wil het volledige plaatje zien. Ik zal bijvoorbeeld op tv nooit een film kijken waarvan ik het begin heb gemist, ook niet als dat begin minder dan een halve minuut bedraagt. Tijdens scheikunde waren mijn klasgenoten, die mij zo vertrouwd waren, voor de duur van de les complete vreemden. Ik snapte er geen jota van, van die scheikunde. Evengoed had de leraar zijn vak in het Chinees kunnen doceren, hoe kon het ook anders met twee lesuren achterstand. Basen en zuren, oxides en chlorides, whatever wat daar allemaal werd uitgekraamd. Ik had een achterstand op de rest van de klas, had absoluut geen zin om die nog bij te benen en had mijn plannetje al klaar om een buis voor Wetenschappen te vermijden. Dat plannetje was even simpel als geniaal. Geniale plannen zijn altijd simpel. Het grote drama in de politiek, in de economie, op de werkvloer et cetera is dat zij die aan het roer staan denken dat geniale plannen complex moeten zijn. Klopt niet. Simpel is de boodschap. Mijn plannetje dus. Ik wist dat de punten die te verdienen waren voor Wetenschappen gelijkmatig werden verdeeld over scheikunde, fysica en biologie. Bij de aanvang van de blok stak ik mijn chemiecursus diep weg in een kast en ik zette alles op fysica en biologie. Als ik twee op drie scoorde, dan kon ik theoretisch gezien ongeveer 66% behalen. Het lukte wonderwel, ik haalde zelf meer dan 66%.

Ik heb dit verhaal al wel eens eerder verteld aan mensen en vaak met een misplaatst gevoel van trots. Misplaatst, ja. Ik had mij verdorie na twee gemiste lessen als een dolgedraaide pitbull terriër met een genetische afwijking in mijn scheikundehandboek moeten vastbijten om die loensende aap te tonen dat ik zijn slaapverwekkende lessen niet nodig had om een Lieven Scheire te worden. Maar daar had ik toen geen zin in. Ik wist al dat ik na de middelbare school ‘iets zou gaan doen met talen’ en dat ik met veel plezier de vakken die ik minder graag deed zou afstoten als waren ze de onderste trap van een drietrapsraket. Ook dat was verkeerd. Men moet er als student te allen tijde naar streven om een uomo universale te worden. Maar dat wist ik toen nog niet. Ik was 17 toen ik mijn diploma middelbaar onderwijs behaalde. Een 17-jarige is een kind dat denkt dat het slim is en door dat te denken het tegendeel bewijst.

Public Image Ltd

Artikels in de pers over Public Image Ltd trekken altijd mijn aandacht. Ze zijn zeldzaam en vooral, ze gaan over míjn groep. Ik ben fan van het eerste uur en koester de band, ook wel eens afgekort als PIL of P.I.L., als mijn langjarige geheimtip, ook al kon ik er tijdens mijn studentenjaren amper over zwijgen. Ken je dat gevoel, je weet in het bos een prachtig plekje zijn, je zou het met iedereen willen delen, maar evenzeer wil je het verzwijgen, want het is jouw plekje. Zoiets had ik met PIL. Uitgerekend in mijn studententijd had PIL bij ons een hit met ‘This Is Not A Love Song’. Al mijn makkers zongen het mee. Dat bedroefde mij een beetje, niet zozeer omdat ik mijn groep nu met anderen moest delen, maar omdat PIL veel beter werk had, dat mijn makkers niet kenden.

Mauro Pawlowski heeft honderd procent gelijk. ‘Rise’ is een bijzonder nummer, niet mijn persoonlijke PIL-favoriet, maar top 10, dat zeker. Als ik zonder veel nadenken een provisoire PIL-top 3 samenstel, dan kom ik uit, in willekeurige volgorde, bij ‘Low Life’, ‘Acid Drops’ en ‘Don’t Ask Me’.

BDW

Met veel plezier heb ik vorige maand gekeken naar BDW, de driedelige documentaire waarin Bart De Wever een jaar lang door een journaliste werd gevolgd. Voor alle duidelijkheid, niet omdat ik een N-VA-kiezer ben, verre van zelfs. Het ging mij alleen om de figuur van De Wever, volgens mij een ronduit briljante geest en daardoor iet of wat een miscast in het politieke bedrijf.

Het is een lust om deze hyperintellectuele semi-autist te horen praten. Toen De Wever plusminus honderd kilo verloor, verloor hij ook zijn guitig, bolrond gelaat. Sindsdien zit hij opgescheept met een soort van permanent bozige gezichtskramp. Maar van zodra dat geïrriteerde gezicht begint te spreken, hoor je de relativerende filosoof, de stand-up comedian, een soort Philippe Geubels, maar dan verfijnder, beter, droger. Het gezicht geeft daarbij geen krimp zoals het een ware standupper betaamt.

Nogmaals, het is een vreselijke vergissing dat deze man in de politiek is terechtgekomen en dat begint, zo leek mij, stilaan tot hem door te dringen. Naast De Wever is Jan Jambon een Boerke Naas, Ben Weyts een Pipo de clown en Theo Francken een Power Ranger met een bekkenbreuk. Ik vind het een beetje zielig dat BDW met dergelijke klojo’s moet optrekken. Na de zomer gaan allicht de zalen terug open. Adieu politiek theater, op naar het echte werk. Stand-up comedy. Doen, Bart!

Regenboogvlaggen en taaltaboes

Net als zovelen ben ik geschokt door het nieuws dat onlangs een homoseksuele man in de val werd gelokt en vermoord door drie tieners. Overal te lande worden regenboogvlaggen uitgehangen als teken van medeleven met de familie en vrienden van het slachtoffer, tot aan de ambtswoning van de premier toe. Dat is mooi.

In de hoogste Belgische voetbalklasse speelden de aanvoerders van de clubs afgelopen weekend met een regenboogband om de arm. Een gebaar tegen racisme. Eveneens een symbolisch prijzenswaardige geste.

Symboliek. Toch ben ik er niet dol op. Omdat symbolische acties vaak ten onrechte worden beschouwd als een deel van de oplossing, wat ze niet zijn. Homofobie of racisme zal niet verdwijnen door onze straten vol te hangen met regenboogkleuren. Integendeel, hardleerse homohaters en racisten lachen met dergelijk soft vertoon, of erger nog, die regenboogkleuren werken als een rode lap op een stier.

Voor ongemeen zware misdaden geldt wat mij betreft maar één tarief: ongemeen zware straffen. Voor misdaden tout court, groot en klein, mogen straffen nooit mild zijn. Bij een groot deel van de brave bevolking leeft een perceptie van straffeloosheid. Veelplegers kunnen soms jarenlang hun gang gaan omdat hun daden onvoldoende worden bestraft en omdat hun handel en wandel onvoldoende wordt opgevolgd. Mochten straf en opvolging wel adequaat zijn, dan zouden er geen veelplegers zijn.

Tegenover de laksheid inzake de bestraffing van misdaden staat het misprijzen en de afkeuring voor wie al eens een woord gebruikt dat niet meer mag gebruikt worden, om redenen die niet altijd duidelijk zijn. Het mooiste voorbeeld is het woord ‘neger’. Eeuwenlang was dit een neutrale term tot die ineens een minachtende en discriminerende lading kreeg toebedeeld. Persoonlijk vind ik ‘zwarte’ en ‘kleurling’ meer stigmatiserend dan ‘neger’. ‘Zwarte’ en ‘kleurling’ benadrukken een uiterlijk kenmerk en is het niet net dat wat we willen vermijden? Soit, ik pas mij aan aan de geplogenheden, wil niemand voor het hoofd stoten. Maar het zal de man in een rolstoel – om er nog eens een ander voorbeeld bij te sleuren – wellicht weinig uitmaken of je hem gehandicapt, mindervalide of andersvalide noemt. Belangrijker voor hem zijn hellende vlakken, brede deuropeningen en lage loketten. Meestal is het hij die de rolstoel duwt die zich graag verliest in een semantisch steekspel, eerder dan de man in de rolstoel zelf.

Toen ik een kind was gingen volwassenen qua taalgebruik assertiever met elkaar om, letten ze minder op hun woorden. Er werden opmerkingen en grapjes gemaakt die vandaag niet meer zouden kunnen, maar die waren geheel en al onschuldig. De homo in onze straat, daar werd al eens iets over gezegd, over zijn geaardheid, maar geen mens die er aan dacht om die man kwaad te doen. Er werd niet gedacht in termen van normaal en niet normaal.

Tegenwoordig delen heel wat mensen de wereld op in wij en zij. Zij zijn degenen die niet zijn zoals wij, en in plaats van die met rust te laten, wordt er tegen geageerd. Racisme en homofobie worden gevoed door dingen die met de kwesties zelf niets te maken hebben, zoals socio-economische en culturele aspecten. Wie meent dat gebouwen bevlaggen en bepaalde woorden uit ons vocabularium schrappen volstaan om in onze samenleving met zijn ontsporende “sociale” media het kwaad uit te roeien vergist zich.

Overigens valt het mij op dat er mensen zijn die fulmineren tegen bijvoorbeeld de vreemdelingen, maar wel perfect overeenkomen met hun Turkse of Congolese buurman en -vrouw. Daarbij moet ik altijd denken aan wat een van mijn leraren ooit zei: ‘erkennen begint met herkennen’, waarmee hij bedoelde dat een goede verstandhouding begint met iemand in de ogen kijken. In een geglobaliseerde wereld waarin mensen naar elkaar kijken van achter een smartphoneglas is dat herkennen een moeilijke zaak geworden, met alle gevolgen van dien.

Het noodlot

Telkens ik er met de fiets voorbijreed keek ik naar het kruis, geplant in een piepklein bedje met verlepte bloemen, tot op een dag het kruis verdwenen leek. Korte tijd geleden zag ik het staan aan de andere kant van de weg. Iemand heeft het verplaatst. Het herdenkingsteken wendt de blik niet langer af, maar kijkt de moordende R8 recht in de ogen.

De Wevelgemse Voetweg is een autovrije straat, een landelijke wandel- en fietsweg, die het jaagpad langs de Leie verbindt met de rijksweg tussen Wevelgem en Bissegem. Ik zie de weg liggen als ik op het jaagpad rijd, maar ik zie er zelden iemand. Luttele scholieren of mensen op weg naar hun werk maken er gebruik van.

De ringweg R8 en de Wevelgemse Voetweg zijn twee aparte werelden, die elkaar tussen de velden en een piepklein bosje even raken om dan weer uit elkaar te gaan. Enerzijds de nimmer ophoudende stroom van brullende, stinkende jachtigheid. Anderzijds de rust van de Leie, de akkers, de weiden, de Voetweg.

Het voelt niet prettig om te fietsen op het kort eindje Wevelgemse Voetweg dat vlak langs de R8 loopt. Of beter, het voelt niet prettig als je weet wat hier gebeurd is. In het andere geval is het een fijn gevoel geen deel uit te maken van zij die in hun auto’s en vrachtwagens ergens naartoe moeten, ergens moeten zijn. Van op de Voetweg steek je, zonder het echt te doen, je middelvinger op naar de wereld en al zijn gedoe. Zie mij hier lekker fietsen, ik doe lekker niet mee met de rat race. Je hoopt stiekem dat de automobilisten, die zo dadelijk de brug over de Leie oprijden, je zien en zichzelf vervloeken omdat ze ook liever zouden vertoeven in het groen. Maar omdat ik weet wat hier is gebeurd, kijk ik schichtig naar het geraas, blijf zo dicht mogelijk bij de hangar van de firma Vandewiele en voel me pas echt op mijn gemak wanneer de weg achter de blauwwitte gevel naar links afbuigt.

Ik zie hem fietsen. In mijn verbeelding komt hij van het jaagpad en rijdt naar het noorden, tegen het snelwegverkeer in, net zoals op de foto hierboven. Volgens het krantenartikel dat ik terugvind zou dat wel eens kunnen kloppen, gezien het uur van het ongeval en gezien de woonplaats van de man en de plek waar hij naartoe moest, de manege. Zijn zoontje vergezelde hem, zo meldt het artikel.

Stel je voor. Op de fiets, rustig peddelend, beetje in gedachten verzonken en ineens valt er een bestelwagen op je hoofd. Ik kende Stefan Lecomte niet, maar ik ken zijn verhaal, het verhaal van zijn laatste levensseconde. Een schoolvoorbeeld van op het verkeerde moment op de verkeerde plaats zijn. Het noodlot.

Ik kende het verhaal maar had me tot vandaag nooit verdiept in het waarom en hoe. Maakte het iets uit, behalve voor zaken als aansprakelijkheid, verzekering en dergelijke, waar alleen de directe betrokkenen iets aan hebben. Toch maar even gespeurd naar de omkadering van deze tragiek. De bestuurder van de bestelwagen maakte een stuurfout, lees ik eerst. Ik voel aan mijn water dat het woord stuurfout een leugen is. Wie in die flauwe bocht van de R8 geconcentreerd autorijdt met beide handen aan het stuur kan daar geen stuurfout maken. Verder gravend naar informatie ontdek ik dat de bestuurder zijn stuurfout trachtte te verdoezelen als een klapband. Wat na technisch onderzoek onjuist bleek. Uiteindelijk vind ik wat ik niet wilde vinden en wat mij zeer verontwaardigt: de bestuurder van de bestelwagen was dronken.

Rust in vrede, Stefan Lecomte, man die ik niet ken. Rust in vrede, alle slachtoffers van de moordenaars van de weg. Zij hoorden niet te sterven op het moment dat ze stierven. Hun dood kwam altijd te vroeg.

Buikvet

De Covid-afdeling intensieve zorgen van het ziekenhuis ligt vol met dikke mensen, hoorde ik enkele maanden geleden iemand zeggen. Ja, mensen zoals jij, voegde de boodschapper daar luidkeels aan toe. Tja, wij dikkerds zijn de subtiele en minder subtiele beledigingen gewend. Wij hebben er een olifantenhuid van gekregen, dik vel zoals wij dat noemen. Ook dat nog, alsof alles wat onder dat vel zit nog niet volumineus genoeg is.

Ik vroeg eind vorig jaar aan mijn huisarts hoe het komt dat dikkerds vatbaarder zijn voor ernstigere Covid-complicaties. Ze wist het niet, of beter, de wetenschap wist het nog niet. Er was nog geen verklaring voor. Kijk, als wetenschappers dingen niet weten, dan word ik pas ongerust. Men kan van op aarde een rectaal onderzoek uitvoeren bij een Marsmannetje en zijn poepje middels een telescopische arm inwrijven met aambeienzalf, maar na bijna een jaar corona wist men nog altijd niet waarom een kilootje extra meer kans maakt op complicaties.

Zoals voor zoveel gewichtige problemen, bracht ook hier Libelle soelaas. Ja, Libelle, dé Libelle. De ‘libre billekes’ zoals de fundamentalistische preutsen het blad kort na zijn ontstaan noemden, omdat er al eens een streepje blanke vrouwendij of blote schouder in te zien waren. Ik citeer: “Het Franciscus Gasthuis & Vlietland in Rotterdam volgde 79 corona-patiënten die op de eerste hulp terechtkwamen. Iets minder dan de helft van deze groep kreeg ernstige longproblemen, zij moesten beademd worden of kwamen zelfs op de intensive care terecht. De onderzoekers vroegen zich af waarom deze mensen ernstige klachten kregen terwijl de andere helft van de patiënten een milder ziekteverloop had.  Aandoeningen als overgewicht en een te hoge bloeddruk of cholesterol leken dit niet te verklaren. Het grootste verschil tussen beide groepen was de buikomvang. Hoe het kan dat buikvet zorgt voor ernstigere covid-klachten, weten de onderzoekers nog niet precies. Maar ze vermoeden, zo meldt Trouw, dat veel vet rond de ingewanden en onderste delen van de longen letterlijk in de weg zit. Hierdoor kan een infectie eerder tot (ernstige) luchtwegklachten leiden. Een andere verklaring is dat het overmatige buikvet een handige opslagplaats vormt voor het virus, dat daardoor sterker kan toeslaan.

Ah zo, Libelle heeft het ook maar uit de tweede hand, maar hoe dan ook, de wetenschappers, die het dus nog niet weten, hebben een vermoeden. Twee vermoedens eigenlijk. Het buikvet zit de longen in de weg, of het buikvet is een handige opslagplaats, dat door het virus wordt gebruikt om zich te organiseren waardoor het sterker kan toeslaan. Bemerk het ironisch gebruik van de term ‘handige opslagplaats’ en het oorlogszuchtige ‘dat daardoor sterker kan toeslaan’. Libelle kiest hier duidelijk de kant van het virus, tégen de dikkerds. Mensen met een embonpoint zoals ik weten wat de steller van het artikel bedoelt. Die schreeuwt als het ware in mijn oor: ‘Als Je Crepeert Is Dat Je Eigen Dikke Schuld, Vetklep!!!’ Als je klikt op ‘Lees meer’, dan vind je onderaan het artikel nog wat tips om iets aan dat buikvet te doen. “Last van overtollig buikvet? Volgens onderzoekers van de universiteit van Harvard is het dan slim om te gaan sporten met gewichten in je handen.” Zich beroepend op ‘onderzoekers van de universiteit’ en niet zomaar een universiteit, maar ‘de universiteit van Harvard’ de dikkerds aansporen om zich compleet belachelijk te maken door te gaan lopen, fietsen, zwemmen, voetballen, polsstokspringen… met gewichten in hun handen. Dat is slim, staat er. Dat is slim! Dus iedereen die niet loopt, fietst, pingpongt, speerwerpt, waterpoloot, ijshockeyt… met gewichten in zijn handen is dom. Niemand loopt, fietst, schaatst, korfbalt, zeilt, hamerslingert… met gewichten in zijn handen. Magere mensen niet, dikke mensen niet. Dikke mensen zijn niet dom. Integendeel, als ik naar de Mensa-bijeenkomsten ga, dan kom ik daar alleen maar mensen tegen van wie het BMI het IQ benadert. Neen, niet omgekeerd.

Knack 50 jaar (slot)

Wat valt er nog te vertellen over mijn Knack-jaren? Weinig boeiends. Dat ik naast poëzie ook wel eens proza recenseerde. Veel Brusselmans, een lang artikel over Jan Cremer – Ik, Jan Cremer 1 en Ik, Jan Cremer 2 behoren nog altijd tot het allerbeste wat ik ooit las -, de biografie van J.C. Bloem en nog wel het een en ander.

Ik interviewde Herman Brusselmans tijdens de Knack-dag op de Boekenbeurs en in diezelfde jaargang van de beurs ook twee dichters, waarbij de ene dichter opeens iets onaardigs zei over de andere, waarna die andere verontwaardigd reageerde. Weg sfeer en ik diende al mijn diplomatisch talent aan te wenden om het interview terug op het serene pad te brengen. Wie die dichters waren is niet belangrijk. Een van hen is overleden en heeft daarmee zijn eerste pasjes richting vergetelheid al gezet. Want, laat ons eerlijk wezen, in de vorige bijdrage had ik het over Kopland. Wie spreekt nog over Kopland? Wie spreekt nog over Komrij, toch de paus van de Nederlandstalige poëzie geweest? Als ik tegen mensen zeg dat ik debuteerde in de Sandwich-reeks onder redactie van Gerrit Komrij, dan doet dat zelden nog bij iemand een belletje rinkelen. Evengoed kan ik beweren te zijn gedebuteerd onder redactie van Jos Vermeulen uit Zevekote.

Op een avond kreeg ik een mail van de hoofdredacteur van Knack Focus waarin werd medegedeeld dat ik niet langer kon meewerken aan Knack omdat de boekenrubriek werd geschrapt. Voortaan zou Focus die rol overnemen. Of alle freelancers verbonden aan de boekenrubriek zo’n mail kregen weet ik niet. Wat ik wel weet is dat sommigen zijn gaan blèten, tot bij Rik De Nolf, grote baas van Roularta toe, om te mogen aanblijven. Waar sommigen ook in geslaagd zijn.

Stellen dat het einde van de samenwerking mij koud liet is overdreven, maar het grote voordeel was dat ik terug wat meer tijd had voor mijn eigen literair werk. Er veranderde trouwens heel wat bij Knack in die tijd. Karl Van den Broeck vertrok. Rik Van Cauwelaert ook, naar De Tijd, samen met Koen Meulenaere.

Knack blijft een goed blad, maar door de literatuur eruit te gooien is het armer geworden. Het hoeft niet altijd over de grote economische, politieke en sociale issues te gaan. Ellenlange artikels over corona, over de regeringsvorming, over de Amerikaanse verkiezingen, over de vaccinatiestrategie… ik lees die graag, maar wie op tv de duiding volgt bij het nieuws heeft er geen boodschap aan. Die weet dat allemaal al. Ik houd van de speelse rubriek ‘Eindspel’ op de laatste bladzijde, die een korte vraag- en antwoordformule bevat. Ik houd meestal van de sportbijdrage van Jef Van Baelen, van het werk van Dirk Draulans, de aparte onderwerpen en stijl van Stijn Tormans. Een blad heeft lucht nodig en die zat ook in de boekenrubriek. Dat Focus in het boekengat is gesprongen is trouwens niet waar. Focus is er voor de filmfreaks, besteedt veel aandacht aan tv en muziek, is daarbij zeer vooringenomen, maar literatuur interesseert die redactie geen zier.

De beslissing om de boekenrubriek destijds uit Knack te halen was een verkeerde beslissing. Een van de grote misverstanden van deze tijd is dat bedrijven, organisaties, verenigingen et cetera menen dat ze zich voortdurend moeten vernieuwen. Vernieuwen, of ‘zichzelf opnieuw uitvinden’ zoals ze het graag noemen, klinkt hip, maar heel dikwijls wordt er veranderd om te veranderen. Nieuw tintje, nieuw kleurtje, nieuw geurtje. Ondernemingsnarcisme. Marketingterreur. Oude wijn in nieuwe zakken. Om bij de media te blijven, waarom is het nodig dat zenders regelmatig van naam en van logo veranderen? Waarom vliegt het decor van Het Journaal zowat elk jaar op straat om te worden ingeruild voor een ander? Inclusief andere generiek en andere tune. De kijker zit er niet op te wachten. Je wint er geen kijker mee en je verliest er geen kijker mee. Is het commercie? Wordt daar bij de VRT – andere zenders doen het ook, alle zenders doen het – iemand beter, rijker van? Het is weggesmeten geld. If it ain’t broken, don’t fix it.

Knack 50 jaar (3)

Ik ben een pietje precies. Als ik een tekst moet maken, dan lees ik die voor publicatie tien, twintig, dertig, vijftig keer opnieuw waarbij ik schaaf tot het mij helemaal bevalt. Ik heb geen eindredactie nodig, zeker geen eindredactie die mijn teksten slechter maakt. Al na enkele bijdragen voor Knack knapten mijn zenuwen toen ik merkte dat een eindredacteur in mijn recensie over het verzameld werk van Rutger Kopland ‘aan de Drentsche Aa’ had gewijzigd in ‘in de Drentsche Aa’. De Drentsche Aa is een beek die in het werk van Kopland af en toe wordt vernoemd. Na de lapsus in de kersverse papieren Knack te hebben opgemerkt, checkte ik mijn originele versie om te zien of ik die fout niet zelf had gemaakt. Neen, had ik niet. Kreeg vervolgens hartkloppingen. Mailde naar de redactie in Evere om beleefd – altijd beleefd blijven – te vragen waarom ‘aan de Drentsche Aa’ ineens ‘in de Drentsche Aa’ was geworden. Het laconieke antwoord luidde dat de eindredacteur ‘dacht dat de Drentsche Aa een natuurgebied is’. Dacht, zonder het te checken? Ja, Philip, die dacht dat zonder het te checken. Foutje moet kunnen, daarmee trachtte de eindredactie mij af te schepen. Wat ook lukte, want wat kon ik doen? Alle Knack’s van die week uit de handel halen? Ik klaagde hierover bij hoofdredacteur Karl, maar ja, zo’n man kiest natuurlijk altijd partij voor zijn vaste krachten boven een simpele freelancer. Uiteindelijk kon ik deze vreselijke toestand aanwenden om de eindredactie, twee man sterk, te bezweren met hun pollen van mijn teksten te blijven. Dat lukte aardig. Ik zorgde er ook altijd voor mijn tekst iets korter te maken dan toegelaten om te vermijden dat men erin moest knippen. Lukte aardig, uitzonderingen daargelaten. In een korte recensie van een bundel van Vrouwkje Tuinman werd in het midden van de tekst een hele zin weggelaten. Natuurlijk net een zin die een bruggetje maakte tussen twee tekstflarden en daardoor niet kon gemist worden. Beter is om gepubliceerd werk niet meer na te lezen, wat verkeerd liep valt toch niet meer te redden. Maar ja, dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

Wie in het boekenvak werkzaam is of er contact mee heeft, weet wat voor een lakse wereld het is en wat er allemaal fout kan lopen. Ik heb in die twintig jaar in het vak van alles meegemaakt. Het probleem is dat ik die pietluttige dingetjes, waarvan een ander zegt ‘ach ja’ en de schouders ophaalt, ook altijd direct opmerk. Ik fantaseer wel eens dat ik blind ben, hoe heilzaam dat zou zijn voor mijn gemoedsrust. Er kan in een boek geen letter uit het lood staan of ik heb het gezien. Als het eigen werk betreft, kan het me mateloos ergeren. Eenmaal gedrukt is het onomkeerbaar. Het onomkeerbaar zijn van dingen, en nu heb ik het niet alleen over copywriting, ervaar ik als een enorme last. Alles zou een ‘pijltje terug’ moeten hebben, een functie ‘Ongedaan maken’, een CTRL-Z. Rijd je met de fiets een oud dametje omver, CTRL-Z. Brandt het huis af, CTRL-Z. Te veel zout in de soep gestrooid, CTRL-Z. Tante Irma ongewild beledigd waardoor die haar handtas pakt en boos wegloopt, CTRL-Z. Een iets te natte scheet gelaten, CTRL-Z. Een eindredacteur die ‘aan de Drentsche Aa’ wijzigt in ‘in de Drentsche Aa’, CTRL-Z en CTRL-Z blijven herhalen tot de kerel terug in Evere aan zijn bureau zit en hem ontslaan voor hij nog eens iets kan bedenken zonder te verifiëren. Een gocart op Mars? Leuk, maar niet wat we nodig hebben. De menselijke CTRL-Z, die moeten we hebben. Wat een prachtige wereld zou dat zijn. Eeuwig blijven leven? Ja, nu wel! Waar moet ik tekenen?

Het ergste van dat hele Kopland-gedoe vond ik nog de mogelijkheid dat de dichter, waar ik een klein jaar eerder een wijntje mee had genuttigd tijdens een poëziefestival annex gezellige babbel, die recensie onder ogen zou krijgen, waarna hij me ongetwijfeld een lompe lul zou vinden, die dan wel zegt een fan te zijn van zijn poëzie, maar niet eens weet dat de Aa een beek is!

Wie denkt dat ik dit allemaal verzin, de recensie staat nog altijd integraal online, merk ik al googelend, met de fout er nog in. Je zou denken dat ze dat toch tenminste online even corrigeren, maar wat zou het. Even bekruipt mij de zin om Knack te mailen met de vraag om van die ‘in’ alsnog een ‘aan’ te maken, maar dan wordt deze blogpost een leugen. Er bestaat dan toch een manier om een euvel in een tekst te neutraliseren. Er een hoop andere woorden tegenaan gooien. Is bij deze gebeurd.

Knack 50 jaar (2)

Niet lang voor ik door Karl Van den Broeck werd aangezocht om voor Knack bijdragen over literatuur, en meer in het bijzonder over poëzie, te leveren, had ik Poëzierapport opgericht. Het was de tijd van de weblogs. Ik had er een gemaakt voor mezelf, deze, en al spelend met de tool Blogger had ik stoemelings een andere weblog gemaakt. Ik besloot dichtbundels te bespreken en die op die weblog te publiceren. Poëzierapport moet door Karl Van den Broeck, behalve hoofdredacteur een kenner en liefhebber van literatuur én de zoon van een bekend en gewaardeerd auteur, zijn opgemerkt. Zo moet het gegaan zijn, zo kwam ik bij Knack terecht.

De poëzierecensiewebsite Poëzierapport had ik opgericht om twee redenen. Eén: ik schrijf graag. Twee: de aandacht in kranten en magazines voor poëzie werd almaar geringer, Poëzierapport moest de poëziekritiek een digitale boost geven. Het is dan ook ironisch dat ik, door een digitaal initiatief te nemen als antwoord op de tanende aandacht voor poëzie in de print media, zelf in de print media terechtkwam.

Door mijn werk voor Knack kon ik minder tijd besteden aan Poëzierapport. Ik trok een klein legertje mederecensenten aan en niet zomaar de eerste de beste. Willem Thies, Chrétien Breukers, Alain Delmotte e.v.a. kregen van mij carte blanche om hun stijl en hun poëzie-eruditie te etaleren en leverden uitstekend werk. Zo bleef Poëzierapport nog enkele jaren bestaan en werd het een begrip in letterenland. De voornaamste verwezenlijkingen van Poëzierapport zijn uiteindelijk geworden: een site die een aantal jaren talk of the town was, een schrijverskoppel en een prachtige bloemlezing met de allerbeste recensies. Die bloemlezing met als titel Dansen tot na sluitingstijd. Het beste uit Poëzierapport zou ik u te koop willen aanbevelen ware het niet dat ik zelf maar meer over één exemplaar beschik en dat het boek nergens nog te vinden is.

Ik heb in Knack tal van Nederlandse dichters onder de aandacht gebracht, maar minstens evenveel Vlamingen: Denoo, Pollet, Theunynck, Tritsmans, Heyman, Dangre, De Laere, De Crits, Verhegghe, Van Londersele, Van Tongele, Goudeseune, Rigolle, Lasoen, Gruwez, Deleu, Lecompte, Van hee, Vanhauwaert, Jooris, Mandelinck, Van den Driessche, Allewaert, Lasters, Leroy, Leenders, Declercq, Vranken, De Block, De Neef, Fierens, Van de Voorde, Troch, Eva Cox, Hans Claus… Ik besteedde aandacht aan het Poëziecentrum en de Poëziekrant, aan Het Liegend Konijn, aan de bloemlezing van Meander, aan de jubileumuitgave van Digther, aan de Gentse bloemlezing van Guido Lauwaert… het is haast te veel om op te noemen, deze opsomming is verre van volledig. Eén ding weet ik zeker. Een pak van die namen hadden met een andere recensent nooit de Knack gehaald wegens te min, te tweederangs of niet sexy genoeg. Criteria die ik nooit heb gehanteerd. Integendeel, zelf een dichter zijnde die weet hoe lastig het is om de aandacht van de media te trekken, besefte ik maar al te goed welke taak ik te volbrengen had, wat ik kon betekenen voor collega-dichters die kwalitatief werk maken dat zelden of nooit door de grote mediakanalen wordt opgemerkt.

Heb ik met wat ik middels Knack (en Poëzierapport) heb gedaan voor de Vlaamse en Nederlandse poëzie de erkenning gekregen die ik verdiende? Ik weet het niet. Ik kreeg van mensen uit het boekenvak wel eens een complimentje voor mijn heldere, niet-academische stijl. Er was appreciatie maar, al mijn inzet ten spijt, ook afgunst. Deed ik het voor de erkenning? Alles wat een mens doet doet hij voor erkenning. Maar het was vooral gewoon heel fijn om iets te doen wat ik graag deed en dat te mogen doen in het belangrijkste en beste nieuwstijdschrift van Vlaanderen.

Ik werd vaak aangesproken op mijn scherpe recensies. Die zogezegd scherpe recensies, dat is een perceptie die helemaal onjuist is en een eigen leven is gaan leiden. Ik mocht zelf de te bespreken bundels kiezen. Ik vond het heerlijk om de dichters van wie ik hield in het zonnetje te zetten. De negatieve besprekingen in Knack zijn op de vingers van een kapot gezaagde timmermanshand te tellen. Slechts één keer heb ik moedwillig de vitriool bovengehaald. Dat was om de in die tijd niet over het paard maar over een hele stoeterij getilde snoeshaan van een kaperkapitein op zijn plaats te zetten. Ik hoef zijn naam niet te noemen, iedereen weet wie de zelfvoldane halfzachte pseudo-neuroot is die zich aanstellerig de kaperkapitein noemt. De vrees dat de redactie het stuk niet zou willen publiceren bleek ongegrond. Integendeel, de mannen op de hoofdzetel in Evere vonden het enig.

De volgende keer of volgende keren een woordje over de eindredactie, over hoe twee dichters elkaar tijdens een interview bijna in de haren vlogen en over hoe mijn medewerking aan Knack eindigde.

Knack 50 jaar (1)

Knack bestaat 50 jaar. Gedurende 6 à 7 jaar heb ik meegewerkt aan Knack, als freelancer.

In de lente van 2006 ontving ik een mail van de toenmalige hoofdredacteur Karl Van den Broeck waarin mij in luttele bewoordingen – één zinnetje, meer was het niet – werd gevraagd of ik een recensie wilde schrijven over het verzameld werk van Stefan Hertmans. Dat boek heette Muziek voor de overtocht. Gedichten 1975-2005. Ik stelde geen vragen en voerde de opdracht uit. Een hele vrijdagnamiddag lang verdiepte ik mij in de vele bundels van Hertmans die in Muziek voor de overtocht waren opgenomen. Ik kende Hertmans’ werk niet bijster goed, maar het stuk werd geplaatst als Boek van de Week. Zo slecht zal het wel niet geweest zijn. Neen, niet Boek van de Week, bedenk ik ineens. Boek van de Week was één pagina. Dat stuk over Hertmans betrof meerdere pagina’s, want de kaften van zijn bundels werden bij het artikel afgedrukt.

Hertmans was mijn examen. Ik slaagde en met mijn tweede stuk, een lang artikel over het fenomeen stadsdichter – een onderwerp dat ik beter beheerste dan het oeuvre van Hertmans en waarin ik mij volledig kon uitleven – kreeg ik van Karl lof toegezwaaid. Iets in de zin van zijn petje of zijn hoed afnemen, ik weet het niet meer precies, de mails uit die periode zijn na een computercrash verloren gegaan. Ik vind dat artikel met als titel ‘De minstrelen van de moderne tijd’ zelf nog altijd een van mijn allerbeste stukken voor Knack. Ik had punten gescoord bij de hoofdredacteur en leverde voortaan zowat om de twee weken minstens één recensie, ofwel het Boek van de Week ofwel een korte recensie die toch nog altijd één derde van een pagina besloeg. Hoofdzakelijk poëzierecensies, slechts af en toe proza of iets anders. Occasioneel eens een lang stuk, bijvoorbeeld voor de Boekenbeurs-specials Boek 06 en Boek 07.

Ik mocht me voortaan de vaste poëzierecensent van Knack noemen en ik was daar fier op. Hoe kwam Karl Van den Broeck, die ik niet kende, nooit had ontmoet, bij mij terecht? Ik heb hem die vraag nooit gesteld, weet dus ook het antwoord niet, maar ik heb wel een vermoeden. Daarover meer in deel 2.

The Weeknd

Op tv zie ik een kerel van een jaar of dertig die zegt dat hij het jammer vindt dat hij te laat geboren is, want de muziek van de jaren tachtig, die was echt de max, veel beter dan de muziek van vandaag. Ik hoor het hem graag zeggen.

Ik luister zelden of nooit naar de radio behalve in de auto. Ik rijd zo goed als nooit met de auto. De laatste keer dat het gebeurde, hoor ik de presentator van een van de nationale radio-omroepen ‘die monsterhit van The Weeknd’ aankondigen. Ik heb die naam al eens ergens gelezen, maar weet niet wat voor muziek dit is. De monsterhit luistert blijkbaar naar de naam ‘Blinding Lights’. Ik moet op het verkeer letten en vind het nummer maar niks.

Thuis beluister ik het lied op YouTube opnieuw om eventueel mijn mening wat bij te stellen, maar ik kom tot de conclusie dat het een afkooksel is van muziek die in de jaren ’80 in grote hoeveelheden werd gemaakt, maar dan honderd keer beter. Dit had van de Noorse band A-ha kunnen zijn, alleen had A-ha hier wel iets meer van gemaakt. A-ha zou, mocht je een lijstje maken van de duizend beste songs van de jaren ’80, niet eens in die hitparade prijken. Of misschien één keer, ergens rond plaats 893.

En dan heb ik het nog niet gehad over de naam van de artiest. Dat weglaten van een letter in een woord lijkt cool, maar is het niet. De man stelt zich in de videoclip van ‘Blinding Lights’ vreselijk aan in iets wat een kruising moet voorstellen tussen The Joker en Michael Jackson. Alsof met de hele eighties-popscène nog niet genoeg mensen zijn beledigd, moeten die twee er ook nog aan geloven. Arme Michael. Had meer talent in zijn afneembare neus dan deze kerel in zijn hele lijf.

Op YouTube werd de clip van ‘Blinding Lights’ het voorbije jaar gemiddeld 1 miljoen keer per dag bekeken.

Als je koffie dertig jaar in een kan laat staan en die dan opwarmt, heet dat nog steeds koffie. Ik zal er niet van drinken, maar we kunnen het de kiddies van vandaag niet kwalijk nemen dat ze nooit echte koffie hebben geproefd.

En ik ben een oude zeur. Dat mag niet onvermeld blijven. Marc Didden wordt betaald om in HUMO de oude zeur uit te hangen. Ik doet het gratis ende voor niks. Have mercy.

Naar mij?

Jullie zijn op zoek naar mij? Naar mij? Hello, is it me you’re looking for van Lionel Ritchie? Ikke? Dat moet een vergissing zijn. Trouwens, wat jullie doen is niet echt op zoek zijn. Jullie niksen op een potrel die hoop en al, te zien aan wat zich op de achtergrond bevindt, een metertje boven de grond hangt. Me werven voor stoerdoenerij met een brede grijns om de bek, daarvoor zijn jullie bij mij aan het verkeerde adres. Die grijns hebben jullie natuurlijk op vraag van de fotograaf – of liever de fotografe die jullie straks als ze haar kont draait nog even gaan nafluiten zoals het aloude bouwvakkerscliché het voorschrijft – op jullie smoeltjes getoverd. Vier die zitten, waarvan een een beetje scheef naar binnen hangt en een die staat, jullie hebben de compositierichtlijnen van de portrettentrekker goed opgevolgd.

Eén witte helm en vier rode, wat is het verschil ook weer tussen de kleuren van de helmen in de bouw? Wit is voor de ploegbaas, klopt dat? Vast wel, want die witte scheefhanger ziet er de oudste uit. En de meest uitgebluste. Kapotte rug. Stamt nog uit de tijd dat bouwvakkers op de werf per dag een kratje pils van 24 eenheden soldaat maakten. Die denkt al aan zijn vervroegd pensioen waar hij meent recht op te hebben voor het uitoefenen van een “zwaar beroep”. Die vier rode helmen had ik liever in de kleuren van de Teletubbies gezien. Nu lijkt het alsof jullie inwisselbaar kanonnenvlees zijn. Als er eentje van de potrel dondert, zetten we er een andere roodhelm op, zoiets. Bibi zal het niet zijn. Ik vervolg mijn weg, tot nooit meer, adios.

O, nu zie ik het, jullie zijn niet specifiek op zoek naar mij, maar naar nieuwe collega’s. Voor de firma Eribo. Eribo? Luister, ik zou zelfs zonder hoogtevrees nooit willen werken voor een bedrijf dat luistert naar de belachelijke naam Eribo. Waar slaat dat op? De samentrekking van de voor- en achternaam van de stichter van het bedrijf zeker? O, dat zou wel héééél origineel zijn. Dat is nog niet eerder gedaan in de geschiedenis van de neringdoenerij. Laat me raden. Erik Bogaert? Erik Bossuyt? Erland Ibo? Erika Boskamp die ervan droomt ooit genomineerd te worden voor de titel van vrouwelijke ondernemer van het jaar? Evert Ribovsky? Een woord met meer klinkers dan medeklinkers en beginnend met een klinker, dat kan nooit goed komen. Ik ken maar één treffelijk woord dat begint met een -e en dat meer klinkers telt dan medeklinkers en dat is het woord ‘Eureka’. Geen goede naam voor een bouwbedrijf. Kom maar eens in de krant met zo’n naam nadat een van jullie torenkranen pardoes op een gocart met zes kleuters is gedonderd. Eureka mijn kloten. Vraag met zo’n naam maar eens het faillissement aan.

Okay boys, het was mij een genoegen. Ga maar terug aan de slag. Als ik voorbij het hek kijk waar jullie aan zijn vastgemaakt, dan zie ik dat er nog aardig wat werk op de bekistingsplank ligt. En als mijn ogen mij niet bedriegen, dan zou ik zelfs durven beweren dat de voorgevel van het huis dat jullie daarginds buiten beeld optrekken een klein beetje scheef staat. Focus houden boys. Jullie zijn bouwvakkers, geen fotomodellen. En blijven zoeken. Gadver, nu valt me nog wel iets op zeker. Vijf blanken op de foto, niet één gekleurde medemens. Of is die scheefgezakte een Turk? Ik kan het niet goed zien. Verwijder dit doek maar snel, dit is niet woke, hier gaat jullie baas, de heer Bossuyt of de heer Ribovsky of hoe hij ook mag heten, last mee krijgen. Dat hij maar alvast steenbestendige panelen bestelt om zijn ramen mee dicht te timmeren. Ik wil hier niets mee te maken hebben. Ik ben hier niet geweest, ik heb jullie niet gezien en jullie mij niet. Salut en de kost.

Terug naar school

Ik reed voorbij de school waar ik in de kleuterklas zat, Sint-Vincentius te Bissegem. Even de remmen dichtgetrokken en afgestapt richting memory lane. Wij woonden in W., ongeveer tussen W. en Bissegem in. Mijn ouders kozen ervoor om mij naar Bissegem naar school te sturen. Waarom, dat weet ik niet precies. Je zou denken, omdat het minder ver was en minder lang rijden. Dat kan kloppen, maar veel verschil zal er niet zijn geweest tussen de afstand van thuis naar de kleuterschool in W. of naar die in Bissegem. Misschien omdat ze de streek aldaar beter kenden. Who cares? Zullen we even op onze stappen terugkeren en binnenkijken? Ja, doen we.

Ik mocht meteen naar het tweede kleuterklasje. Ongetwijfeld kwamen mijn ouders op een dag tot het besef: shit, dit kind moet naar school, rats vergeten, we zijn al een jaar te laat. O kijk, zie die betontegels glimmen, de traantjes die ik daar eind jaren zestig heb geplengd, zijn nog altijd niet opgedroogd. De poort die half open staat, was vroeger muisgrijs. Nu blauw en geel. Als we ons schooltje een bont likje verf geven à la lokalen van de scouts, zo zal de inrichtende macht geredeneerd hebben, dan ziet het er hier een gezellige boel uit en krijgen we geen bleiterkes meer zoals Philipke Hoorne, de jongen die er met zijn waterlanders voor zorgde dat wekelijks de riolen ontstopt moesten worden, want samen met zijn zilte traantjes vloeide er ook redelijk wat dik snot, die twee gaan meestal samen.

Even inzoomen. Daar hangen twee fleurige borden: ‘Aai en zwaai zone’ en ‘Vanaf hier ga ik alleen’. Zou men dat tweede bord opgehangen hebben met mij in gedachten? Want alleen ging ik niet voorbij die traliepoort, no way Jose. Ik verstopte me achter de rug van mijn moeder tot Zuster Marina mij kwam halen. Zuster Marina, dat klinkt als het Vlaamse antwoord op Soeur Sourire, maar dat was het niet, ik heb haar nooit horen zingen, omdat ze ofwel nooit zong ofwel omdat ik luider jankte dan zij zong. De zuster probeerde mij elke ochtend van mijn moeder los te weken, zei dan waarschijnlijk iets in de trant van ‘ge moe nie skrjim joengen, kom heef un antje’ waarna ik nog een huilversnelling hoger schakelde. Ik had in die tijd een schoenveterissue. Ik kon zelf mijn veters nog niet strikken, mijn moeder deed het voor mij. Ik kon niet verdragen dat mijn ene schoen meer was aangespannen dan de andere. Thuis en aan de schoolpoort werden mijn veters ettelijke keren opnieuw gestrikt. In plaats van de ene schoen was het dan de andere die meer spande, en dan weer omgekeerd, enzovoort, tot mijn moeder het zat was. Ik heb me dan maar ingeschreven voor een cursus Veters Strikken. Wat je zelf doet doe je beter is een van mijn lievelingsleuzen. Ik heb die mij toen al eigen gemaakt. Nog iets over dat andere bord ‘Aai en zwaai zone’. Daar kan ik kort over zijn. Het woordje ‘aai’ bestond nog niet in de jaren zestig. Ja, als je een pets tegen je kop kreeg, zei je ‘aai’, maar dat wordt hier niet bedoeld. Ik werd niet geaaid en toegezwaaid worden wilde ik niet, want zwaaien betekende afscheid van mijn moeder en de school worden in gesleurd door de nochtans enorm aardige Zuster Marina met haar grijze trui boven een witte blouse, haar hoornen bril en zwarte nonnenkap. En daarbij, zwaaien, daar deed mijn moeder niet aan en de andere ouders wellicht ook niet. Dat belachelijke minutenlang zwaaien, waar ik me naar mijn eigen kinderen toe, mea culpa, ook meermaals heb aan bezondigd, deed pas later zijn intrede. Dat zwaaien leidde gaandeweg tot almaar meer letsels aan de bovenste ledematen, vooral bij het vrouwelijke deel van de bevolking. Waarom denk je dat het aantal kinesitherapeuten de voorbije kwarteeuw exponentieel is toegenomen?

We rijden de Driekerkenstraat verder door en slaan de eerste straat rechtsaf. Het gebouw dat u ziet, daar heb ik het eerste leerjaar gevolgd. Van mijn kleuterjaren herinner ik me niets, maar van dit eerste leerjaar herinner ik mij twee medeleerlingen: een zekere Patrick, groot voor zijn leeftijd en een blaaskaak, voor zoverre je op 6-jarige leeftijd al een blaaskaak kunt zijn, die een blauw en wit geblokte schort droeg, en een zekere Kurt Vandemaele, een toffe peer die een fluogroene schort droeg met goudkleurige knopen. Ik vraag me af of die Kurt Vandemaele de journalist is, of is de journalist jonger dan ik, kan het dus hem niet zijn en gaat het hier om een naamgenoot? Verder herinner ik me onze leraar, meester Buysse, een uiterst aardige vent. Toen we al naar het centrum van W. verhuisd waren en ik naar mijn nieuwe school ging – schuin voor ons huis, ik had maar de straat over te steken – passeerde hij eens met de fanfare voor onze deur. Hij gaf een teken van herkenning wat mij zeer plezierde. In het tweede leerjaar in mijn nieuwe school kwam ik terecht bij meester Jan, een heel fijne en grappige man, die naar ik mij herinner wat extra aandacht had voor mij omdat ik nieuw was in de school. Toen zeiden we niet meester Jan, maar gebruikten we de familienaam. Die familiaire aanspreking van leerkrachten is er pas later gekomen. Hoe dan ook, ik was zeven jaar of daaromtrent en huilde al lang niet meer. Ik was van plan om veel te leren en veel te lezen. Veel te lezen? Ik las me te pletter. Het jeugdaanbod in het kleine openbare bibliotheekje, gelegen in dezelfde lagere school, waar je je kont niet kon keren zonder een boekenrek omver te stoten (dat bibliotheekje, en na de verhuizing de nieuwe bibliotheek in het park, heb ik beschreven in mijn verhalenboek Het vlees is haar, nog altijd gratis ende voor niks te downloaden in het rechter menu van dit weblog), heb ik helemaal verslonden. Wat was ik blij dat er nog geen games en geen internet bestonden. Ik weet nog dat ik op een dag begin jaren zeventig tegen mijn moeder zei: ‘Mama, ben jij ook blij dat het internet niet bestaat?’ ‘Jaja, jongen,’ antwoordde ze, ‘kijk jij nog maar een beetje naar Star Trek, naar Mister Spock met zijn Tom Boonen-oren.’ Tom Boonen, begin jaren zeventig? Noemde mijn moeder die naam echt? Is het van haar dat ik die visionaire eigenschappen heb? Of zei ze, ik zal eens horen of die kom bonen al klaar is? Soit, geen games, geen internet, ik leefde in de Middeleeuwen 2.0 en ik vond dat oké. Wat had ik anders te vinden? Ik had helemaal niks te vinden. Ik was een weerloos kind en de toekomst bestond nog niet.

Het dikke meisje is jarig (slot)

Op 1 februari 2021 is het twee jaar geleden dat mijn voorlopig laatste dichtbundel Het dikke meisje en de ziener werd gepubliceerd. Tot en met die datum plaats ik hier geregeld een gedicht uit de bundel, gevolgd door een korte toelichting.

 WAAROM
  
 waarom is er ruimte?
 waarom is er tijd?
 waarom zijn er honden en bomen en vogels en het menselijk ras?
 en waarom ben ik hier en niet daar?
 waarom zijn er gelovigen?
 waar geloven ze in?
 waar gaan we heen als het voorbij is vader?
  
 mijn vader zwijgt zoals altijd 
 en blijft zwijgen tot zijn zwijgen pijnlijk wordt
 dan haalt hij diep adem opent zijn mond
 ademt uit en laat zijn mond terug dichtvallen
 zegt dan dat ik het aan mijn moeder moet vragen
 dat zij het antwoord op heel veel vragen weet
 ik zeg oké 
 en vraag niemand iets
 mijn moeder zwijgt nooit
 maar geeft geen antwoorden
 omdat ze niet weet wat vragen zijn
 mijn moeder is een uitroep 
 die tussen aanhalingstekens leeft
  
 onzichtbaar zweven ze om me heen
 ik hoef alleen maar te wachten 
 tot de tijd zijn werk doet
 tot mijn hersenen volgroeid zijn
 dan doe ik hebbes gemene rotmysteries 
 met jullie airtje van ons krijg je niet lul
  
 waarom zijn er anderen en waarom is er mij?
 waarom kust mijn vader nooit eens mijn moeder
 en mijn moeder nooit mijn vader
 ook niet als ik niet kijk?
 en waarom heb ik pijn als ik ziek ben
 pijn als ik gezond ben
 maar nooit pijn als ik slaap?
  
 en waarom is er ruimte? waarom is er tijd? 

Toen ik ruim een jaar geleden in Antwerpen door Johan de Boose werd geïnterviewd over Het dikke meisje en de ziener focuste hij aanvankelijk op het lichtere werk in de bundel. Ik ben geen lichte dichter, humor is nooit een doel. Mijn adagium is al jaren onveranderd: humor is de overtreffende trap van ernst. Of zoals Herman Leenders zei tijdens de voorstelling van mijn op één na laatste bundel Kaas treft geen schuld tot het tegendeel bewezen is: ik ben de dansende beer die de mensen een spiegel voorhoudt. De ‘ik’ in mijn gedichten, dat bent u.

Johan de Boose besloot de literaire middag met het gedicht ‘Waarom’. Daar was ik blij om. ‘Waarom’ is een ernstig gedicht dat niet in een leutig zakje is verpakt. De ik-figuur is een kind dat vragend in het leven staat, dat heel veel dingen nog niet begrijpt en daarvoor niet bij zijn ouders terechtkan. Het kind meent dat met het ouder worden de antwoorden wel zullen komen.

Als kind zag ik wel eens het tv-journaal. Ik begreep niks van al die moeilijke woorden, ik had net zo goed naar de Chinese omroep kunnen kijken. Gaandeweg leerde ik de betekenis van die woorden, leerde ik hoe het leven op aarde georganiseerd is, wat de do’s en don’t’s zijn om het hier op een ietwat fijne en ordentelijke manier uit te zingen, maar de antwoorden op de fundamentele vragen, die kwamen niet. Nadat de mist om mijn hoofd was opgetrokken, dacht ik te kunnen zien, maar ik keek aan tegen de binnenkant van een stolp, een stolp van dik melkglas.

Dit is niet het eerste gedicht waarin mijn vader en vooral mijn moeder worden opgevoerd. Of je het nu wil of niet, de ouders spelen een belangrijke rol in eenieders leven. Ik heb de verhouding met mijn vader en mijn moeder al schrijvende geëxploreerd. Het thema drong zich op. Een dichter kiest zijn thema’s niet, de thema’s kiezen de dichter.

Hiermee eindigt de vijfdelige reeks ‘Het dikke meisje is jarig’ waarin ik vijf gedichten uit Het dikke meisje en de ziener heb gepubliceerd en van commentaar voorzien. Wie de bundel wil kopen kan die nog altijd bestellen bij mij middels de contactpagina, bij de boekhandelaar of bij uitgeverij In de Knipscheer.

Het dikke meisje is jarig (4)

Op 1 februari 2021 is het twee jaar geleden dat mijn voorlopig laatste dichtbundel Het dikke meisje en de ziener werd gepubliceerd. Tot en met die datum plaats ik hier geregeld een gedicht uit de bundel, gevolgd door een korte toelichting.

 DARWIN
  
 niets is nog heilig
 zelfs de wetenschap niet
 overleven is wat telt
 daar zijn geen heiligen bij nodig
  
 hoe we smachten naar vrije tijd
 vrije tijd om te doden 
 op gevaar van een dierlijk reveil
 die tijd is eindelijk aangebroken
  
 tel uw geld en draag het naar de bank
 de bank zal het voor u verkwisten
 een zorg minder 
 en wat voor een
  
 daar sta je dan 
 naakt als een slak 
 want kleren kosten geld
 je hebt het koud maar niet voor lang
 de beharing is gestart
 nog even en je draagt een vacht
  
 kniel en steun op je handen
 breng rechterhand en linkerknie naar voren
 vervolgens andere hand en andere knie
 herhaal die beweging en houd er nooit mee op
  
 je bent vertrokken 
 neen niet vertrokken je bent terug
 je bent helemaal terug 

De oorsprong van dit gedicht wordt verraden in de titel. Het is gebaseerd op de evolutietheorie van Darwin en de alom gekende en vaak geparodieerde afbeelding van de verschillende stappen in de ontwikkeling van de homo sapiens. Ik moet bij het schrijven van dit gedicht gedacht hebben aan de videoclip van Right Here, Right Now van Fatboy Slim. En onbewust aan Il était une fois… l’homme.

In ‘Darwin’ maak ik de evolutiecirkel rond. We worden terug beest. We zijn altijd al dierlijk geweest, met instincten, driften et cetera die we onder de knoet hadden, maar die halen weldra weer onbeschaamd de bovenhand. Goede manieren verwerven en een uitstekende scholing genieten waren ooit zeer gegeerd. Er zijn hoe langer hoe meer lieden die daar niet meer naar streven, wel integendeel. Domheid is het nieuwe slim zijn.

In het machtigste land ter wereld broeit onderhuids een burgeroorlog. Waarom zou het slome oude continent daaraan ontsnappen? Het contingent malcontenten, al dan niet terecht malcontent, dat al zeer groot is, moet eerst nog wat verder uitbreiden, aangevuurd door de sociale media – zoals zoveel uitvindingen goed bedoeld, maar helaas slaagt de mensheid er altijd weer in om fantastische uitvindingen om te smeden tot instrumenten om elkaar de duvel aan te doen. Het komt nog goed met de wereld, zegt u? Lokale initiatieven en de bedoelingen van mensen met gezond verstand stemmen mij hoopvol, maar het globale plaatje verontrust mij.

P.S. Van het gedicht ‘Darwin’ werd door de bibliotheek van Harelbeke een poëzieposter gemaakt. Die is vast nog voorradig. Wie hem wenst kan de bib contacteren.

Het dikke meisje is jarig (3)

Op 1 februari 2021 is het twee jaar geleden dat mijn voorlopig laatste dichtbundel Het dikke meisje en de ziener werd gepubliceerd. Tot en met die datum plaats ik hier geregeld een gedicht uit de bundel, gevolgd door een korte toelichting.

 IK HOU VAN MIJ
  
 we worden ouder
 maar onze verlangens niet
 en ik
 ik ben weer verliefd op mezelf
  
 met haar hand in de mijne 
 en de mijne in mijn vrije
 schrijden we langs een vitrine
 waar mijn kathedraal helemaal in past
  
 als de nacht valt dan kus ik haar
 maar meer nog kus ik mij
 onze vrienden merken het niet eens
 ze slaken androgyne gilletjes in al hun spiegels
  
 buiten beeld zetten zacht wat strijkers in
 ik val tegen me aan
 vang mijn eigen op
 en proef de tranen op mijn wang
  
 o wat houd ik van mezelf 
 en ook een beetje van jou 

Dag 3 in de verjaardagsweek van Het dikke meisje en de ziener. Over bovenstaand gedicht kan ik kort zijn. Het gaat over narcisme, een etterbuil die in onze samenleving almaar groter en afzichtelijker wordt. Er staat nog een tweede gedicht over narcisme in Het dikke meisje en de ziener, namelijk ‘Paling’.

‘Ik hou van mij’ is geen absoluut lievelingsgedicht van mij. In een gedicht moet elk woord, elke regel hét woord, dé regel zijn. Elk woord, elke regel moet de overtuiging in zich dragen onvervangbaar te zijn. Dat is de theorie. Dan krijg je een gedicht dat staat als een huis. Zegt men.

Maar soms is de verleiding om een beetje te freewheelen groot. Ik verklaar mij nader. De twee openingsregels, daar had gerust iets anders kunnen staan. Of ik had ze kunnen weglaten en starten met regel vier. Ook die vrienden en die androgyne gilletjes lijken er wat bij gesleurd. Maar ik vond de regel ‘ze slaken androgyne gilletjes in al hun spiegels’ wel iets hebben, dus liet ik die maar staan. Nou, erbij gesleurd, ik mag nu ook weer niet te streng zijn voor mezelf. Dat androgyne zou kunnen slaan op de transgenderproblematiek. Misschien vindt de dichter, ik dus, dat daar ook een vorm van narcisme in besloten ligt, in het niet kunnen aanvaarden van het eigen geslacht. We vinden mensen die door middel van cosmetische ingrepen aan hun lichaam prutsen narcisten, waarom zouden we dat dan niet mogen vinden van mensen die aan hun geslacht prutsen? Vind ik dat echt van dezelfde orde? Daar moet ik even over nadenken. Neen, ik denk dat er een wezenlijk verschil is tussen twee kilo vet uit je kin laten zuigen en veranderen van geslacht. Transgenders vertrekken vanuit wat ik zou noemen een anti-narcistische instelling, die mensen houden helemaal niet van zichzelf in het ‘verkeerde’ lichaam. Soit, laten we hierover ophouden, dit wordt wel heel veel gezeur over één luttele dichtregel.

Heel het narcistische en egocentrische gedoe waar de welstellende mens anno nu aan lijdt, wordt tragikomisch samengevat in de slotalinea. Ik houd het meest van mezelf, maar om allerlei redenen, die u zelf ook wel kunt bedenken, heb ik graag een of meerdere ‘inferieure’ anderen om me heen. Dat is weer ik niet die dat zeg, maar zo denkt vermoedelijk de narcist.

Bla bla bla. Binnenkort een volgende aflevering in de verjaardagsweek van Het dikke meisje en de ziener. Dan vertel ik u iets over het gedicht ‘Darwin’.

Het dikke meisje is jarig (2)

Op 1 februari 2021 is het twee jaar geleden dat mijn voorlopig laatste dichtbundel Het dikke meisje en de ziener werd gepubliceerd. Tot en met die datum plaats ik hier geregeld een gedicht uit de bundel, gevolgd door een korte toelichting.

 BINNENSCHIPPERS ZIJN GELUKKIG
  
 wat vaart een binnenschip traag
 de schipper wijst naar de verte 
 zie ginds een brug roept hij naar zijn vrouw
 over vijf jaar varen we eronderdoor
 de vrouw haast zich naar het dek en omhelst haar man
 tranen biggelen over hun wangen van geluk
  
 ik verlaat het jaagpad en zie een man met hond
 achternagezeten door een truck met daarin twee kerels in fluo hesjes
 ze proberen de hond te overrijden 
 de man neemt de hond in zijn armen en begint te rennen 
 als gek rijdt het tuig achter hen aan 
  
 ik krijg een opstoot van altruïsme gooi mijn fiets 
 in een struik haal mijn semiautomatisch pistool 
 uit mijn fietstas en vuur door de voorruit van de truck 
 tot die zich tegen een eik te pletter rijdt
  
 daarna schiet ik de hond dood (omdat hij me razend 
 van angst naar de keel vliegt) en ten slotte dien ik 
 (om ongeveer dezelfde reden) het baasje neer te leggen
  
 het is me het bloedbadje wel 
 en de dag moet eigenlijk nog beginnen
 ik raap mijn fiets op berg het pistool in mijn tas
 snuit mijn neus en spoed me naar het werk 
  
 driftig trappend blijft het voorval nog een wijle in mijn hoofd spelen
 maar ik sus mezelf met de gedachte dat ik een goede daad heb gesteld
 weliswaar met – dat kan ik niet ontkennen – enige nevenschade 
  
 wanneer ik tussen de bedrijven door het lichtlogo 
 van mijn werkgever zie opdoemen denk ik onwillekeurig 
 aan twee collega’s die ik gisteren halfnaakt 
 kussend in de toiletten aantrof
  
 allebei getrouwd en met kinderen is het niet dramatisch?
 nooit heb ik in al die jaren ook maar één seconde vermoed 
 dat Kaat en Vera lesbiennes waren 

Ik moet u iets bekennen. Ik ben een beetje gek in mijn hoofd. Op een niet ongezonde manier evenwel. En die gek leeft in een perfecte symbiose samen met de ernstige, saaie, bange, conservatieve, bij wijlen zelfs ietwat reactionaire lul die ik eveneens ben. Aan die tweede heb ik niks, poëziegewijs gesproken. Aan die eerste wel.

Mijn gedichten lijken soms miniverhaaltjes. Als de gek zich ermee inlaat, dan wordt het wat. Op die gedichten, de miniverhaaltjes, met af en toe een portie ‘zever gezever’, ben ik stiekem het meest trots. Stiekem, omdat het waarschijnlijk geen grootste poëzie is. Maar grootste poëzie kan mijn reet likken. (Sorry, dat was de gek die sprak, die gaat wel eens vaker de scatologische toer op, let niet op hem.)

In niet-coronatijden fiets ik elke dag een end jaagpad langs de Leie. Ik haal dan wel eens een binnenschip in, of zie een binnenschip mijn richting uit komen. Een binnenschip inhalen is niet zo moeilijk. Mijn oma, die met het beenlengteverschil, de orthopedische schoenen, de bilaterale kunstheup en het looprekje kan het ook. ‘Binnenschippers zijn gelukkig’ begint sereen met dat schipperstafereeltje, maar de regel ‘over vijf jaar varen we eronderdoor’ laat doorschemeren dat er mogelijkerwijs een streepje onzin zit aan te komen.

Ik ben een pacifist. Geschillen moeten wat mij betreft altijd met rede worden uitgeklaard. Nog nooit van mijn leven heb ik gevochten. Dat klinkt laf en lullig, maar het is waar. Zelfs niet als kind. Ieder mens is echter behept met een portie agressie, ook ik. Die moet een uitweg vinden. (O ja, ik heb ooit eens een stoel naar iemand gegooid, of was het doen alsof ik zou gooien, ik weet het niet meer precies. Maar hoe dan ook, zelfs indien ik werkelijk zou gegooid hebben, hardhandig het meubilair herschikken is niet hetzelfde als vechten.) Hoe graag ik ook iedereen die mij in mijn leven ooit wat misdaan heeft op de muil zou willen timmeren, ik doe het niet. Ik heb mij dankzij een normale opvoeding en degelijk onderwijs al op jonge leeftijd een zekere mate van civilisatie eigen gemaakt en heb die in de loop van mijn leven behouden, uit overtuiging of uit luiheid, ook dat weet ik niet precies. Misschien vooral omdat ik bang ben mijn knokkels te bezeren en een saflet tegen mijn muil terug te krijgen.

Het gedicht ‘Binnenschippers zijn gelukkig’ – uit de bundel het lievelingsgedicht van Manu S., een regelmatig bezoeker van dit weblog – is een kortfilm. De camera zwenkt van het binnenschip, waar niets te beleven valt, naar de oever, en dan plotsklaps, pats boem tarara, zit het spel op de wagen. Ik vind het jammer dat er in de film een dier moet sterven, maar het was uit zelfverdediging, sorry. Geen kat gelukkig, maar een hond. In mijn gedichten kan in principe alles gebeuren, maar een kat laten sterven zal ik nooit doen, want u weet (of weet niet) dat ik dol ben op katten. God is een kat, zeg ik altijd. De bewijzen voor die stelling zijn er. Immers, de wereld is niet perfect. Die moet dus wel zijn geschapen door een wezen dat twintig uur per dag zalig spinnend en in een bolletje gerold ligt te slapen. Laten we voor het gemak maar aannemen dat de hond die ik doodschiet zo’n extreem gevaarlijke lelijkesmoelhond is. Had ik hem niet neergelegd, dan had hij diezelfde dag nog drie schoolmeisjes gebeten. Ook ben ik jaloers op de snelheid waarmee de ik tot de orde van de dag overgaat. Bloedbadje aanrichten, wapen opbergen, neus snuiten, de fiets op en vooruit met de geit. Als een ware actieheld. Faut le faire.

In de frase ‘tussen de bedrijven door’ vergelijk ik het leven met een schouwtoneel. Het bestaan zien als theater, dat heb ik in wel meer gedichten gedaan. De dichter is tezelfdertijd acteur, regisseur en publiek. Het leven vergelijken met theater is een niet bijster originele visie, een oude knakker genaamd William Shakespeare wist het al: ‘All the world’s a stage / And all the men and women merely players.’

U wilt nog één vraag beantwoord zien, geef het maar toe. Of ik op mijn werk wel eens halfnaakte, kussende lesbiennes aantref in de toiletten. Ach, breek me de bek niet open. Dagelijks, vriend, dagelijks moeten mijn bruine Bambi-oogjes heelder bergen lillend lesbovlees aanschouwen, je houdt het echt niet voor mogelijk in wat voor onwaardige arbeidsomstandigheden ik de kost moet verdienen. (Dat was die gek weer, let niet op hem. Hoe meer aandacht je hem schenkt, hoe brutaler zijn bek.)

Het dikke meisje is jarig (1)

Op 1 februari 2021 is het twee jaar geleden dat mijn voorlopig laatste dichtbundel Het dikke meisje en de ziener werd gepubliceerd. Tot en met die datum plaats ik hier geregeld een gedicht uit de bundel, gevolgd door een korte toelichting.

 ANANAS
  
 en zodoende belandde ananas in de gevangenis
 alwaar een zoet blozende bewaker 
 hem in een koelcel bewaart
  
 begrijp me niet verkeerd 
 ananas heeft niets misdaan
 ananas ligt languit op zijn brits
 ananas wordt driemaal per dag gelucht
 ananas vervloekt de dag dat hij rijp is
 voor de slacht 
  
 ananas maakt geen amok
 ananas roept niet om zijn moeder
 ananas knoopt geen lakens aan elkaar
 ananas zit rustig zijn appetijt uit
 en is elke dag een beetje meer
 om op te eten 

Het mooie aan zelfgemaakte poëzie is dat je niet weet waar het allemaal vandaan komt. De mens is een spons die alles wat hij ziet, hoort, droomt, beleeft… vermaalt tot een brij die met de jaren almaar omvangrijker wordt. Daarmee gaat de dichterlijke mens aan de slag, roert er een fantasiesausje doorheen, whatever, en tracht iets af te leveren dat volgens zijn eigen maatstaven lezenswaardig genoeg is om te delen met anderen.

‘Ananas’ kreeg van lezers en critici verrassend goede commentaren. Ik heb getwijfeld over dit gedicht. Wat staat hier nu eigenlijk? Is het niet te onnozel, dit ananasverhaaltje? De woordgrap ‘koelcel’ bijvoorbeeld, is die flauw of net goed?

Ik lieg. Ik heb niet getwijfeld. Dit moest in de bundel, zeker weten. Vraag me niet waarom. Fingerspitzengefühl. Omdat ik het wilde. Dat vooral. Omdat het voldeed aan mijn maatstaven. Ik ben de dichter die ik ben en ik kan geen andere dichter zijn. De dichter die ik ben houdt van dit gedicht en hoopt van u hetzelfde.

Wim van Til van Poëziecentrum Nederland dacht dat ananas verwees naar een Zuid- of Midden-Amerikaans staatshoofd, dat ananas werd genoemd omwille van zijn pokdalig gezicht. Helemaal niet. Ik zal me bezighouden met Zuid- of Midden-Amerikaanse staatshoofden. De ananas is een ananas. Ik had geen ander beeld voor ogen dan een ordinaire verse ananas. Een ananas die in de gevangenis zit, waarom niet.

‘Ananas’ is een mooi woord. Mooier dan ‘citroen’, ‘perzik’ of ‘banaan’, hoewel ‘banaan heeft niets misdaan’ niet slecht klinkt. De herhaling van ‘ananas’ gaat op den duur een klein beetje op de lachspieren werken. ‘Brits’, ‘rijp’, ‘slacht’, ‘amok’ en ‘appetijt’ zijn aardige woorden, daar kan je iets mee in een gedicht.

De kracht van het gedicht zit volgens mij in het raakvlak van absurditeit en realiteit. Mocht je de ananas toch willen personifiëren, dan zou volgende uitleg mogelijkerwijs plausibel zijn, uitleg achteraf welteverstaan. We zitten ons leven in onvrijheid uit, we hebben geen andere keuze en gaan er uiteindelijk allemaal aan. Dat eraan gaan wordt in het gedicht positief verwoord: we zijn elke dag een beetje meer om op te eten. Níet natuurlijk, we zijn niet elke dag een beetje meer om op te eten. Oud worden we, en lelijk, kreupel, hardhorig, dement, incontinent… om uiteindelijk gekrompen, met holle ogen en doorzichtige huid te belanden in de muil van het mysterieuze monster dat ons opslokt en uitspuwt richting vergetelheid.

Genoeg. Ik lijk wel niet goed bij mijn hoofd om een eigen gedicht van commentaar te voorzien. Dit is fout. Vergeet alles wat ik zei. De volgende dagen maak ik voor u graag nog eens dezelfde vergissing.