Inleiding bij de dichtbundel ‘U kunt uw lichaam hier achterlaten’ van Tania Verhelst

Op zondag 22 mei 2022 werd in jeugdherberg De Snuffel te Brugge de nieuwe dichtbundel van Tania Verhelst voorgesteld. Ik mocht de bundel inleiden.

Goeiemorgen vrienden en vriendinnen van de poëzie

Wat is de link tussen Mini-Europa, de Nederlandse schlagerzanger René Froger en Tania Verhelst? U komt het zo dadelijk te weten.

Ik hoorde voor het eerst van Tania Verhelst in 2016. De dag vóór mijn verjaardag stuurde ze me een mail als reactie op mijn mail met praktische afspraken voor de poëziecursus die ik gaf en waarvoor zij zich had ingeschreven. De dag na mijn verjaardag ontmoette ik Tania op de eerste les van die cursus in de lokalen van Avansa Brugge, toen nog Vormingplus.

Hoewel ze verre van een tafelspringster is, ontpopte Tania zich tijdens die cursus als de leading lady van de klas. Later maakte ze ook deel uit van het Poëzieatelier Brugge. Ze viel op door sterke gedichten aan de groep voor te leggen. Ze was gedreven en gulzig naar feedback.

U kunt uw lichaam hier achterlaten, zo heet de nieuwe bundel van Tania Verhelst. Een bundel van Tania inleiden is eigenlijk geen cadeau. Of net wel, het is maar hoe je het bekijkt. Geen cadeau omdat de poëzie van Tania Verhelst veel facetten bevat, die ik als inleider in de tijd die mij is toegemeten alle zou moeten aansnijden, een zware, haast onmogelijke opdracht. Wél een cadeau omdat de poëzie van Tania Verhelst veel facetten bevat, die ik als inleider in de tijd die mij is toegemeten mag aansnijden, een zware, maar niet onmogelijke opdracht.

Tania Verhelst is behalve dichter ook beeldend kunstenaar. De twee disciplines vloeien in elkaar over. Wat mij frappeert in de poëzie van Tania is de manier waarop zij haar wereld ordent en overzichtelijk maakt, net zoals ze dat doet met het maagdelijke blad of het schilderdoek als ze daar haar potloden, penselen, stiften en kwasten op loslaat. Ordenen en overzichtelijk maken is de eerste stap naar het grijpen en begrijpen van de dingen, de mensen, de wereld.

Ik heb mijn betoog opgedeeld in vier rubrieken, dit om het … euh … wat te ordenen en overzichtelijk te maken. De titel van deel 1 is …

GEOMETRIE

Heette haar eerste bundel al Twee helften, in haar nieuwe staat een gedicht met als titel ‘Het halve huis’. Ik citeer de drie openingsregels: aan de voet van de berg staat een huis / in de ene helft woont een man en in de andere helft een vrouw / enkel over de middag ontmoeten ze elkaar aan een ronde tafel. Einde citaat. Elk een half huis, een ronde tafel om elkaar te ontmoeten, dat is ordelijk en ordentelijk.

In het gedicht ‘Op drift’ lees ik: weet je nog toen de weg nog opgevouwen of iets was om aan elkaar uit te leggen. Ja, zo is dat. Landkaarten kon je opvouwen en in je zak steken. Je kon ze openvouwen op de motorkap van je auto en met je vinger over de kaart glijden om de weg te zoeken of aan iemand uit te leggen. Zo’n wegenkaart, met die lijnen en stipjes en kleurtjes, dat was pure kunst. Niet alleen worden de wegen opgevouwen, in dit gedicht wordt de verte opgerold en onder de oksels gestoken. In een ander gedicht is de horizon gemaakt van punten om in te verdwijnen. De zon wordt uitgeknipt en in een boek geplakt. De regen wordt een morsecode.

Er wordt verwezen naar het schaakspel. Schaken doe je op een schaakbord, alweer een begrensd vlak dat bovendien verdeeld is in vakjes. Ik citeer: lang leefden wij op een schaakbord / in een kudde van hout / wij sloten ons op in de kamers van ons vak, en in het gedicht ‘De voorbijgangers’ staat: mensen gaan voorbij, op zoek naar een land waar je nog tussen de schaakstukken kunt wonen / waar het stilleven nog niet verbannen is tot de rotonde van een schaal of de kooi van een etalage / al dan niet verlicht. Een kudde, een vak, een rotonde, een kooi, een etalage. Al deze woorden verwijzen naar een afgebakende ruimte waarbij de afbakening helpt om het overzicht te bewaren.

Angsten worden aanschouwelijk gemaakt en in een visbokaal gevangen gezet. Een visbokaal is wederom een kleine, begrensde, overzichtelijke ruimte. Ik citeer uit het gedicht ‘Twee vissen’: een man heeft twee vissen: Claus en Aagje, genoemd naar zijn angsten, claustro- en agorafobie. Vrees voor kleine en voor grote ruimten, alweer twee begrippen die binnen het thema passen.

Niet alleen de wereld moet geometrisch gevat worden, ook de relatie tussen twee mensen wordt meetkundig voorgesteld in de verzen: misschien lijken wij nog het meeste op twee gelijkbenige driehoeken / die proberen minder scherp te zijn.

Over naar het tweede deel, dat heet …

KLEIN

Het landschap past in de top van je vinger, lees ik in het gedicht ‘Plots’. En in het gedicht ‘Binnen de omtrek van een hand’ – let op de titel – staat: bomen passen als kralen in je hand / met een spoorlijn rijg je ze aan elkaar.

Zou de grote Tania liefst van al in een soort van Mini-Europa leven, een wereld als een maquette, vakkundig ontworpen met behulp van passer, lat en meetdriehoek? En in die miniwereld ook een minibestaan leiden? Zou het niet mooi zijn als we eendagsvlinders waren, vraagt ze zich af. Elke dag opnieuw beginnen, zonder herinneringen, zonder verwachtingen? Elke dag opnieuw verwondering om al de dingen om ons heen.

Het thema ‘klein en overzichtelijk’ komt helder tot uiting in het gedicht ‘De bijsluiter’. De openingsregels luiden: van alle letters, hou ik het meeste van de kleine / de kleine lettertjes, bedoeld om niet te lezen / de wegwerplyriek / zo koop ik bijvoorbeeld thee, spirituele thee / aan elk zakje hangt een touwtje met een spreuk zoals bijvoorbeeld you are one / en ik voel mij one voor de duur van de tijd van een kopje thee. Ik weet niet of het zich one voelen zoals de spreuk het voorschrijft cynisch bedoeld is, ik denk het eerlijk gezegd niet. Ik denk dat Tania meer ontvankelijk is voor spiritualiteit van den Aldi dan ik, maar oké … You are one. Drie simpele woorden, een helder en – daar ben ik weer – overzichtelijk zinnetje.

Verder in dit gedicht rijst er een probleem. De dichter stuit op een resem moeilijke termen op etiketten. Een etiket, opnieuw een afbakening. Maar die moeilijke woorden en termen, dat is andere koek. Die worden haar te machtig. Ze moet ze opschrijven en uitspellen om ze onder controle te krijgen. Ik citeer: ik lees de magische formules op etiketten / de mooiste namen schrijf ik op en spel ik voor mij uit / cyclopentasiloxane, carbomer tromethamine, dimethiconol methylparaben / phenoxyethanol polyglyceryl polyquaternium, potassium sorbate, carboxaldehyde / dit zijn enkele ingrediënten uit ma vie, bodylotion van hugo boss.

Nog altijd uit hetzelfde gedicht: en het moeten zelfs geen letters te zijn, verkeerstekens mogen ook, niet van die grote / maar de kleine verkeerstekens op flapjes genaaid aan de binnenkant van kleren / tussen zoom en naad en nek waar ze ijverig in de weg zitten / het zijn de postmoderne hiërogliefen die je wegwijs moeten maken in een wasmachine of een droogtrommel. Het gedicht eindigt met: maar van alle kleine letters, hou ik het meest van de allerallerallerkleinste / bedoeld om niet en nooit te lezen: de letters van de bij-slui-ter.

Ongetwijfeld zijn er heel wat mensen die de wasvoorschriften in kledij en de informatie van een bijsluiter geen blik gunnen. Maar iemand heeft zich de moeite getroost om die tekens te maken en in te naaien, die teksten te maken en die bijsluiter te vouwen tot die in de verpakking past. Het zijn tekens en woorden die richting geven. Tania merkt ze op. Zij hecht er waarde aan. Tania is de beschermvrouwe van het kleine.

NIETS MET JOU

Het derde deel van mijn betoog heet ‘Niets met jou’. Ik zie sommigen in de zaal nu extra hun oren spitsen. Niets met jou was de titel van mijn eigen debuutbundel. Velen zagen in die titel een negatieve connotatie, in de zin van ‘Ik wil niets met jou te maken hebben.’ Dat was niet zo. Ik bedoelde met die titel dat het mooiste wat je met iemand kunt delen het niets is, de leegte, het niet-zijn als het ware. Ik vind dat verlangen naar het verdwijnen, het uitvlakken van de dingen ook terug bij Tania.

Schrijf mij wanneer je niet meer bent, staat er ergens in de bundel. In het gedicht ‘Loos’ lees ik u kunt uw lichaam hier achterlaten, zeiden ze / echt waar, ze zeiden: / u kunt uw lichaam hier achterlaten / en jij vroeg: bent u dat zeker, bedoelt u niet mijn jas, / mijn hoed, mijn handschoenen, mijn paraplu? / nee nee, uw lichaam zeiden zij, / u kunt uw lichaam hier achterlaten / en het klonk niet als een verzoek / dus liet je het achter aan een kapstok / in ruil voor een jeton.

Met die jeton werp ik al een blik vooruit naar deel 4 van mijn betoog waarin ik het zal hebben over de zachte rebellie van deze dichter, de verwondering om en de onaangepastheid aan een wereld waar veel draait om consumeren en materialisme. De humor ook die daaruit voortvloeit.         

Het kleine, het verdwijnen, het onopgemerkt willen leven en daar de vruchten van plukken, ondanks mogelijke tegenslagen, het komt allemaal samen in het gedicht ‘Gelukkig’: de gelukkigste man ter wereld woont in een kleine flat in een onbekend land / hij is gescheiden en leeft samen met zijn zieke zoon / hij weet niet waarom hij gelukkig is / het is sterker dan hem zelf, hij kan er niets aan doen.

Ik moest denken aan een flard tekst uit het lied Alles kan een mens gelukkig maken van René Froger. Een knaller van een hit uit 1989, da’s lang geleden voor de jonkies hier aanwezig. Daarom zal ik de bewuste passage proberen te zingen, hoewel ik niet kan zingen: een eigen huis / een plek onder de zon / en altijd iemand in de buurt / die van me houden kon / – en nu komt het – toch wou ik dat ik net iets vaker / iets vaker simpelweg gelukkig was / oohhh. Toch wou ik dat ik net iets vaker simpelweg gelukkig was. Tania Verhelst meets René Froger, wie had dat gedacht?

In een ander gedicht verloor iemand een boek in een park. Er hangt een briefje aan een bank, of de vinder wil telefoneren om de teruggave van het boek af te spreken. Een man vindt het boek niet, maar belt toch naar de persoon die de boodschap achterliet. Ik citeer: hij weet niet waarom want het boek heeft hij niet / misschien gewoon om te horen hoe een stem klinkt / van iemand die op een maandag in een park een boek heeft verloren.

Klinkt hier een zweem van eenzaamheid door? Op dan maar naar het vierde en laatste deel van mijn betoog met als titel:

EEN MENS IS EEN MENS EN HIJ IS EENZAAM

Citaat: mensen gaan voorbij, slenteren struikelen spartelen voorbij, slechts verbonden door muzak / of een grijsgedraaide Novastar: the best has yet to come en je vraagt je af wat the best is en waar yet ligt / waarom mensen zo onherroepelijk voorbij / waarom ze zichzelf herhalen in kinderenenkinderenenachterkleinkinderenvankinderen.

De dichter lijkt de hoofdpersoon in een videoclip, die onbewogen en stokstijf in het midden van het beeld staat terwijl voor, achter en rond haar de anderen in een hevig versneld tempo van links naar rechts en van rechts naar links hollen. Waar dient dit alles voor, al dat gedoe? Een dichter die het zich nooit afvraagt kan zich onmogelijk een dichter noemen.

Een citaat uit het gedicht ‘Het tijdperk van afzonderlijk’: sinds wanneer zijn we eenzaam geworden ik bedoel niet gewoon eenzaam / zoals we dat altijd al zijn geweest maar eenzaam omdat we met zoveel omdat we elkaar teveel // is het begonnen sinds we pillen Afzonderlijk in een strip en koekjes Afzonderlijk in plastic hoezen verpakken.

‘Afzonderlijk’ staat met een hoofdletter om het te benadrukken enerzijds en het af te zonderen anderzijds. We zijn altijd al eenzaam geweest, stelt de dichter, we worden immers alleen geboren en gaan alleen terug dood. Ouders, kinderen en kleinkinderen kunnen daar niks aan veranderen. Maar die aangeboren eenzaamheid, die op zich best te dragen is, heeft nog een extra ‘coucheke’ gekregen. De wereld is groot en complex, er zijn overal te veel mensen, en in tegenstelling tot wat je zou denken verzachten die anderen de eenzaamheid niet. Iedere mens is een in plastic verpakt koekje.

In het al eerder genoemde gedicht ‘Het halve huis’ loopt de communicatie tussen de man en de vrouw bijzonder stroef. Ze leven en praten naast elkaar. Maar zelfs communicatie is geen remedie tegen eenzaamheid. Het is heel vaak overbodig bla bla bla.

Geniet Tania van deze middag? Jazeker, met volle teugen, maar dit feest moet geen drie dagen duren. Stilletjes verlangt ze er al naar om straks met Paul in haar zetel te zitten. Of om in complete stilte in de weer te zijn met haar potloden en penselen. Ik herken het gevoel, want ik ben zelf zo. Ik kan genieten van een scheut sociaal gedoe, zoals nu, maar met mate, in de juiste dosering, met de juiste mensen, in de juiste omstandigheden. Ik ben u niet beu, nog lang niet. U mij misschien wel, maar ik kom stilaan tot het einde van mijn bla bla bla.

Ik houd veel van de humor van Tania, die in vlagen in deze gedichten tot uiting komt. De humor spruit voort uit een observatie, een situatie of de interpretatie ervan. Tania stelt dingen aan de kaak, noem het voor mijn part maatschappijkritiek, maar ze doet dat op zijn Tania’s, niet hard of brutaal, maar slim en gewiekst. In het gedicht ‘Gelieve u eerst aan te melden’ staan volgende regels: een stad in een glazen bol, goed schudden voor gebruik en kijk / deze nacht van sneeuw is uw deel voor tien euro, en verder: tussen haakjes: mogen wij u erop attent maken dat uw winkelmandje nog steeds leeg is?, en ook nog dit: zelfs de zee is van u maar vanaf de branding moet u betalen.

Toen ik in het hoger middelbaar zat, was het woord ‘consumptiemaatschappij’ alom aanwezig. Wij waren tegen de consumptiemaatschappij, het zal wel zijn, zij was de bron van alle kwaad. Veertig jaar later weten we tot wat het ongebreideld liberalisme heeft geleid. Tania, het doet mij deugd om in jouw bundel hier en daar nog eens zo’n ouderwetse uppercut op de smoel van de consumptiemaatschappij te mogen aantreffen.

Tania lijkt mij iemand die in een discussie haar tegenstander klem rijdt door heel voorzichtig argumenten op elkaar te stapelen. Veel liever zou ze een discussie uit de weg gaan, maar soms kan het niet anders. Helaas, omdat de holste vaten het luidst klinken, delft de beleefde, welopgevoede Tania met haar redelijke en haarfijne argumenten het onderspit. Dat is zo in het gedicht ‘De laatste dag van de magnolia’, mijn lievelingsgedicht, omdat ook ik van bomen houd en vind dat de natuur de natuur moet zijn. Waar gaat dit over? Een buurman wil een boom, de magnolia, wegdoen omdat hij te veel licht wegneemt. Het zou mij niet verbazen als dit gedicht op een echt gebeurd feit gebaseerd is. En dan volgen deze prachtige regels – hier is Tania aan het woord, ongetwijfeld. Met haar zachte stem en een geïrriteerde frons op haar gezicht zegt ze tegen de buurman: zou het kunnen dat alles licht wegneemt / dat bestaan licht wegnemen is / waarom niet de huizen wegnemen, de weg, de buren aan de overkant? // de buurman kijkt naar mij en glimlacht / hij heeft geleerd om te glimlachen naar vrouwen die zich druk maken / om een boom dan nog wel.

U kunt uw lichaam hier achterlaten. Maar neem het toch maar mee, anders hebben de mensen van De Snuffel straks nog een hoop opruimwerk. Maar vergeet zeker niet mee te nemen, de gelijknamige bundel, want die is meer dan de moeite waard om gelezen te worden en in uw boekenkast te prijken. Tania Verhelst schrijft krachtige, eigentijdse, persoonlijke poëzie die veel lezers verdient. Ik heb gezegd. Dank u voor uw aandacht.

Philip Hoorne

Advertentie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s