EK Voetbal (1)

Over enkele dagen start het Europees Kampioenschap voetbal. Het is het tweeëntwintigste groot toernooi, EK’s en WK’s samen, dat ik bewust meemaak. Dat zijn er veel. Dit is het eerste in een onpaar jaar, door de gekende omstandigheden. Ik was als kind blijkbaar rapper geïnteresseerd in popmuziek dan in voetbal. Het WK van 1974 en het EK van 1976 zijn geheel aan mij voorbijgegaan. Argentinië 1978 herinner ik mij wel: de langharige Argentijnen, het afstandsschot van Arie Haan, Peru, met sterspeler Cubillas, dat er op een dubieuze manier werd uitgeknikkerd, of het thuisland een handje hielp, was dat het? De grimmige sfeer tijdens de finale en hoe dat veld eruitzag, alsof de papierophaler er zijn lading had verloren.

Wat nog? Even snel uit het hoofd door die tweeëntwintig toernooien scrollen. 1980. Na school naar huis fietsen om Ceulemans en Wilkins te zien scoren. Enkele dagen later de finale. Swat Van der Elst, Vandereycken, laatste minuut winnende goal voor Duitsland van Hrubesch, die nota bene bij Standard speelde, ja toch? 1982: Rossi. Maar ook Falcao, Socrates, Eder. 1984: Veel ‘Belgen’ bij de Denen, ploegmaten, maar die bewuste dag in Frankrijk verbeten tegenstanders. Vandereycken gooit de tas van een verzorger weg terwijl die – ik geloof – Morten Olsen verzorgt, of was het Preben Larsen, lastigaard, nijdigaard, gehaat door iedereen die geen Lokeren-supporter was, maar wát een voetballer. Vertimmerde Belgische ploeg na het omkoopschandaal. De Greef en Lambrichts opgeroepen, niet goed genoeg om de geschorste titularissen te vervangen. 5-0 tegen onze doos van de Fransen. Platini. EK 1984 is gelijk aan Platini. Wie hem alleen maar heeft gekend als indommelende en sjoemelende voetbalbobo kan nauwelijks geloven dat dit ooit een ballerina op noppen was. En die langharige krullenbol in de spits naast hem, hoe heette die ook weer? Rocheteau of zoiets.

1986, Mexico. De hand van God, de show van Pfaff. België-USSR, beste wedstrijd aller tijden en neen, Ceulemans stond niet buitenspel bij dat doelpunt. Belanov. De kopslag van Demol. Papin, Brugse trots bij de Fransen. Leo Van der Elst, broer van die andere, weet hoe je een strafschop moet nemen als je nog amper op je benen kunt staan van de zenuwen: keihard rechtdoor, ogen open of dicht, maakt niet uit. 1988: Van Basten, Vieri met dat raar plukje haar aan de ene kant van zijn hoofd. 1990? Even denken … o ja, natuurlijk, het best voetballende Belgisch elftal ooit, met Ceulemans niet in de basisploeg, maar dat duurde niet lang. Het drama David Platt, na foutje van Franky Van der Elst, geen familie. Foutjes, iedereen heeft het altijd over foutjes. Voetbal is geen spel voor robots, wat zou het voorstellen zonder foutjes?

1992. Herinner ik me niet en ik weiger het op te zoeken. 1994. Go West, naar het Westen dus, Go West, gaan we met de bus? Zullen daar op het plein ook witte lijnen zijn? Albert, Preud’homme, Joske Weber. 1996? Geen idee. 1998: Frankrijk met zweetkop Zidane en Ronaldo, de dikke. 2000: EK in de Lage Landen. Kopstoot van zweetkop in Italiaanse maag. Belgen eruit in de groepsfase. Nederland waardeloze strafschopnemers. 2002: Japan en Zuid-Korea. Tijdens de middagpauze in de Riley kijken naar België-Tunesië op groot scherm. De wedstrijd wordt geprojecteerd in spiegelbeeld verdorie. Prendergast. 2004: even nadenken, Bierhoff? 2006: sterk Spanje? 2008: black-out. 2010: waka waka, ga erheen en je zult in een doodskist terugkeren, zei een journalist. 2012… wacht even, ik heb ergens onderweg het EK in Oostenrijk en Zwitserland over het hoofd gezien en ik moet ook nog het EK in Polen en Oekraïne ergens in kwijt geraken. 2014: Brazilië, Divock wie? 2016: supporters moeten stoppen aan de grens met Frankrijk, hun bierblikjes leeggieten en mogen dan verder rijden om in Rijsel Wales te zien winnen, haha. 2018: als Meunier een tweede geel pakt in de tweede wedstrijd, dan zit hij zijn straf uit in de overbodige match tegen Engeland en speelt hij de halve finale, en wordt dat misschien een andere wedstrijd. Net zo goed gingen we eruit tegen Japan of tegen Brazilië. Frankrijk was beter, laten we dat voor eens en voor altijd aanvaarden. Ik erger me aan de auto’s met tricolore spiegelhoesjes en vlaggetjes. Het is maar goed dat we geen wereldkampioen werden. Ik supporter voor mijn land, met plezier en overtuiging, maar als half België de zatte onnozelaar begint uit te hangen, dan mag voor mijn part het spelletje worden afgefloten.

Schiet me nog iets te binnen? 1992, natuurlijk, Danish Dynamite. Van het strand geplukte Denen die invallen op het EK voor het oorlogszuchtige Joegoslavië, en het EK nog winnen ook. Nog namen? Toto Schillaci, Higuita en Valderama – spel ik die namen goed? voor één keer kan het mij geen lor schelen -, Roger Milla, de pistoolschoten van die Zweed die nog bij Mechelen heeft gespeeld, neen, niet Ingesson, die andere. Kenneth en nog iets. Ik was even ingedommeld, schiet wakker en zie lang na middernacht Roberto Baggio klaar staan om een penalty te nemen. Hij mist, Brazilië kampioen. Roberto Baggio, wat een speler, maar wie kent die nog? Davor Suker. Romario en Bebeto. Roemenen met geel geverfd haar die de wedstrijd verliezen. Een wedstrijd verliezen is niet prettig, een wedstrijd verliezen met geverfd haar is gênant. O, nog iets belangrijks vergeten: Griekenland en Portugal wonnen ook ooit een EK. Hoe dichter bij het heden, hoe minder ik mij herinner. Is dat de aderverkalking die komt opzetten?

De traag- en snelheid van de tijd

In de prachtige tv-serie It’s a sin vraagt Jill aan Colin of hij, tijdens zijn bezoek aan New York, wat informatie wil zoeken over die nieuwe, verschrikkelijke ziekte die aids heet. Want in heel Londen, nochtans geen dorpje van niemendal, is er geen informatie te vinden en huisartsen ketsen vragen over het onderwerp af. De serie speelt zich af aan het begin van de jaren tachtig.

Het fragment verbouwereerde mij. Heb ik in die tijd ooit de indruk gehad dat informatie, wat voor informatie dan ook, niet beschikbaar was? Ik dacht het niet. Welke informatie trouwens? We deden het met wat we hadden.

In de Middeleeuwen waren ridders, edelmannen, kunstenaars… maandenlang onderweg van Vlaanderen naar pakweg Italië. En bij vertrek wisten ze niet of ze zouden terug geraken of door roversbenden om het hoekje worden geholpen. Hoelang duurt het nu om van Brussel naar Rome te vliegen? Twee uur en een klets. De wereldzeeën bevaren? Zelfde verhaal. Maanden, jaren onderweg. Nu sta je in een dag in Nieuw-Zeeland en dat vindt wie er heen moet veel te lang, dat komt door die vervelende tussenstops.

Het moet een heel end na september 1979 geweest zijn, want ik kende hem voordien niet, dat mijn schoolkameraad Geert V. dat boek in mijn handen stopte. Er was in Engeland van alles gaande op het vlak van muziek. Ik had de term ‘punk’ al wel gehoord en kende allicht ook de muziek, maar de scène kreeg pas een gezicht toen ik het boek opensloeg. Meisjes en jongens met veiligheidsspelden door hun lip, gekleed in lederen outfits met heel veel overbodige ritsen. Piekjeshaar, halsbanden met pinnen, T-shirts met schreeuwerige prints, legerbottines, visnetgewaden, de hele reutemeteut.

Hoezo, er was van alles gaande? Was het al niet over zijn hoogtepunt heen toen we hier dachten dat het nieuw was? De LP Never mind the bollocks, here’s the Sex Pistols kwam uit in oktober 1977. We waren verdorie twee, drie jaar achter.

Tegenwoordig is alle informatie meteen beschikbaar. Als Remco weer eens de gymnast uithangt, terwijl hij eigenlijk een wielrenner hoort te zijn, en in Italië over een reling duikt, dan staat dat filmpje, terwijl Remco nog aan het recht krabbelen is, al op Twitter. Zelfs wie geen Twitter heeft, zoals ik, weet en ziet dat terstond, want de nieuwssites nemen het per direct over.

De mens(heid) holt te snel en wie te snel holt, moet even terugschakelen, of gaat op zijn bek.

Eurovisiesongfestival (4)

Wat deed ik de avond van 5 mei 1984? Niet naar het Eurovisiesongfestival kijken, want als ik de namen van de deelnemers overloop, dan zeggen die me weinig of niets. De winnaars in 1984 heetten The Herreys, een Zweedse boysband. Die haalde het met een infantiel nummer met een infantiele titel.

In de jaren die volgden, hoorde ik op een verre radio meerdere keren dat Italiaanse lied. Ik moet telkens eens opgekeken hebben van waar ik op dat moment mee bezig was, om te genieten van dat prachtige duet. Ik heb lang verkeerdelijk gedacht dat het Al Bano & Romina Power waren die het zongen. Een ander Italiaans man/vrouw-duo kende ik niet. Tot een mens ineens beschikt over dat ding dat internet heet en alles, neen niet alles maar toch veel, kan opzoeken en herbekijken.

Alice & Franco Battiato, zo heten de vertolkers van dat schitterende lied, het allermooiste Eurovisiesongfestivallied ooit. U had van mij iets poppy verwacht als mijn favoriet, iets uptempo, maar ik houd van vele muziekjes. ‘I Treni Di Tozeur’ begint met een fraaie intro en die stemmen die in elkaar overgaan. Wat volgt is werkelijk een enig stukje muziek dat in het refrein, dat bulkt van grandeur en tristesse, in een perfecte samenzang naar een hoogtepunt toe werkt. Het gaat over een trein, weet ik veel, maar dat is niet belangrijk. Ik spreek geen Italiaans, de tekst gaat volledig aan mij voorbij. Toch raakt dit lied mij geweldig, en als ik het tien keer na mekaar hoor, dan raakt het mij tien keer even diep.

Ongelooflijk maar waar. Dit stukje schreef ik enkele dagen geleden al. Ik wilde het nu, vandaag, publiceren, zoek nog even op het internet naar andere versies en lees ineens dat Franco Battiato is overleden… op 18 mei 2021. Vandaag.

Olie drijft altijd boven. Ook al won ‘I Treni Di Tozeur’ in 1984 niet, wat eigenlijk compleet onbegrijpelijk is, het groeide uit tot een van de bekendste Italiaanse liederen, en wordt ook vandaag nog geregeld op de Vlaamse radio gedraaid, wat van weinig andere Eurosong-nummers – winnaars of niet-winnaars – kan gezegd worden. Als het in ons land nog vaak op de radio komt, zal dat in andere Europese landen niet anders zijn.

Het Eurovisiesongfestival hoeft voor mij niet te blijven bestaan als het een evenement wordt of al is waar opvallen en scoren om andere redenen dan de muziek de boventoon voert. Maar moge ‘I Treni di Tozeur’ een niet mis te verstane boodschap zijn aan de deelnemende landen. Stuur een keigoed lied, dan maakt het niet uit of je wint of achtste of dertiende wordt. Als het sterk genoeg is, dan zal het de tand des tijds wel overleven, terwijl foute, hippe hypes mogelijk vluchtig succes opleveren en al even vluchtig tussen de plooien van de muziekgeschiedenis vallen om daar voor eeuwig stof te liggen vergaren.

Hieronder ‘I Treni di Tozeur’, 32 jaar na het Eurosongfestival.

Riposare in pace, Franco Battiato.

Bohemian Rhapsody

Bohemian Rhapsody, de film, was onlangs op tv. Ik had hem nog niet eerder gezien en was dan ook zeer benieuwd of de heel hoge IMDB-score en de Oscar voor Rami Malek terecht waren. Ja, dat is zo. Alleen al de manier waarop Malek zijn bovenlip over dat immense bovengebit haalt, net zoals Freddie dat deed, is grandioos. Het is onvoorstelbaar hoe ook de andere bandleden perfect worden neergezet, vooral op het podium. Hoeveel tijd moet er niet aan zijn besteed om dat helemaal goed te krijgen. Soit, je bent acteur of je bent het niet. Alleen de late Roger valt een beetje uit de toon.

Tijdens de discussie of het lange ‘Bohemian Rhapsody’ als single moet worden uitgebracht, roept Freddie ineens dat hij ‘opera’ in zijn muziek wil brengen, hiermee verwijzend naar de titel van de LP ‘A Night At The Opera’. In de film wordt verzwegen dat die titel, net zoals de titel van de opvolger ‘A Day At The Races’ ontleend is aan films van de Marx Brothers.

De carrière van Queen kunnen we verdelen in twee perioden: Freddie met lang haar zonder snor, en Freddie met kort haar en snor. Of voor wie een andere opsplitsing wil: John Deacon vóór zijn vogelnestkapsel, en John Deacon tijdens en na zijn vogelnestkapsel. Die eerste periode is veruit de interessantste. Van de tweede periode onthoud ik alleen maar, als ik heel streng ben, ‘One Vision’, ‘Las Palabras De Amor’ en ‘A Kind Of Magic’.

Ik was 10 toen de single ‘Bohemian Rhapsody’ uitkwam. Het was een bom die viel, maar later is mijn liefde voor het nummer wat bekoeld. Het beste werk van Queen dateert eigenlijk van vóór 1975, van vóór ‘Bohemian Rhapsody’. ‘Now I’m Here’ en ‘Seven Seas Of Rhye’ zijn fantastisch en dat geldt evenzeer voor het minder gekende ‘Brighton Rock’ en ‘Flick Of The Wrist’.

Eurovisiesongfestival (3)

De Belgische inzending voor het Eurovisiesongfestival wordt afwisselend afgevaardigd door de VRT en de RTBF. Hoe werd dat in het verleden zoal aangepakt? Een artiest aanduiden met een liedje, en vooruit met de geit, da’s het eenvoudigste. Eén artiest aanduiden en die verschillende liedjes laten brengen en dan daaruit eentje kiezen. Is ook al gebeurd. Een aantal artiesten twee of drie liedjes laten brengen en daaruit dan een winnaar en een winnend liedje kiezen. Ook. Of er een heuse competitie van maken met preselecties, halve finales en een finale. Veruit de meest spectaculaire werkwijze, zeker als je zorgt voor een jury met uiteenlopende karakters en meningen, met daarin minstens één iemand die nooit een blad voor de mond neemt – laten we dat jurylid Marcel Vanthilt noemen – en een zaal vol opgefokte familieleden, vrienden, buren… die elk woord van elk jurylid trakteren op gejuich of gejoel, al naargelang het hun geliefde kandidaat goed of slecht uitkomt. Voeg daar dan nog een obscure televoting aan toe en het feest is compleet. De televisiekijker heeft ook een stem in het kapittel, meestal minstens evenwaardig aan de stem van de jury. Fons en Arlette, thuis in hun canapé, moeten het gevoel hebben dat zij het zijn, die een Belgische artiest sturen naar het Eurovisiesongfestival in Dublin, Oslo, Rome, Rotterdam of godbetert Jeruzalem.

Televoting is obscuur, omdat niemand precies weet of de registratie van de telefoontjes wel correct gebeurt. Er is een gerechtsdeurwaarder aanwezig, maar is die wel zuiver op de graat? Televoting is niet alleen obscuur maar ook oneerlijk. Je zal als begenadigde nachtegaal, enig kind en een beetje een kluizenaar, want altijd bezig in de studio met keigoede nummers te fabriceren, maar moeten optornen tegen Kwasi Tevoko, Belgische jodelaar van Zambiaanse afkomst, met 11 broers, 16 zussen, 34 nonkels en tantes, en 173 neven en nichten, die allemaal met hun gratis telefoonabonnement van het OCMW de hele avond non-stop bellen om de trots van de familie, die nog geen hoge do van een lage la kan onderscheiden, naar Dublin, Oslo, Rome, Rotterdam of godbetert Jeruzalem te televoten.

Is het eigenlijke Eurovisiesongfestival in wezen een saaie gebeurtenis, bestaande uit een opeenvolging van introducties van de deelnemers – altijd zijn dat grappig bedoelde filmpjes die niet doen wat ze beogen, namelijk grappig zijn – , de liedjes van de deelnemers en ten slotte de puntentelling – altijd met in sommige landen een leuke puntenmededeler die niet slaagt in wat hij beoogt, namelijk grappig zijn, en dan maar afsluit met een complimentje aan het adres van de gastvrouw van het organiserende land, hoe wonderful ze er wel niet uitziet – , dan staat zo’n nationale preselectie wél garant voor vuurwerk. Zo was het ook in het jaar 1999, het fameuze jaar dat, na het afscheuren van het allerlaatste blaadje van de Druivelaar, misschien wel of misschien niet zou overgaan in het jaar 2000, maar niet zonder dat eerst alle computers op aarde op hol zouden slaan en we veel kans maakten dat er ineens pardoes een vliegtuig uit de lucht pardoes op ons hoofd zou vallen.

Als u mij vraagt: Philip, wat is volgens u het beste Belgische Eurosong-lied aller tijden, dan neem ik u mee naar het jaar 1999. Neen, niet ‘Like the Wind’ van de menselijke windmolen Vanessa Chinitor, dat uiteindelijk naar Jeruzalem mocht om daar een amper opgemerkt briesje te laten waaien. Mijn beste Belgische Eurosong-lied ever is er een dat de nationale selectie niet overleefde. In 1999 werd Alana Dante met ‘Get Ready for the Sunsand’ pas derde, tot onvrede van velen, niet in het minst van jurylid Marcel Vanthilt en van mezelf. Tijdens de preselecties en de halve finale gebruikte Alana Dante een ‘machientje’ waarvan ik nog altijd niet precies weet wat het is, een soort stemvervormer die in het nummer heel even werd gebruikt, vermoed ik. Eén jurylid, de hoogst ergerlijke Mark Coenegracht, kraakte haar volledig af en trachtte het publiek wijs te maken dat ze niet zelf zong. In de finale deed ze het zonder dat machientje, ze deed het goed, dat moest Coenegracht ook toegeven, maar hij trapte nog een laatste maal na. Velen waren en zijn er nog altijd van overtuigd dat ‘Get Ready for the Sunsand’, een geweldig uptempo-nummer (vergelijkbaar met Ooh Aah… Just A Little Bit van Gina G, dat in 1996 ook niet won, maar wel een grote hit werd) hoge ogen had kunnen gooien in Jeruzalem. In de plaats daarvan werd het de scheet in de fles ‘Like the Wind’ genaamd. Blijkbaar heeft Vanessa Chinitor 11 broers, 16 zussen, 34 nonkels en tantes, en 173 neven en nichten. Welk telefoonabonnement die hebben is mij niet bekend.

Kijk hieronder naar de finale van de Belgische preselectie. ‘Get Ready for the Sunsand’ komt aan bod vanaf minuut 37:37.

Alles over België op het Eurovisiesongfestival vind je op deze pagina. Onderaan de pagina klikken op de jaartallen voor informatie over de Belgische preselecties.

Eurovisiesongfestival (2)

Ik vroeg me af waarom de hitparade-artiesten niet naar het Songfestival gingen: Queen, Rod Stewart, Status Quo, The Sweet, Mud, The Rubettes, The Bay City Rollers, Alvin Stardust of de halfgare Gary Glitter. Het leek wel alsof er voor het festival in een aparte muzikale vijver werd gevist. Toch brachten de edities van ’74, ’75 en ’76 fraaie winnaars voort met ABBA (‘Waterloo’), Teach-In (‘Ding-a-dong’) en Brotherhood of Man (‘Save your kisses for me’). Veel mensen vinden ‘Waterloo’ nog altijd de ultieme ABBA-hit, maar als ik een lijstje zou maken met mijn 15 favoriete ABBA-hits, dan komt het er niet in voor. Mijn absolute ABBA-favorieten zijn ‘Knowing Me, Knowing You’ en ‘The Name of the Game’. Dit terzijde. Wat Teach-In betreft, er is een Amerikaanse film over een zieke jongen die naar Amsterdam reist om de auteur van zijn lievelingsboek te ontmoeten. In die film zegt een personage tegen een ander iets als ‘There was a Dutch song called Ding-a-dong. It was the favorite song of my father.’ De naam van de film ontsnapt me en ik heb geen zin om hem op te zoeken.

Laat me even doorspoelen naar 1980. Ik ben een puber en al lang niet meer bijster geïnteresseerd in het Songfestival. Vaak zie ik het meer als uitlachtelevisie dan wat anders. België wordt dat jaar vertegenwoordigd door Telex, een Waals synthesizertrio dat met ‘Eurovision’ een parodie brengt op het evenement waar het aan deelneemt. Telex is de luis in de pels, de anti-Europeaan die als verkozene zetelt in het Europees Parlement, de carnivoor in de vegan shop . Het was Telex niet te doen om de punten. Dat de drie heren geselecteerd werden en mochten optreden voor vele miljoenen kijkers in heel Europa was al een overwinning op zich. Telex is tegenwoordig terug brandend actueel met een nieuw compilatiealbum, ‘This is Telex’. Telex is zo’n beetje het Kraftwerk van den Aldi. Pioniers waren ze wel, in eigen land zeker, maar ik word niet wild van hun synth-pop covers van ‘Dear Prudence’ of ‘Ça plane pour moi’. Maar die subversieve act op 19 april – mei is dan toch niet altijd de festivalmaand – 1980 in Den Haag kon ik wel pruimen. Subversief? Toen wel. Als je het optreden echter bekijkt door de ogen van nu, lijkt het als act nogal magertjes. Visueel waren deze jongens geen hoogvlieger. Telex kwam als laatste aan de beurt, als een soort appendix. Het orkest mocht inpakken en ‘synthesizers en noemt u maar op wat er allemaal bij zit’, zoals de commentaarstem op de Nederlandse tv het noemde, namen het over. Op het einde wordt een stukje van ‘Te Deum’, de EBU-tune gespeeld. Het nemen van de foto kan gezien worden als een omkering van de rollen die artiest en publiek vervullen. Heeft het publiek niet genoten van de artiest, de artiest dan toch van het publiek, en dat moet voor het nageslacht worden vastgelegd.

Eurovisiesongfestival (1)

Meimaand is de maand waarin elke vogel een ei legt én van het Eurovisiesongfestival. Het festival is verworden tot een flauw en overbodig afkooksel van het liedjesfestival dat het ooit geweest is. Ik volg het al ruim een decennium niet meer. Als ik de complete lijst met alle deelnemers van alle edities overloop, dan doen de winnaars van de voorbij tien jaar bij mij amper een belletje rinkelen, behalve ‘Euphoria’ van Loreen en natuurlijk – hoe zat dat ook weer precies? – de vrouw met de baard, of neen, de man met de baard die eruit wilde zien als een vrouw… alleszins iets met een avondkleed en veel gezichtsbeharing, Conchita Wurst genaamd. Dix points voor die naam alleen al. Douze points indien het Conchita Bratwurst was geweest, want dat is nog geiniger.

Wanneer werd dit evenement een rariteitenkabinet? Dat moet met de overwinning van Lordi geweest zijn in 2006, vijftien jaar geleden, wat vliedt de tijd toch snel. Ze waren de grap van de dag, maar wonnen. De geloofwaardigheid van het festival lag aan diggelen. Landen wisten niet langer of ze een clown moesten sturen of een zanger(es). Het ging niet meer om de muziek, maar om hoe meer op te vallen dan de andere deelnemende landen. En wie wil opvallen moet nu eenmaal gekke bekken trekken of een blits pakje dragen. Dat zien de media graag, hebben ze iets om over te schrijven. En in de voetsporen van de media volgt gedwee het kijkvee.

Mijn verste herinnering aan een winnaar, een winnares in dit geval, is er een uit het jaar 1972. Ik was 7 jaar. Het lijkt mij weinig waarschijnlijk dat ik heb mogen opblijven tot Vicky Leandros met de bos bloemen zwaaide en als laureate haar lied nog eens opnieuw mocht brengen. Toch kan ik in de jukebox in mijn hoofd het krachtige ‘Après toi’ terstond oproepen. Ik zal de avond van het festival wel in mijn bedje hebben gelegen en Vicky Leandros later hebben gezien, toen ze het nummer bracht in een van de vele televisieshows waarin steevast muzikanten, ter verluchting van het programma, hun opwachting maakten.

In 1973 was ik al een grote jongen van 8 en zat ik zeker wel voor de buis, het zal wel zijn verdorie. Over blitse pakjes gesproken, 1973 is het jaar van ‘Baby, baby’ van Nicole & Hugo. Ik denk altijd dat dit een nummer is van ver voor mijn tijd, dat ik dit onmogelijk live op tv kan gezien hebben. Dat klopt niet, of misschien was ik net even naar het toilet toen N & H hun ding deden, want ik heb een levendige herinnering aan het toch wel fraaie, winnende lied met de intrigerende titel ‘Tu te reconnaîtras’ van Anne-Marie David. Wederom een winnende inzending van Luxemburg, net als het jaar ervoor. Die Letzenburgers moeten gedachten hebben: “änneren ni e Gewënner Team”, wat Luxemburgs is voor “ne changez jamais une équipe gagnante”, wat dan weer Frans is voor “never change a winning team”, wat dan weer Engels is voor “als je niet weet wat never change a winning team betekent, dan ben je waarschijnlijk niet lang naar school geweest”. ‘Weet je wat, wij sturen een doordruk van Vicky Leandros, succes verzekerd,’ dachten ze in het land van de groothertog. Het lukte wonderwel. In 1974 en 1975 stuurde Luxemburg opnieuw een zangeres, maar dat leverde toen slechts een ereplaats op. De formule was uitgewerkt.

Nightcore

Dankzij Finn, de onvergetelijke deelnemer aan de derde aflevering van Popquiz op VTM, leerde ik het fenomeen Nightcore kennen. Van zowat elk bekend popnummer bestaat er een Nightcore-versie, die visueel wordt verpakt in een manga-afbeelding (of moet dat zijn anime-afbeelding?)

Ik schud bedenkelijk het hoofd, maar laat dat geen vernietigend oordeel zijn. Ieder zijn meug. Elk diertje zijn pleziertje. Had ik indertijd ‘Never mind the bollocks…’ laten horen aan mijn vader, dan had die vast ook bedenkelijk zijn hoofd geschud. En had mijn vader, als dat al mogelijk was geweest, ‘Rote Rosen’ van Freddy Breck laten horen aan drie middeleeuwers, dan hadden die ook hun al dan niet ridderlijk hoofd geschud. En hadden drie middeleeuwers hun muzikale kunstjes met vedel, luit en schalmei aan een neanderthaler laten horen, dan had die neanderthaler hen alle drie met zijn knots een klop op hun kop gegeven, de bleke velletjes van hun lijven gestroopt en er door madam neanderthaler een schoon frakske van laten maken voor als er nog eens een ijstijd zat aan te komen.

Nightcore, ik ben er niet wild van. Maar waarschijnlijk is het art Jim, but not as we know it. Twee voorbeelden om één keer en dan nooit meer te beluisteren.

Jim Steinman overleden

Op ‘Bat Out Of Hell’ van Meat Loaf, een iconische plaat en een van de eerste LP’s die ik kocht, staat op de voorzijde van de hoes vermeld: Songs by Jim Steinman.

We kennen Steinman vooral van zijn nummers voor Meat Loaf, Bonnie Tyler en Céline Dion, maar als je even een uurtje de tijd hebt om zijn Wikipedia-pagina te lezen, dan zul je merken dat hij veel meer heeft gedaan dan bombastische popnummers met overvloedige ornamenten, tempowisselingen en meestal lange titels schrijven. Rockmusicals, filmmuziek, samenwerkingen met tal van artiesten… de man is redelijk productief geweest.

Het medelijden dat ik aanvankelijk had met Jim Steinman is dan ook misplaatst. Medelijden omdat deze man achter de schermen, die er in zijn hoogdagen uitzag als een knappere versie van rockgod Jim Morrison, zich altijd maar in de schaduw van iemand anders moest ophouden. Ik herinner me, uit de prachtige documentaire ‘Meat Loaf: In and Out of Hell’ dat Steinman eerder het verlegen type was, een tikkeltje contactgestoord, helemaal in tegenstelling tot de extraverte Meat Loaf. Maar eigenlijk stond hij helemaal niet in de schaduw. Hij ging naar plekken waar ik nooit kwam. Negentig procent van wat hij heeft gemaakt, ken ik niet.

De website van VRT NWS brengt naar goede traditie een tribuut, beknopt maar fraai, aan deze veelzijdige artiest. Ik voeg daaraan toe, de video van twee juweeltjes op ‘Bat Out Of Hell’.

Popquiz

Voor een popquiz mag je mij altijd wakker maken. Wat niet klopt. Ik heb weinig principes, maar één daarvan luidt: een mens die slaapt mag je nimmer ofte nooit wekken, tenzij het huis in brand staat. Wat ik bedoel is: voor een popquiz mag je mij altijd wakker houden middels mijn oogleden te spalken of op de tamboerijn te slaan. Wat ik nog meer bedoel is dat ik graag kijk naar Popquiz maanden heeft de redactie erover gedaan om deze titel te bedenken – op VTM, een snelle quiz, met vinnige rondes. Soms iets te snel voor deze 56-jarige, iets boven de goeie middelmaat uitstekende popkenner. Een lyric aanvullen, shoot! maar geef me drie seconden om dat te doen in plaats van een halve. Hoezeer ik, ouwe jongeling met afkalvend geheugen, mogelijk ten onder zou kunnen gaan in deze flitsende rollercoaster werd in de eerste aflevering uitgebreid gedemonstreerd door Bart Peeters, die de arena betrad als een pas geschoren alpaca en na afloop van het programma werd afgevoerd in een rolstoel, om per direct te worden overgebracht naar de dementieafdeling van het WZC in Boechout, alwaar hij nog altijd verblijft en zijn gevaccineerde medebewoners de gordijnen injaagt door hele dagen She goes na na na na te zingen..

Wat nog meer te vertellen over Popquiz? Matthijs van Nieuwkerk, oud meubilair van DWDD, is helemaal gerestaureerd en opgepoetst, en schittert als nooit voorheen. Visje in het water, al moet hij wel ophouden met ongein zoals de hele studio aansporen om ‘Mia’ van Gorki te zingen. Waarom een geïmporteerde Hollander een Vlaamse quiz laten presenteren, roepen critici. Ach, waarom niet? Het moest iemand zijn die popmuziek ademt en dat doet Matthijs. Wie had het anders moeten doen? Walter Grootaerts? Ben Crabbé? Bart Peeters, die dus niet kan wegens zachte internering? Toch niet een van die mongolen van de familie Coppens? Neen, Matthijs van Nieuwkerk is prima en wordt helemaal kierewiet als de kandidaten hem confronteren met het Vlaams cultureel erfgoed Zeg ne kjir oe loat’est / ‘k è der gin gedag van / Zôt ol achter ntwolvn zyn / ‘k è gin arloiz’an / Zyj ze were kwyt musskien / ‘t goat u ginne zak an / Domistiek en Leevrancier / Buzze en Cauwelier.

Soms passeert er iets waarvan ik denk, hé, dat is een leuk nummer, ik herken het, maar weet niet wie het zingt en ik wil het weten, na de uitzending meteen naar YouTube. Ik kijk naar Popquiz als een student popkunde die zijn kennis wil bijschaven, balpen en cursusblok bij de hand. ‘Bulletproof’ van La Roux bijvoorbeeld.

Al Bundy

Ed O’Neill, de acteur die gestalte gaf aan Al Bundy, de immer onfortuinlijke shoe salesman in de sitcom Married… With Children wordt overmorgen 75. Het is mooi dat VRT NWS dit niet onopgemerkt laat voorbijgaan. Married… With Children is de beste en grappigste serie aller tijden. Althans, voor wie tegen een stootje kan. De humor is nogal, hoe zal ik het zeggen… grof. De platvloerse laag is zo dik dat je amper de ernstige laag die eronder ligt kunt ontwaren. Maar die is er wel degelijk. De eerste seizoenen waren soms een beetje sloom. Met de intrede van de gladde Jefferson als de man van Marcy en Griff als Al’s hulpje in de shoe store werd de serie pas echt een knaller.

Er was een stoel te weinig, maar het eten was lekker

Alle gekheid op een stokje…. Een politieker op het internationale forum is als een doelman in een Champions League-wedstrijd. Hij moet voortdurend alert zijn. Eén seconde onoplettendheid, één foute beslissing, en de gevolgen zijn niet te overzien. De hoofdrolspeler op bovenstaande foto’s is Charles Michel, de Mister Bean van eerst onze nationale en nu de Europese politiek. Hij had uit die stoel moeten opveren, hem met zijn zakdoek afstoffen, vervolgens de stoel aanbieden aan Von der Leyen, zijn schoenen uittrekken en languit in de zetel gaan liggen. Waar helaas de onfortuinlijke Ursula moest plaatsnemen, omdat Charles – zullen we hem voortaan Karius noemen? – de bal niet uit zijn doelvlak kon houden.

Overigens siert het Ursula von der Leyen dat ze hier geen relletje van maakt. Always be the bigger person. Erdogan had zijn moment de gloire, maar op lange termijn zal blijken dat het wel degelijk Ursula is die deze wedstrijd won.

Equal Idiots

Zij die dit weblog regelmatig bezoeken, weten dat ik hier graag eens een item post over popmuziek ‘van in mijnen tijd’. Die periode strekt zich uit van pakweg 1973, toen ik acht was en me bewust werd van de kracht van muziek, tot pakweg het einde van de vorige eeuw.

Weet ik dan helemaal niks van de evoluties in de popmuziek van de voorbije twintig jaar? Weinig. Ik ga er ook niet naar op zoek. Kendrick Lamar, Angèle, Whispering Sons, Stereophonics, Charlotte Adigéry, Dua Lipa, Billie Eilish, Goose, The War On Drugs, Trixie Whitley, SX… behalve dat ik de namen al eens hoorde of las zeggen ze mij verder niks. Als iemand mij een paar extra levens schenkt, wil ik het allemaal graag leren kennen, maar die extra levens, ik reken er niet op. Ik heb het namenlijstje gemaakt met acts uit de line-ups van Torhout-Werchter van de voorbije jaren. Sorry, Rock Werchter. Correctie, SX zegt me wel iets. Benjamin Desmet van SX is de zoon van Marc Desmet, een oud-leraar van mij en every inch a nice chap.

Bij toeval ontdek ik wel eens iets en als ik erdoor verrukt geraak, dan deel ik dat graag op dit medium. Equal Idiots bijvoorbeeld is een band die rockt als de neten en wat mij betreft een verademing in het hedendaagse Belgische muziekwereldje, dat ik waarschijnlijk niet helemaal terecht, wegens een gebrek aan grondige kennis ervan, een zekere mate van stoffigheid toedicht. Die stoffigheid wordt in mijn brein geëvoceerd door Milow, muziek die ik associeer met de laatste avond van een Chirokamp. Het kampvuur brandt welig en de bruinbroekskes wringen afwisselend Kumbaya en “hits” van Milow uit hun baard-in-de-keel-keeltjes.

De cover van Equal Idiots is stukken beter dan het origineel van blink-182, zo’n typisch Amerikaanse High School-testosteron pop-punkband die wars van enige originaliteit een andere Amerikaanse High School-testosteron pop-punkband imiteert. Wie kent ze niet, de Sum 41’s, The Offspring’s, Good Charlotte’s en Alien Ant Farm’s van deze wereld? Alle spelen ze even snel en slordig. Ze zien er ook allemaal eender uit: petje of mutske op het hoofd – waar anders? – , piekjeshaar, bij voorkeur geblondeerd (indien geen petje of mutske op het hoofd), T-shirt met schreeuwerig opschrift of basketbaltruitje, ijzerwerk in het oor en niet te vergeten de prominent zichtbaar spuuglelijke tatoeages.

De clip in de bocht van Van Kooten en de stok van De Bie

In ‘De bocht van Van Kooten en De Bie’, dat te zien was op de Nederlandse televisie, omroep VPRO, op 6 maart van dit jaar, zit een fragment waarin Kees van op zijn ziekbed de camera toespreekt, terwijl achter hem op tv een muziekclip te zien is.

De clip die getoond wordt, is ‘Breakout’ van Swing Out Sister, een parel uit de eighties. ‘De bocht van…’ bevat de aflevering van Van Kooten & De Bie van 1 februari 1987. ‘Breakout’ kwam uit in het najaar van 1986. Het is dus heel waarschijnlijk dat, voor de opname van deze scène, Kees van Kooten de tv aanzette en dat dit nummer net voorbijkwam. Indien men de scène opnieuw had moeten doen, was er een andere clip te zien geweest. Hoewel, ziek te bed, breakout… zou de clip in het programma toch een bewuste keuze zijn? Ik denk het niet.

Mark Rutte groet ’s morgens de dingen

Het gebeurt niet vaak dat ik moet lachen met een artikel dat handelt over de politiek, maar met dit artikel over de verkiezingsoverwinning van Mark Rutte in Nederland heb ik veel lol gehad.

Ik ken niks of quasi niks van het politieke landschap bij onze noorderburen, laat dat duidelijk zijn. Waar Mark Rutte precies voor staat, weet ik niet, maar luidens het artikel staat hij eigenlijk nergens en overal voor. Mark Rutte is blijkbaar alleen maar Mark Rutte, en Mark Rutte zijn, dat kan hij als de beste.

Enkele citaten uit het artikel: “Hij is altijd vrolijk, altijd monter. Alles ketst van hem af.” – “Rutte is een meester in het zo verkopen alsof hij er niets aan kan doen.” – “Je kunt niet meer Nederlander zijn dan Mark Rutte. Zijn optimisme, humor, eenvoudige stijl. Dat is op en top Nederland. Om maar een voorbeeld te geven: Rutte laat zich niet constant rondrijden, maar rijdt zelf met de fiets door Den Haag, de politieke hoofdstad van Nederland, en zwaait naar Jan en alleman.” – “Het is een politicus die alles gladstrijkt en overal de angel uithaalt.” – “Een probleem is nooit een probleem, maar een ‘probleempje’. Hij brengt alle ideeën, alle grote kloven in de politiek terug tot kleine, overzichtelijke managementproblemen. Het is ook iemand die geen talent voor het sombere heeft, zoals hij het zelf zegt. Hij is permanent monter, permanent vrolijk. Hij komt altijd lachend aan.” – “Hij heeft het heel bijzondere talent dat mensen problemen niet met hem associëren. En dan kom je toch weer bij dat vrolijke dat hij altijd uitstraalt. Het ketst gewoon van hem af.” – “Hij rolt nooit heel nadrukkelijk een visie voor de samenleving uit. Het is niet iemand die de problemen op een grootse manier wil oplossen, maar iemand die echt gewoon een beetje lekker zin heeft om te managen.” 

Misschien hebben al die citaten als doel Rutte te beschadigen, maar op mij hebben ze een averechts effect. Ik vind al die uitspraken bijzonder geinig. Ik word ook altijd een beetje blij als ik Rutte op tv zie, een blijdschap die alleen maar gebaseerd is op perceptie en niet op diepgang. Mag het even, voor één keer?

Vóór Rutte hadden ze in Nederland Jan Peter Balkenende, door de immer norse Karel De Gucht ooit “een mix van stijfburgerlijkheid en Harry Potter” genoemd. De gebuisde inteeltpolitica Freya Van den Bossche deed daar nog een schepje bovenop. “Hebben jullie in jullie kranten een personeelsadvertentie staan: als je niet stijf, truttig en kleinburgerlijk bent, kom je niet in aanmerking voor een ministerspost?” vroeg ze zich af in een interview met het Nederlandse blad Vrij Nederland, een uitspraak waarvoor ze zich later excuseerde. Natuurlijk diende ze zich te excuseren, want zowel De Gucht als Van den Bossche maakten zich oeverloos belachelijk. Mensen die vrolijk en onbekommerd door het leven stappen, en aan wie je ziet dat het echt is en niet gespeeld, zijn onaantastbaar. Daar norsheid en verbale agressie tegenover zetten, werkt contraproductief. Je krijgt al die bad vibes als een boemerang in je gezicht terug gekatapulteerd, want de vrolijke onbekommerden gaan gewoonweg verder met vrolijk en onbekommerd zijn.

Heerlijk volkje, die Nederlanders, en zolang vendelleider Mark met zonlicht blijft strooien, kan hen niks overkomen.

Maar oeps, de inkt van deze letters was nog niet droog of daar wordt ineens alsnog een kras getrokken in Teflon Mark, zoals een paar Belgische kranten hem vandaag noemen. Over iets wat hij zou gezegd hebben, weet ik veel. Een gelegenheid die de andere partijen te baat nemen om hem eens flink het vuur aan de schenen te leggen. Maar Teflon Mark – zalige naam toch? – zal dit keukenbrandje wel overleven. Met de glimlach.

Roer

Elke maand breng ik op het literaire platform Roer, in de rubriek Uitgelicht, een ongepubliceerd gedicht onder de aandacht.

Passeerden al de revue: Twan Vet, Koen Moerman, David Troch, Antony Samson en Rik Dereeper. Een volgende Uitgelicht is voorzien voor de eerste helft van april.

Dichters worden uitgenodigd om ongepubliceerd werk in te sturen naar roer.inzendingen@gmail.com of rechtstreeks naar mij middels de contactpagina.

Waarom ik geen Lieven Scheire werd

Ik weet bitter weinig af van chemie, of scheikunde zoals we het pleegden te noemen in de middelbare school. Mijn gebrek aan kennis over deze ongetwijfeld boeiende wetenschap is te wijten aan R.V., een leraar met een oogaandoening, een omfloerste term om niet te moeten schrijven dat de man in kwestie zo scheel keek als een bijziende otter.

Scheikunde kwam pas aan bod in het laatste jaar van de middelbare school en maakte samen met fysica en biologie deel uit van het vak Wetenschappen. In het eerste en het tweede trimester kregen we afwisselend les fysica en scheikunde, en in het laatste trimester werden die twee vervangen door biologie.

R.V., een mij aan het begin van het schooljaar onbekende leraar, ontzegde me de toegang tot de eerste les scheikunde. Ik moest tot mijn grote verbazing in de gang blijven staan. In die tijd deed een scholier wat hem werd opgedragen, hoe onrechtvaardig het ook leek. Stennis maken kon de zaak alleen maar verergeren en bovendien, ik ben nooit een lastpost of relschopper geweest. Ik was eerder een salonrebel, en dat woord gebruik ik vooral omdat ik het een heel mooi woord vind. Wacht, ik zal het nog eens schrijven. Salonrebel. Ik was van mening dat een leerling zich op school het best zo onzichtbaar mogelijk maakte, voor de leraren althans. Hoe langer het duurde voor ze je naam kenden, hoe beter. Medeleerlingen die graag in de kijker liepen werden voor hun branie en ondernemingszin wel eens geprezen door leraren, vooral tijdens buitenschoolse activiteiten, maar die haantjes stonden van zodra het weer business as usual was op de eerste rij om strafwerk te krijgen. Zonder strafblad bleef je langer ongestraft en vice versa, wat een mooie in zijn eigen staart bijtende stelling is.

Les 1 Scheikunde en ik vloog aan de deur nog voor ik door het deurgat was gepasseerd. Hé jij daar, en dan een vingertje dat naar de gang wees. Niet fijn, zoiets is mij zo heel zelden overkomen dat ik op het moment zelf moet gedacht hebben: oké, buitenvliegen uit de les, of beter, niet mogen binnenvliegen, dit moet ik ook eens meegemaakt hebben in mijn schoolse bestaan, en het is nog altijd minder erg dan een pandemie. Haha, een pandemie, Hoorne, jij met je fantasie altijd, hoe kwam je erbij daaraan te denken aan het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw, gekkerd! Anderzijds, dat in de gang staan en door de muur die jou van hen scheidt de holle stemmen van je klasgenoten horen, alsof die zich in een waterput bevinden, is ronduit akelig. Je wil ook in de klas zitten of je wil weg uit de school, maar noch het ene noch het andere is mogelijk. In die gang staan en vijftig minuten lang wachten, meer kun je niet doen. We hadden in die tijd nog geen smartphones of ander speelgoed om ons bezig te houden. Het is een vorm van eenzaamheid die heel diep snijdt. Dit schrijf ik om mijnheer R.V., mocht hij dit lezen, tot aan zijn dood met een schuldgevoel op te zadelen. Maar misschien is de man al dood, misschien geveld door schuldgevoel. Ach, mijn beste R.V., had mij toch eens gecontacteerd om dit bij te leggen in plaats van in je kist te kruipen met al die wroeging in je vege lijf.

Ik vroeg R.V. na mijn eerste les scheikunde aller tijden, die dus eigenlijk niet mijn eerste les scheikunde was omdat ik ze niet had bijgewoond, waarom ik aan de deur had moeten staan. Hij zei dat ik bij het betreden van het lokaal aan het babbelen was. Oké, dat wisten we dan ook weer, kan gebeuren. Ik kon het niet bekennen en ook niet ontkennen, ik wist het toen niet en ik weet het nog altijd niet, maar het is best mogelijk dat ik nog in een lachkramp zat van iets wat zich op weg naar het scheikundelokaal had voorgedaan. Er viel in die laatste jaren van het middelbaar onderwijs altijd wel iets te schertsen of te ginnegappen. Flauwekul moest gecelebreerd worden. De slappe lach lag voortdurend op de loer, veelal opgewekt door situatiehumor. De uitdaging bestond erin om, als die kwam opzetten tijdens een les, de controle over die slappe lach te behouden, telkens weer een oefening in zelfbeheersing. Maar vergis je niet, ik kon ook heel ernstig en rationeel en saai zijn. Slappe lach al goed en wel, maar Ordnung muss sein gatverdamme, dat had ik ook wel in mij. Structuur, controle, plichtsbesef, al die dingen. Soit, ik weet eigenlijk niet goed meer wat voor iemand ik bijna veertig jaar geleden was. Hoe dan ook, ik had gebabbeld, of iemand had gebabbeld en R.V. had gedacht dat ik het was, en zodoende werd mijn eerste kennismaking met scheikunde, zeg maar chemie, een weekje uitgesteld. No big deal. Toch?

De week nadien, zelfde plaats zelfde tijd, les 2 scheikunde. Beleef ik me daar een ongelofelijke déjà-vu. Ik geraak weer niet door het deurgat. R.V., nog scheler kijkend dan de week ervoor, sommeert mij in de gang te blijven staan. Dat maakte indruk, want ik had helemaal niks mispeuterd. Mijn klasgenoten waren verbaasd en verontwaardigd en ik meen mij zelfs te herinneren dat Stefaan D., het geweten van de klas, een jongen die op het vlak van volwassenheid drie stappen verder stond dan al de rest, iemand die ik onmiddellijk zou willen als premier van ons land, klasverantwoordelijke, vanzelfsprekend, omdat hij alle eigenschappen had waaraan een leider moest voldoen, hardop zijn onbegrip uitte omdat ik ook mijn tweede les scheikunde, die in feite mijn eerste zou zijn, in rook zag opgaan. Het mocht niet baten. Toen, daar in die gang, wist ik het al, de Lieven Scheire in mij was definitief geknakt. De chemie tussen mij en chemie zou nooit tot stand komen. Had men mij gevraagd: ‘Wat vind je van de Tabel van Mendeljev?’ dan had ik geantwoord: ‘Hun eerste plaat vond ik beter.’ Neen, grapje, ik wist heus wel wat de Tabel van Mendeljev was en dat een kilo pluimen evenveel weegt als een kilo lood (in mijn kindertijd was dat een alom verspreide, strontvervelende running gag, de vraag wat er meer weegt, een kilo pluimen of een kilo lood, keiharde humor uit de jaren zeventig). Om een lang verhaal kort te maken, na de les zocht ik de leraar op en keek hem recht in de ogen. Hij keek me krom in de ogen terug. ‘Waarom?’ vroeg ik. ‘Ik zou graag uw kijk op deze zaak onder ogen zien. Laten we samen een heldere blik werpen op deze troebele situatie om te vermijden dat deze voor eeuwig en altijd op onze netvliezen gebrand staat.’ Omdat ik me na les 1 niet had verontschuldigd voor het feit dat ik bij het binnenkomen zogezegd gebabbeld had, vloog ik bij aanvang van les 2 terug aan de deur, dat was zijn uitleg. ‘Ah zo, oké. Had dat dan gezegd, mijn excuses, beste man, ik aanvaard dat uw zicht op de wandaad van deze pupil de enige juiste was. Laten we elkander niet verder een rad voor de ogen draaien, noch het wit uit elkanders ogen kijken. Ik maak het volgende week goed met een bosje irissen.’ Even goeie vrienden.

De derde les scheikunde, die mijn initiatie in het vak zou worden, werd ik wel tot het chemielokaal toegelaten. Maar het klikte niet. Ik hoorde daar niet. We zaten in het handboek al op bladzijde elvendertig. Op die manier kan ik niet functioneren, ik heb structuur en houvast nodig, dat zei ik al. Ik wil het volledige plaatje zien. Ik zal bijvoorbeeld op tv nooit een film kijken waarvan ik het begin heb gemist, ook niet als dat begin minder dan een halve minuut bedraagt. Tijdens scheikunde waren mijn klasgenoten, die mij zo vertrouwd waren, voor de duur van de les complete vreemden. Ik snapte er geen jota van, van die scheikunde. Evengoed had de leraar zijn vak in het Chinees kunnen doceren, hoe kon het ook anders met twee lesuren achterstand. Basen en zuren, oxides en chlorides, whatever wat daar allemaal werd uitgekraamd. Ik had een achterstand op de rest van de klas, had absoluut geen zin om die nog bij te benen en had mijn plannetje al klaar om een buis voor Wetenschappen te vermijden. Dat plannetje was even simpel als geniaal. Geniale plannen zijn altijd simpel. Het grote drama in de politiek, in de economie, op de werkvloer et cetera is dat zij die aan het roer staan denken dat geniale plannen complex moeten zijn. Klopt niet. Simpel is de boodschap. Mijn plannetje dus. Ik wist dat de punten die te verdienen waren voor Wetenschappen gelijkmatig werden verdeeld over scheikunde, fysica en biologie. Bij de aanvang van de blok stak ik mijn chemiecursus diep weg in een kast en ik zette alles op fysica en biologie. Als ik twee op drie scoorde, dan kon ik theoretisch gezien ongeveer 66% behalen. Het lukte wonderwel, ik haalde zelf meer dan 66%.

Ik heb dit verhaal al wel eens eerder verteld aan mensen en vaak met een misplaatst gevoel van trots. Misplaatst, ja. Ik had mij verdorie na twee gemiste lessen als een dolgedraaide pitbull terriër met een genetische afwijking in mijn scheikundehandboek moeten vastbijten om die loensende aap te tonen dat ik zijn slaapverwekkende lessen niet nodig had om een Lieven Scheire te worden. Maar daar had ik toen geen zin in. Ik wist al dat ik na de middelbare school ‘iets zou gaan doen met talen’ en dat ik met veel plezier de vakken die ik minder graag deed zou afstoten als waren ze de onderste trap van een drietrapsraket. Ook dat was verkeerd. Men moet er als student te allen tijde naar streven om een uomo universale te worden. Maar dat wist ik toen nog niet. Ik was 17 toen ik mijn diploma middelbaar onderwijs behaalde. Een 17-jarige is een kind dat denkt dat het slim is en door dat te denken het tegendeel bewijst.

Public Image Ltd

Artikels in de pers over Public Image Ltd trekken altijd mijn aandacht. Ze zijn zeldzaam en vooral, ze gaan over míjn groep. Ik ben fan van het eerste uur en koester de band, ook wel eens afgekort als PIL of P.I.L., als mijn langjarige geheimtip, ook al kon ik er tijdens mijn studentenjaren amper over zwijgen. Ken je dat gevoel, je weet in het bos een prachtig plekje zijn, je zou het met iedereen willen delen, maar evenzeer wil je het verzwijgen, want het is jouw plekje. Zoiets had ik met PIL. Uitgerekend in mijn studententijd had PIL bij ons een hit met ‘This Is Not A Love Song’. Al mijn makkers zongen het mee. Dat bedroefde mij een beetje, niet zozeer omdat ik mijn groep nu met anderen moest delen, maar omdat PIL veel beter werk had, dat mijn makkers niet kenden.

Mauro Pawlowski heeft honderd procent gelijk. ‘Rise’ is een bijzonder nummer, niet mijn persoonlijke PIL-favoriet, maar top 10, dat zeker. Als ik zonder veel nadenken een provisoire PIL-top 3 samenstel, dan kom ik uit, in willekeurige volgorde, bij ‘Low Life’, ‘Acid Drops’ en ‘Don’t Ask Me’.

BDW

Met veel plezier heb ik vorige maand gekeken naar BDW, de driedelige documentaire waarin Bart De Wever een jaar lang door een journaliste werd gevolgd. Voor alle duidelijkheid, niet omdat ik een N-VA-kiezer ben, verre van zelfs. Het ging mij alleen om de figuur van De Wever, volgens mij een ronduit briljante geest en daardoor iet of wat een miscast in het politieke bedrijf.

Het is een lust om deze hyperintellectuele semi-autist te horen praten. Toen De Wever plusminus honderd kilo verloor, verloor hij ook zijn guitig, bolrond gelaat. Sindsdien zit hij opgescheept met een soort van permanent bozige gezichtskramp. Maar van zodra dat geïrriteerde gezicht begint te spreken, hoor je de relativerende filosoof, de stand-up comedian, een soort Philippe Geubels, maar dan verfijnder, beter, droger. Het gezicht geeft daarbij geen krimp zoals het een ware standupper betaamt.

Nogmaals, het is een vreselijke vergissing dat deze man in de politiek is terechtgekomen en dat begint, zo leek mij, stilaan tot hem door te dringen. Naast De Wever is Jan Jambon een Boerke Naas, Ben Weyts een Pipo de clown en Theo Francken een Power Ranger met een bekkenbreuk. Ik vind het een beetje zielig dat BDW met dergelijke klojo’s moet optrekken. Na de zomer gaan allicht de zalen terug open. Adieu politiek theater, op naar het echte werk. Stand-up comedy. Doen, Bart!

Regenboogvlaggen en taaltaboes

Net als zovelen ben ik geschokt door het nieuws dat onlangs een homoseksuele man in de val werd gelokt en vermoord door drie tieners. Overal te lande worden regenboogvlaggen uitgehangen als teken van medeleven met de familie en vrienden van het slachtoffer, tot aan de ambtswoning van de premier toe. Dat is mooi.

In de hoogste Belgische voetbalklasse speelden de aanvoerders van de clubs afgelopen weekend met een regenboogband om de arm. Een gebaar tegen racisme. Eveneens een symbolisch prijzenswaardige geste.

Symboliek. Toch ben ik er niet dol op. Omdat symbolische acties vaak ten onrechte worden beschouwd als een deel van de oplossing, wat ze niet zijn. Homofobie of racisme zal niet verdwijnen door onze straten vol te hangen met regenboogkleuren. Integendeel, hardleerse homohaters en racisten lachen met dergelijk soft vertoon, of erger nog, die regenboogkleuren werken als een rode lap op een stier.

Voor ongemeen zware misdaden geldt wat mij betreft maar één tarief: ongemeen zware straffen. Voor misdaden tout court, groot en klein, mogen straffen nooit mild zijn. Bij een groot deel van de brave bevolking leeft een perceptie van straffeloosheid. Veelplegers kunnen soms jarenlang hun gang gaan omdat hun daden onvoldoende worden bestraft en omdat hun handel en wandel onvoldoende wordt opgevolgd. Mochten straf en opvolging wel adequaat zijn, dan zouden er geen veelplegers zijn.

Tegenover de laksheid inzake de bestraffing van misdaden staat het misprijzen en de afkeuring voor wie al eens een woord gebruikt dat niet meer mag gebruikt worden, om redenen die niet altijd duidelijk zijn. Het mooiste voorbeeld is het woord ‘neger’. Eeuwenlang was dit een neutrale term tot die ineens een minachtende en discriminerende lading kreeg toebedeeld. Persoonlijk vind ik ‘zwarte’ en ‘kleurling’ meer stigmatiserend dan ‘neger’. ‘Zwarte’ en ‘kleurling’ benadrukken een uiterlijk kenmerk en is het niet net dat wat we willen vermijden? Soit, ik pas mij aan aan de geplogenheden, wil niemand voor het hoofd stoten. Maar het zal de man in een rolstoel – om er nog eens een ander voorbeeld bij te sleuren – wellicht weinig uitmaken of je hem gehandicapt, mindervalide of andersvalide noemt. Belangrijker voor hem zijn hellende vlakken, brede deuropeningen en lage loketten. Meestal is het hij die de rolstoel duwt die zich graag verliest in een semantisch steekspel, eerder dan de man in de rolstoel zelf.

Toen ik een kind was gingen volwassenen qua taalgebruik assertiever met elkaar om, letten ze minder op hun woorden. Er werden opmerkingen en grapjes gemaakt die vandaag niet meer zouden kunnen, maar die waren geheel en al onschuldig. De homo in onze straat, daar werd al eens iets over gezegd, over zijn geaardheid, maar geen mens die er aan dacht om die man kwaad te doen. Er werd niet gedacht in termen van normaal en niet normaal.

Tegenwoordig delen heel wat mensen de wereld op in wij en zij. Zij zijn degenen die niet zijn zoals wij, en in plaats van die met rust te laten, wordt er tegen geageerd. Racisme en homofobie worden gevoed door dingen die met de kwesties zelf niets te maken hebben, zoals socio-economische en culturele aspecten. Wie meent dat gebouwen bevlaggen en bepaalde woorden uit ons vocabularium schrappen volstaan om in onze samenleving met zijn ontsporende “sociale” media het kwaad uit te roeien vergist zich.

Overigens valt het mij op dat er mensen zijn die fulmineren tegen bijvoorbeeld de vreemdelingen, maar wel perfect overeenkomen met hun Turkse of Congolese buurman en -vrouw. Daarbij moet ik altijd denken aan wat een van mijn leraren ooit zei: ‘erkennen begint met herkennen’, waarmee hij bedoelde dat een goede verstandhouding begint met iemand in de ogen kijken. In een geglobaliseerde wereld waarin mensen naar elkaar kijken van achter een smartphoneglas is dat herkennen een moeilijke zaak geworden, met alle gevolgen van dien.

Het noodlot

Telkens ik er met de fiets voorbijreed keek ik naar het kruis, geplant in een piepklein bedje met verlepte bloemen, tot op een dag het kruis verdwenen leek. Korte tijd geleden zag ik het staan aan de andere kant van de weg. Iemand heeft het verplaatst. Het herdenkingsteken wendt de blik niet langer af, maar kijkt de moordende R8 recht in de ogen.

De Wevelgemse Voetweg is een autovrije straat, een landelijke wandel- en fietsweg, die het jaagpad langs de Leie verbindt met de rijksweg tussen Wevelgem en Bissegem. Ik zie de weg liggen als ik op het jaagpad rijd, maar ik zie er zelden iemand. Luttele scholieren of mensen op weg naar hun werk maken er gebruik van.

De ringweg R8 en de Wevelgemse Voetweg zijn twee aparte werelden, die elkaar tussen de velden en een piepklein bosje even raken om dan weer uit elkaar te gaan. Enerzijds de nimmer ophoudende stroom van brullende, stinkende jachtigheid. Anderzijds de rust van de Leie, de akkers, de weiden, de Voetweg.

Het voelt niet prettig om te fietsen op het kort eindje Wevelgemse Voetweg dat vlak langs de R8 loopt. Of beter, het voelt niet prettig als je weet wat hier gebeurd is. In het andere geval is het een fijn gevoel geen deel uit te maken van zij die in hun auto’s en vrachtwagens ergens naartoe moeten, ergens moeten zijn. Van op de Voetweg steek je, zonder het echt te doen, je middelvinger op naar de wereld en al zijn gedoe. Zie mij hier lekker fietsen, ik doe lekker niet mee met de rat race. Je hoopt stiekem dat de automobilisten, die zo dadelijk de brug over de Leie oprijden, je zien en zichzelf vervloeken omdat ze ook liever zouden vertoeven in het groen. Maar omdat ik weet wat hier is gebeurd, kijk ik schichtig naar het geraas, blijf zo dicht mogelijk bij de hangar van de firma Vandewiele en voel me pas echt op mijn gemak wanneer de weg achter de blauwwitte gevel naar links afbuigt.

Ik zie hem fietsen. In mijn verbeelding komt hij van het jaagpad en rijdt naar het noorden, tegen het snelwegverkeer in, net zoals op de foto hierboven. Volgens het krantenartikel dat ik terugvind zou dat wel eens kunnen kloppen, gezien het uur van het ongeval en gezien de woonplaats van de man en de plek waar hij naartoe moest, de manege. Zijn zoontje vergezelde hem, zo meldt het artikel.

Stel je voor. Op de fiets, rustig peddelend, beetje in gedachten verzonken en ineens valt er een bestelwagen op je hoofd. Ik kende Stefan Lecomte niet, maar ik ken zijn verhaal, het verhaal van zijn laatste levensseconde. Een schoolvoorbeeld van op het verkeerde moment op de verkeerde plaats zijn. Het noodlot.

Ik kende het verhaal maar had me tot vandaag nooit verdiept in het waarom en hoe. Maakte het iets uit, behalve voor zaken als aansprakelijkheid, verzekering en dergelijke, waar alleen de directe betrokkenen iets aan hebben. Toch maar even gespeurd naar de omkadering van deze tragiek. De bestuurder van de bestelwagen maakte een stuurfout, lees ik eerst. Ik voel aan mijn water dat het woord stuurfout een leugen is. Wie in die flauwe bocht van de R8 geconcentreerd autorijdt met beide handen aan het stuur kan daar geen stuurfout maken. Verder gravend naar informatie ontdek ik dat de bestuurder zijn stuurfout trachtte te verdoezelen als een klapband. Wat na technisch onderzoek onjuist bleek. Uiteindelijk vind ik wat ik niet wilde vinden en wat mij zeer verontwaardigt: de bestuurder van de bestelwagen was dronken.

Rust in vrede, Stefan Lecomte, man die ik niet ken. Rust in vrede, alle slachtoffers van de moordenaars van de weg. Zij hoorden niet te sterven op het moment dat ze stierven. Hun dood kwam altijd te vroeg.

Buikvet

De Covid-afdeling intensieve zorgen van het ziekenhuis ligt vol met dikke mensen, hoorde ik enkele maanden geleden iemand zeggen. Ja, mensen zoals jij, voegde de boodschapper daar luidkeels aan toe. Tja, wij dikkerds zijn de subtiele en minder subtiele beledigingen gewend. Wij hebben er een olifantenhuid van gekregen, dik vel zoals wij dat noemen. Ook dat nog, alsof alles wat onder dat vel zit nog niet volumineus genoeg is.

Ik vroeg eind vorig jaar aan mijn huisarts hoe het komt dat dikkerds vatbaarder zijn voor ernstigere Covid-complicaties. Ze wist het niet, of beter, de wetenschap wist het nog niet. Er was nog geen verklaring voor. Kijk, als wetenschappers dingen niet weten, dan word ik pas ongerust. Men kan van op aarde een rectaal onderzoek uitvoeren bij een Marsmannetje en zijn poepje middels een telescopische arm inwrijven met aambeienzalf, maar na bijna een jaar corona wist men nog altijd niet waarom een kilootje extra meer kans maakt op complicaties.

Zoals voor zoveel gewichtige problemen, bracht ook hier Libelle soelaas. Ja, Libelle, dé Libelle. De ‘libre billekes’ zoals de fundamentalistische preutsen het blad kort na zijn ontstaan noemden, omdat er al eens een streepje blanke vrouwendij of blote schouder in te zien waren. Ik citeer: “Het Franciscus Gasthuis & Vlietland in Rotterdam volgde 79 corona-patiënten die op de eerste hulp terechtkwamen. Iets minder dan de helft van deze groep kreeg ernstige longproblemen, zij moesten beademd worden of kwamen zelfs op de intensive care terecht. De onderzoekers vroegen zich af waarom deze mensen ernstige klachten kregen terwijl de andere helft van de patiënten een milder ziekteverloop had.  Aandoeningen als overgewicht en een te hoge bloeddruk of cholesterol leken dit niet te verklaren. Het grootste verschil tussen beide groepen was de buikomvang. Hoe het kan dat buikvet zorgt voor ernstigere covid-klachten, weten de onderzoekers nog niet precies. Maar ze vermoeden, zo meldt Trouw, dat veel vet rond de ingewanden en onderste delen van de longen letterlijk in de weg zit. Hierdoor kan een infectie eerder tot (ernstige) luchtwegklachten leiden. Een andere verklaring is dat het overmatige buikvet een handige opslagplaats vormt voor het virus, dat daardoor sterker kan toeslaan.

Ah zo, Libelle heeft het ook maar uit de tweede hand, maar hoe dan ook, de wetenschappers, die het dus nog niet weten, hebben een vermoeden. Twee vermoedens eigenlijk. Het buikvet zit de longen in de weg, of het buikvet is een handige opslagplaats, dat door het virus wordt gebruikt om zich te organiseren waardoor het sterker kan toeslaan. Bemerk het ironisch gebruik van de term ‘handige opslagplaats’ en het oorlogszuchtige ‘dat daardoor sterker kan toeslaan’. Libelle kiest hier duidelijk de kant van het virus, tégen de dikkerds. Mensen met een embonpoint zoals ik weten wat de steller van het artikel bedoelt. Die schreeuwt als het ware in mijn oor: ‘Als Je Crepeert Is Dat Je Eigen Dikke Schuld, Vetklep!!!’ Als je klikt op ‘Lees meer’, dan vind je onderaan het artikel nog wat tips om iets aan dat buikvet te doen. “Last van overtollig buikvet? Volgens onderzoekers van de universiteit van Harvard is het dan slim om te gaan sporten met gewichten in je handen.” Zich beroepend op ‘onderzoekers van de universiteit’ en niet zomaar een universiteit, maar ‘de universiteit van Harvard’ de dikkerds aansporen om zich compleet belachelijk te maken door te gaan lopen, fietsen, zwemmen, voetballen, polsstokspringen… met gewichten in hun handen. Dat is slim, staat er. Dat is slim! Dus iedereen die niet loopt, fietst, pingpongt, speerwerpt, waterpoloot, ijshockeyt… met gewichten in zijn handen is dom. Niemand loopt, fietst, schaatst, korfbalt, zeilt, hamerslingert… met gewichten in zijn handen. Magere mensen niet, dikke mensen niet. Dikke mensen zijn niet dom. Integendeel, als ik naar de Mensa-bijeenkomsten ga, dan kom ik daar alleen maar mensen tegen van wie het BMI het IQ benadert. Neen, niet omgekeerd.

Knack 50 jaar (slot)

Wat valt er nog te vertellen over mijn Knack-jaren? Weinig boeiends. Dat ik naast poëzie ook wel eens proza recenseerde. Veel Brusselmans, een lang artikel over Jan Cremer – Ik, Jan Cremer 1 en Ik, Jan Cremer 2 behoren nog altijd tot het allerbeste wat ik ooit las -, de biografie van J.C. Bloem en nog wel het een en ander.

Ik interviewde Herman Brusselmans tijdens de Knack-dag op de Boekenbeurs en in diezelfde jaargang van de beurs ook twee dichters, waarbij de ene dichter opeens iets onaardigs zei over de andere, waarna die andere verontwaardigd reageerde. Weg sfeer en ik diende al mijn diplomatisch talent aan te wenden om het interview terug op het serene pad te brengen. Wie die dichters waren is niet belangrijk. Een van hen is overleden en heeft daarmee zijn eerste pasjes richting vergetelheid al gezet. Want, laat ons eerlijk wezen, in de vorige bijdrage had ik het over Kopland. Wie spreekt nog over Kopland? Wie spreekt nog over Komrij, toch de paus van de Nederlandstalige poëzie geweest? Als ik tegen mensen zeg dat ik debuteerde in de Sandwich-reeks onder redactie van Gerrit Komrij, dan doet dat zelden nog bij iemand een belletje rinkelen. Evengoed kan ik beweren te zijn gedebuteerd onder redactie van Jos Vermeulen uit Zevekote.

Op een avond kreeg ik een mail van de hoofdredacteur van Knack Focus waarin werd medegedeeld dat ik niet langer kon meewerken aan Knack omdat de boekenrubriek werd geschrapt. Voortaan zou Focus die rol overnemen. Of alle freelancers verbonden aan de boekenrubriek zo’n mail kregen weet ik niet. Wat ik wel weet is dat sommigen zijn gaan blèten, tot bij Rik De Nolf, grote baas van Roularta toe, om te mogen aanblijven. Waar sommigen ook in geslaagd zijn.

Stellen dat het einde van de samenwerking mij koud liet is overdreven, maar het grote voordeel was dat ik terug wat meer tijd had voor mijn eigen literair werk. Er veranderde trouwens heel wat bij Knack in die tijd. Karl Van den Broeck vertrok. Rik Van Cauwelaert ook, naar De Tijd, samen met Koen Meulenaere.

Knack blijft een goed blad, maar door de literatuur eruit te gooien is het armer geworden. Het hoeft niet altijd over de grote economische, politieke en sociale issues te gaan. Ellenlange artikels over corona, over de regeringsvorming, over de Amerikaanse verkiezingen, over de vaccinatiestrategie… ik lees die graag, maar wie op tv de duiding volgt bij het nieuws heeft er geen boodschap aan. Die weet dat allemaal al. Ik houd van de speelse rubriek ‘Eindspel’ op de laatste bladzijde, die een korte vraag- en antwoordformule bevat. Ik houd meestal van de sportbijdrage van Jef Van Baelen, van het werk van Dirk Draulans, de aparte onderwerpen en stijl van Stijn Tormans. Een blad heeft lucht nodig en die zat ook in de boekenrubriek. Dat Focus in het boekengat is gesprongen is trouwens niet waar. Focus is er voor de filmfreaks, besteedt veel aandacht aan tv en muziek, is daarbij zeer vooringenomen, maar literatuur interesseert die redactie geen zier.

De beslissing om de boekenrubriek destijds uit Knack te halen was een verkeerde beslissing. Een van de grote misverstanden van deze tijd is dat bedrijven, organisaties, verenigingen et cetera menen dat ze zich voortdurend moeten vernieuwen. Vernieuwen, of ‘zichzelf opnieuw uitvinden’ zoals ze het graag noemen, klinkt hip, maar heel dikwijls wordt er veranderd om te veranderen. Nieuw tintje, nieuw kleurtje, nieuw geurtje. Ondernemingsnarcisme. Marketingterreur. Oude wijn in nieuwe zakken. Om bij de media te blijven, waarom is het nodig dat zenders regelmatig van naam en van logo veranderen? Waarom vliegt het decor van Het Journaal zowat elk jaar op straat om te worden ingeruild voor een ander? Inclusief andere generiek en andere tune. De kijker zit er niet op te wachten. Je wint er geen kijker mee en je verliest er geen kijker mee. Is het commercie? Wordt daar bij de VRT – andere zenders doen het ook, alle zenders doen het – iemand beter, rijker van? Het is weggesmeten geld. If it ain’t broken, don’t fix it.

Knack 50 jaar (3)

Ik ben een pietje precies. Als ik een tekst moet maken, dan lees ik die voor publicatie tien, twintig, dertig, vijftig keer opnieuw waarbij ik schaaf tot het mij helemaal bevalt. Ik heb geen eindredactie nodig, zeker geen eindredactie die mijn teksten slechter maakt. Al na enkele bijdragen voor Knack knapten mijn zenuwen toen ik merkte dat een eindredacteur in mijn recensie over het verzameld werk van Rutger Kopland ‘aan de Drentsche Aa’ had gewijzigd in ‘in de Drentsche Aa’. De Drentsche Aa is een beek die in het werk van Kopland af en toe wordt vernoemd. Na de lapsus in de kersverse papieren Knack te hebben opgemerkt, checkte ik mijn originele versie om te zien of ik die fout niet zelf had gemaakt. Neen, had ik niet. Kreeg vervolgens hartkloppingen. Mailde naar de redactie in Evere om beleefd – altijd beleefd blijven – te vragen waarom ‘aan de Drentsche Aa’ ineens ‘in de Drentsche Aa’ was geworden. Het laconieke antwoord luidde dat de eindredacteur ‘dacht dat de Drentsche Aa een natuurgebied is’. Dacht, zonder het te checken? Ja, Philip, die dacht dat zonder het te checken. Foutje moet kunnen, daarmee trachtte de eindredactie mij af te schepen. Wat ook lukte, want wat kon ik doen? Alle Knack’s van die week uit de handel halen? Ik klaagde hierover bij hoofdredacteur Karl, maar ja, zo’n man kiest natuurlijk altijd partij voor zijn vaste krachten boven een simpele freelancer. Uiteindelijk kon ik deze vreselijke toestand aanwenden om de eindredactie, twee man sterk, te bezweren met hun pollen van mijn teksten te blijven. Dat lukte aardig. Ik zorgde er ook altijd voor mijn tekst iets korter te maken dan toegelaten om te vermijden dat men erin moest knippen. Lukte aardig, uitzonderingen daargelaten. In een korte recensie van een bundel van Vrouwkje Tuinman werd in het midden van de tekst een hele zin weggelaten. Natuurlijk net een zin die een bruggetje maakte tussen twee tekstflarden en daardoor niet kon gemist worden. Beter is om gepubliceerd werk niet meer na te lezen, wat verkeerd liep valt toch niet meer te redden. Maar ja, dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

Wie in het boekenvak werkzaam is of er contact mee heeft, weet wat voor een lakse wereld het is en wat er allemaal fout kan lopen. Ik heb in die twintig jaar in het vak van alles meegemaakt. Het probleem is dat ik die pietluttige dingetjes, waarvan een ander zegt ‘ach ja’ en de schouders ophaalt, ook altijd direct opmerk. Ik fantaseer wel eens dat ik blind ben, hoe heilzaam dat zou zijn voor mijn gemoedsrust. Er kan in een boek geen letter uit het lood staan of ik heb het gezien. Als het eigen werk betreft, kan het me mateloos ergeren. Eenmaal gedrukt is het onomkeerbaar. Het onomkeerbaar zijn van dingen, en nu heb ik het niet alleen over copywriting, ervaar ik als een enorme last. Alles zou een ‘pijltje terug’ moeten hebben, een functie ‘Ongedaan maken’, een CTRL-Z. Rijd je met de fiets een oud dametje omver, CTRL-Z. Brandt het huis af, CTRL-Z. Te veel zout in de soep gestrooid, CTRL-Z. Tante Irma ongewild beledigd waardoor die haar handtas pakt en boos wegloopt, CTRL-Z. Een iets te natte scheet gelaten, CTRL-Z. Een eindredacteur die ‘aan de Drentsche Aa’ wijzigt in ‘in de Drentsche Aa’, CTRL-Z en CTRL-Z blijven herhalen tot de kerel terug in Evere aan zijn bureau zit en hem ontslaan voor hij nog eens iets kan bedenken zonder te verifiëren. Een gocart op Mars? Leuk, maar niet wat we nodig hebben. De menselijke CTRL-Z, die moeten we hebben. Wat een prachtige wereld zou dat zijn. Eeuwig blijven leven? Ja, nu wel! Waar moet ik tekenen?

Het ergste van dat hele Kopland-gedoe vond ik nog de mogelijkheid dat de dichter, waar ik een klein jaar eerder een wijntje mee had genuttigd tijdens een poëziefestival annex gezellige babbel, die recensie onder ogen zou krijgen, waarna hij me ongetwijfeld een lompe lul zou vinden, die dan wel zegt een fan te zijn van zijn poëzie, maar niet eens weet dat de Aa een beek is!

Wie denkt dat ik dit allemaal verzin, de recensie staat nog altijd integraal online, merk ik al googelend, met de fout er nog in. Je zou denken dat ze dat toch tenminste online even corrigeren, maar wat zou het. Even bekruipt mij de zin om Knack te mailen met de vraag om van die ‘in’ alsnog een ‘aan’ te maken, maar dan wordt deze blogpost een leugen. Er bestaat dan toch een manier om een euvel in een tekst te neutraliseren. Er een hoop andere woorden tegenaan gooien. Is bij deze gebeurd.

Knack 50 jaar (2)

Niet lang voor ik door Karl Van den Broeck werd aangezocht om voor Knack bijdragen over literatuur, en meer in het bijzonder over poëzie, te leveren, had ik Poëzierapport opgericht. Het was de tijd van de weblogs. Ik had er een gemaakt voor mezelf, deze, en al spelend met de tool Blogger had ik stoemelings een andere weblog gemaakt. Ik besloot dichtbundels te bespreken en die op die weblog te publiceren. Poëzierapport moet door Karl Van den Broeck, behalve hoofdredacteur een kenner en liefhebber van literatuur én de zoon van een bekend en gewaardeerd auteur, zijn opgemerkt. Zo moet het gegaan zijn, zo kwam ik bij Knack terecht.

De poëzierecensiewebsite Poëzierapport had ik opgericht om twee redenen. Eén: ik schrijf graag. Twee: de aandacht in kranten en magazines voor poëzie werd almaar geringer, Poëzierapport moest de poëziekritiek een digitale boost geven. Het is dan ook ironisch dat ik, door een digitaal initiatief te nemen als antwoord op de tanende aandacht voor poëzie in de print media, zelf in de print media terechtkwam.

Door mijn werk voor Knack kon ik minder tijd besteden aan Poëzierapport. Ik trok een klein legertje mederecensenten aan en niet zomaar de eerste de beste. Willem Thies, Chrétien Breukers, Alain Delmotte e.v.a. kregen van mij carte blanche om hun stijl en hun poëzie-eruditie te etaleren en leverden uitstekend werk. Zo bleef Poëzierapport nog enkele jaren bestaan en werd het een begrip in letterenland. De voornaamste verwezenlijkingen van Poëzierapport zijn uiteindelijk geworden: een site die een aantal jaren talk of the town was, een schrijverskoppel en een prachtige bloemlezing met de allerbeste recensies. Die bloemlezing met als titel Dansen tot na sluitingstijd. Het beste uit Poëzierapport zou ik u te koop willen aanbevelen ware het niet dat ik zelf maar meer over één exemplaar beschik en dat het boek nergens nog te vinden is.

Ik heb in Knack tal van Nederlandse dichters onder de aandacht gebracht, maar minstens evenveel Vlamingen: Denoo, Pollet, Theunynck, Tritsmans, Heyman, Dangre, De Laere, De Crits, Verhegghe, Van Londersele, Van Tongele, Goudeseune, Rigolle, Lasoen, Gruwez, Deleu, Lecompte, Van hee, Vanhauwaert, Jooris, Mandelinck, Van den Driessche, Allewaert, Lasters, Leroy, Leenders, Declercq, Vranken, De Block, De Neef, Fierens, Van de Voorde, Troch, Eva Cox, Hans Claus… Ik besteedde aandacht aan het Poëziecentrum en de Poëziekrant, aan Het Liegend Konijn, aan de bloemlezing van Meander, aan de jubileumuitgave van Digther, aan de Gentse bloemlezing van Guido Lauwaert… het is haast te veel om op te noemen, deze opsomming is verre van volledig. Eén ding weet ik zeker. Een pak van die namen hadden met een andere recensent nooit de Knack gehaald wegens te min, te tweederangs of niet sexy genoeg. Criteria die ik nooit heb gehanteerd. Integendeel, zelf een dichter zijnde die weet hoe lastig het is om de aandacht van de media te trekken, besefte ik maar al te goed welke taak ik te volbrengen had, wat ik kon betekenen voor collega-dichters die kwalitatief werk maken dat zelden of nooit door de grote mediakanalen wordt opgemerkt.

Heb ik met wat ik middels Knack (en Poëzierapport) heb gedaan voor de Vlaamse en Nederlandse poëzie de erkenning gekregen die ik verdiende? Ik weet het niet. Ik kreeg van mensen uit het boekenvak wel eens een complimentje voor mijn heldere, niet-academische stijl. Er was appreciatie maar, al mijn inzet ten spijt, ook afgunst. Deed ik het voor de erkenning? Alles wat een mens doet doet hij voor erkenning. Maar het was vooral gewoon heel fijn om iets te doen wat ik graag deed en dat te mogen doen in het belangrijkste en beste nieuwstijdschrift van Vlaanderen.

Ik werd vaak aangesproken op mijn scherpe recensies. Die zogezegd scherpe recensies, dat is een perceptie die helemaal onjuist is en een eigen leven is gaan leiden. Ik mocht zelf de te bespreken bundels kiezen. Ik vond het heerlijk om de dichters van wie ik hield in het zonnetje te zetten. De negatieve besprekingen in Knack zijn op de vingers van een kapot gezaagde timmermanshand te tellen. Slechts één keer heb ik moedwillig de vitriool bovengehaald. Dat was om de in die tijd niet over het paard maar over een hele stoeterij getilde snoeshaan van een kaperkapitein op zijn plaats te zetten. Ik hoef zijn naam niet te noemen, iedereen weet wie de zelfvoldane halfzachte pseudo-neuroot is die zich aanstellerig de kaperkapitein noemt. De vrees dat de redactie het stuk niet zou willen publiceren bleek ongegrond. Integendeel, de mannen op de hoofdzetel in Evere vonden het enig.

De volgende keer of volgende keren een woordje over de eindredactie, over hoe twee dichters elkaar tijdens een interview bijna in de haren vlogen en over hoe mijn medewerking aan Knack eindigde.